Excellentie!

Bart Jan Spruyt, medeoprichter van de conservatieve Edmund Burke Stichting, kan het niet laten.

Begin juli richtte ik in dit katern een Open Brief aan u, waarin ik mijn zorg uitsprak over uw welwillendheid jegens een geloof – dat van orthodoxe, salafistische moslims – dat geen enkele ruimte aan andersdenkenden laat.

Binnen een week publiceerde u uw repliek, die u afsloot met de woorden: „Ongetwijfeld zult u willen reageren. Dat is jammer, want ik ben voorlopig op vakantie.” Ik had toen al een dupliek in gedachten, die ik had willen beginnen met de woorden: „Dat is jammer voor u, want ík ben niet met vakantie”, maar ik besloot, in overleg met de toenmalige redacteuren van Letter & Geest, het er maar even bij te laten zitten. Een volgende gelegenheid zou zich spoedig genoeg aandienen, vermoedde ik. En ja hoor, nog geen twee maanden later verschijnt er een interview waarin u openlijk de dingen zegt waarvan ik toen al vreesde dat die de consequentie van uw opvattingen waren.

In een interview, opgenomen in het deze week verschenen boek ’Een land van haat en nijd’ van de Vrij Nederland-journalisten Max van Weezel en Margalith Kleijwegt, zegt u dat de Nederlandse democratie ruimte moet bieden aan moslimgroeperingen wier politieke doel de invoering van de sjaria is. „Voor mij staat vast: als tweederde van alle Nederlanders morgen de sjaria zou willen invoeren, dan moet die mogelijkheid toch bestaan? Zoiets kun je wettelijk niet tegenhouden. Het zou ook een schande zijn om te zeggen: dat mag niet! De meerderheid telt. Dat is nou juist de essentie van democratie.”

Die uitspraak is het logische gevolg van het standpunt dat ik bestreed in die Open Brief van 8 juli: uw opvatting namelijk dat de staat in beginsel altijd moet wijken voor de implicaties van religie, dat de „gelijkwaardigheid tussen levensbeschouwelijke opvattingen” erkenning verdient omdat voor alle ’verhalen’ binnen de samenleving ruimte moet zijn, zelfs dus voor de verhalen (zoals het verhaal van de radicale, politieke islam) die andere verhalen helemaal geen ruimte willen bieden. Ik concludeerde toen dat het oude, gereformeerde principe van de ’soevereiniteit in eigen kring’ in uw hoofd gedeformeerd is tot een postmoderne gelijkstelling van alle verhalen, van welke gelovigen of ongelovigen dan ook. Uw uitvoerige maar ontwijkende repliek van 15 juli heeft mijn twijfels allerminst weggenomen, en met uw deze week geopenbaarde betoog heeft u mijn ergste vermoedens alleen maar bevestigd.

Laten we maar direct de duidelijkste conclusie trekken waartoe uw betoog ons dwingt: u weet helemaal niet wat democratie is. Het is spijtig dat van een minister van justitie te moeten zeggen. „You have crazy ministers”, mailden enkele buitenlandse vrienden nadat ze van uw opmerkingen kennis hadden genomen.

U beperkt democratie tot haar essentie, en die zou bestaan in de regel dat de meerderheid beslist. Maar een democratische rechtsorde is helemaal niet alleen (of: niet dan alleen in de meest simplistische opvatting over wat democratie is) op het meerderheidsbeginsel gebaseerd, maar evenzeer op onvervreemdbare grondrechten, op een terughoudende opstelling van de overheid ten opzichte van het privé-leven van burgers, op de rechten van politieke minderheden, op sociale cohesie, en op gedeelde culturele waarden.

Nu mag het woord sjaria een meerduidig begrip zijn, maar zoveel is wel duidelijk: het gaat altijd en overal om een overheid die alomvattende streng-religieuze wetten aan de gehele bevolking wil opleggen. Hoe ook geïnterpreteerd of gepraktiseerd, de sjaria is in flagrante tegenspraak met klassieke grondrechten als de vrijheid van godsdienst, vergadering en meningsuiting, dringt – als gevolg daarvan – weerzinwekkend diep tot in het gewone leven van burgers door, en kent weinig clementie met de positie van minderheden. En de toetssteen van een democratie is toch gelegen in de wijze waarop de meerderheid met de rechten, vrijheden en belangen van minderheden omgaat. Tenminste, zoiets las je vroeger nog wel eens. De mate waarin sociale cohesie, de eenheid in veelheid, in een samenleving bestaat, wordt bepaald door de vraag in welke mate alle burgers van een land deze waarden hebben geïnternaliseerd en deze spelregels met woord en daad erkennen. Binnen die begrensde kring is er verder alle ruimte voor diversiteit, hoe religieus exhibitionistisch die ook wordt geuit. Ik bepleit dus geen assimilatie of homogeniteit. Maar ik ben het faliekant met u oneens wanneer u schrijft: „Er is geen maatstaf.”

Uit uw opvatting dat mensen die in Nederland zijn ingeburgerd en daarna van hun politieke rechten gebruik maken, nu eenmaal ooit eens een meerderheid kunnen behalen en daarna een geheel andere politieke orde kunnen introduceren, spreekt slechts de bedrieglijke schijn van een gevaarlijke logica. Want wie werkelijk in onze democratische rechtsorde is ingeburgerd, heeft daarmee, impliciet of expliciet, de sjaria afgezworen.

Het is onjuist en dwaas om te denken dat deze principes de toevallige uitkomst zijn van een beslissing die ooit door 66 procent van een bevolking is genomen, en dat zij om die reden ook weer op een willekeurige dag door 66 procent van de bevolking kunnen worden teruggedraaid. Zij zijn het resultaat van een eeuwenlang proces, van trial & error, vallen en opstaan, fouten, correcties, evaluaties, controverses en debatten, en zij zijn als zodanig bovenwillekeurig. Dat wil zeggen, zij vormen tezamen uitgekristalliseerd cultuurrecht dat als een normatieve grondslag voor het recht fungeert.

(Tegenover u, excellentie, kan het waarschijnlijk geen kwaad eraan te herinneren dat H. J. van Eikema Hommes, hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Vrije Universiteit en aanhanger van de Wijsbegeerte der Wetsidee, dat principe in aansluiting op enkele gedachten van Calvijn heeft ontwikkeld.)

Die bovenwillekeurige uitkomst is meer dan het verdedigen waard. In zijn rapport ’Van dawa tot jihad’ (december 2004) zegt de AIVD dat „de invoering van de sjaria via verkiezingen” een van de ’dreigingstypen’ van de radicale islam is. „Bij het actief nastreven van antidemocratische doelen, zelfs al worden daarbij democratische middelen gebruikt, is overheidsinterventie gerechtvaardigd.”

In Duitsland, niet toevallig het land waar men enige ervaring heeft met de introductie via verkiezingen van een fascistische sjaria, heeft dit principe van de weerbare democratie geleid tot de formulering van een grondwetsartikel waarin groeperingen die de democratische rechtsstaat misbruiken als een façade voor een antidemocratische agenda, gericht op de opheffing van de rechten en vrijheden van andersdenkenden, buiten de democratische orde worden geplaatst. Zo heeft ook de Grote Kamer van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op 13 februari 2003 bepaald dat een verbod op de Turkse Welvaartspartij gerechtvaardigd was, omdat vooraanstaande leden van deze partij invoering van de sjaria hadden bepleit en daarmee standpunten hadden ingenomen die een bedreiging vormden voor de „fundamentele waarborgen van de democratie en van de rechten en vrijheden zoals beschermd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens”. Zo’n verbod is een betere weg dan de Arabisch-Europese Liga – door de AIVD getypeerd als representant van ’een vorm van radicaal moslimnationalisme’ – op het Binnenhof te verwelkomen, zoals u wilt.

U kiest voor een democratie waar iedereen toegang toe heeft en iedereen mag meebeslissen, vanwege een welhaast onbeperkt geloof in het democratisch proces zelf. Ik kan alleen maar concluderen dat de democratische rechtsorde bij absolute relativisten zoals u in heel slechte handen is. Want uw opvattingen zullen een wezenlijke verandering van de Nederlandse samenleving niet (willen) voorkomen, en betekenen daarmee het einde van de democratie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden