Ève Labouisse-Curie 1904-2007

Ève Curie was de jongste dochter van de wereldberoemde Marie Curie. Als haar moeders biografe stond haar leven lang in dat teken.

In haar latere leven maakte Ève Curie vaak het grapje dat ze ’de enige in de familie was zonder Nobelprijs’. Bij de Curies thuis was de Nobelprijs heel gewoon. Al voor Ève Curie in 1904 werd geboren, hadden haar ouders er een gewonnen – samen. Het echtpaar Pierre Curie en Maria Curie-Sklodowska kreeg in 1903 voor hun onderzoek naar radioactiviteit immers de Nobelprijs voor natuurkunde, samen met Henri Becquerel. Die prijs bestond toen nog maar net, maar prestigieus was hij al meteen.

Een paar dagen na Ève’s achtste verjaardag, in december 1911, kreeg haar moeder er nog een Nobelprijs bij. Deze keer was het de prijs voor scheikunde en de reden was dat ze radium en polonium had ontdekt, twee radioactieve elementen.

Ève was de jongste thuis. Ze had een zeven jaar oudere zus, Irène. Die was goed in waar hun ouders ook zo goed in waren: natuurwetenschappelijk onderzoek aan de frontlijn. Irène zou, net als haar moeder, trouwen met een man die onderzoeker was – Frédéric Joliot – en samen met hem ontdekkingen doen. Zij kregen in 1935 samen de Nobelprijs voor scheikunde omdat ze kunstmatige radioactiviteit hadden ontdekt.

Zo niet Ève. Bij de Curies thuis ging het sterk over ’iets kunnen’, maar Ève’s talenten lagen niet op natuurwetenschappelijk terrein. Ze groeide zonder vader op, want toen ze twee was kwam hij om het leven toen hij, in gedachten, in Parijs de Rue Dauphine overstak en onder een vrachtauto kwam – toen nog getrokken door paarden. Marie Curie stilde haar verdriet door verschrikkelijk hard te werken. Ze nam Pierre’s hoogleraarschap aan de Sorbonne over. Haar schoonvader Eugène, arts in ruste en weduwnaar, woonde in bij het gezin en deed veel voor de opvoeding van de kinderen. In 1921 ging Ève mee toen Marie Curie naar de VS ging en ze overal, als een popster, bleek te worden toegejuicht. Pas toen realiseerde Ève zich hoe verschrikkelijk beroemd haar moeder was. Thuis, waar de Curies een naar binnen gekeerd bestaan leidden, was haar dat nooit zo opgevallen.

Ève speelde goed piano; haar moeder moedigde haar aan om daarin verder te gaan. Een tijdje lang gaf ze ook inderdaad uitvoeringen – de eerste in 1925 – en schreef ze, onder een andere naam, muziekrecensies voor het weekblad Candide. Ze was de enige in de familie die zich wist te kleden; Marie en Irène maakten zich nooit erg druk om hoe ze eruitzagen.

Marie Curie overleed in 1934. Drie jaar later publiceerde Ève een biografie over haar: ’Madame Curie, haar leven en werk’. Het was een geweldig succes. Niet alleen werd het in 27 talen vertaald, ook werd Ève Curie nog jaren daarna overal ter wereld gevraagd om lezingen te geven over haar boek – dus over haar moeder. De ambitie om een bestaan als pianiste te leiden had ze intussen laten varen.

Of Ève Curie’s boek echt het beste boek over Marie Curie is, valt te betwijfelen. Ze liet in elk geval een episode weg die een serieuze biograaf nooit zou hebben weggelaten: de affaire-Langevin. Marie Curie en de iets jongere Paul Langevin, hoogleraar natuurkunde, hadden in 1910-11 vermoedelijk een relatie. Langevin was getrouwd – een slecht huwelijk weliswaar, hij woonde al niet meer bij zijn gezin. Maar mevrouw Langevin was er toch erg boos om en zocht de publiciteit. Opeens werd Marie Curie in de Franse pers zacht gezegd met pek en veren overladen. Van wetenschappelijke heldin werd ze ’die smerige buitenlandse’. Latere Curie-biografen hebben uitgebreid stilgestaan bij het effect dat het op Marie Curie heeft gehad – die na Langevin nooit meer aan enige man is begonnen. Ève Curie echter liet het bij een paar partijdige alinea’s. („Een laaghartige samenzwering breekt te Parijs los tegen deze vrouw van vierenveertig jaar, die zo breekbaar is, opgeteerd door een verpletterend zware arbeid en daarbij eenzaam en weerloos.”)

De Tweede Wereldoorlog bezorgde Ève Curie, een tweede groot onderwerp om over te schrijven. Ze ontvluchtte Frankrijk zodra de oorlog uitbrak, zette zich in voor Vrij Frankrijk en reisde voor onder meer de Herald Tribune de oorlogsgebieden langs – Afrika, het Midden-Oosten, Rusland, India, China. Daar kwam een tweede boek van: het eveneens in vele talen verschenen ’Mijn wereldreis in oorlogstijd’. Het verscheen nog tijdens de oorlog, in 1943. Het was bijna 600 bladzijden dik, geschreven in de ik-vorm en het promootte internationalisme-met-behoud-van-nationale-identiteit. Nationalisme willen uitroeien, dat vond Ève Curie onbegonnen werk.

Na de oorlog was ze vier jaar uitgever van het dagblad Paris-Presse, maar in de jaren vijftig stapte ze over naar de wereld van de internationale organisaties. Ze werkte een tijdje bij de Nato en werd in 1954 – op haar vijftigste – de tweede echtgenote van de Amerikaan (van Franse voorouders) Henry Labouisse, toen in Frankrijk baas van de Marshallhulp en weduwnaar. In de jaren zestig, na een paar jaar ambassadeur in Griekenland, werd hij directeur van Unicef, met Ève onafscheidelijk aan zijn zijde. Toen die organisatie in 1965 de Nobelprijs voor de vrede kreeg, nam Labouisse hem in ontvangst.

Labouisse overleed in 1987. Ève Curie is na zijn dood altijd in New York blijven wonen, waar je aan haar Engels altijd kon blijven horen dat ze uit Frankrijk kwam. Er was niet veel meer dat haar nog aan Frankrijk bond: niet alleen haar moeder, ook haar zuster Irène was intussen, op haar 58ste, overleden aan de gevolgen van radioactief onderzoek. Ève Curie werd daarentegen stokoud. Toen ze honderd was werd ze zowel door Unicef als door Frankrijk gelauwerd voor haar verdiensten als humanitarian.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden