Review

'Euthanasie is ons onderwerp'

Antropologe Anne-Mei The sprak met oudere artsen over de omslag in het denken over euthanasie. „Artsen zagen als eerste de keerzijde van medische hoogstandjes: vreselijk en langdurig lijden.”

’De oudere artsen waren furieus. Waar bemoeien die buitenstaanders zich eigenlijk mee, dachten ze. Euthanasie is ons onderwerp, iets wat zich afspeelt in de speciale relatie tussen arts en patiënt. Dat gaat politici, juristen of ethici helemaal niets aan.”

Anne-Mei The praat over de jaren zeventig en tachtig, de jaren waarin Nederland een omslag beleefde in het denken over euthanasie. En over het wonderlijke feit dat de gewone artsen in de destijds gevoerde debatten vrijwel helemaal ontbraken. Juristen, politici en ethici hadden zich meester gemaakt van het onderwerp, de mannen en vrouwen van de praktijk stonden buitenspel.

The, antropologe en bekend door diverse publicaties over de manier waarop in Nederland met het levenseinde wordt omgegaan, sprak de afgelopen jaren met talloze, vooral oudere artsen die de omslag in het denken over euthanasie hebben meegemaakt, toen ze nog zelf praktiserend waren. Het resultaat van al die gesprekken – ’Verlossers naast God’, een boek over de ontstaansgeschiedenis van de euthanasiewet in Nederland, – overhandigt ze vandaag aan staatssecretaris Bussemaker van volksgezondheid.

The: „Aanvankelijk roerden gewone artsen zich wel degelijk. Artsen werden na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate geconfronteerd met de grenzen van hun vak. Door de uitvinding van de beademingsmachine en door andere medisch-technische hoogstandjes waren zij in staat het leven steeds verder te verlengen. Maar ze zagen als eersten ook de keerzijde: vreselijk en langdurig lijden doordat maar werd doorbehandeld. Vanouds waren deze artsen gewend om de dood bij hevig lijdende patiënten – vaak kankerpatiënten – een handje te helpen. Dan gaven ze zo’n patiënt een extra morfine-injectie waardoor ze wisten dat hij snel zou overlijden. Dat deden ze meestal zonder daarover nadrukkelijk en open over te praten met de patiënt of de familie. Je kon het eigenlijk geen euthanasie noemen wat daar gebeurde. Er was geen sprake van een verzoek en de dood trad ook niet onmiddellijk in. De dokter hielp de patiënt sterven, uit barmhartigheid. Euthanasie was nog geen kwestie van zelfbeschikking zoals nu.”

Maar door de medisch-technologische ontwikkeling werd het anders, zegt The. „ Eind jaren zestig is alles gaan kantelen. Dat laatste zetje dat artsen gewend waren te geven, was niet meer afdoende. Om iemand aan zijn einde te helpen moest je veel actiever ingrijpen, en met middelen waardoor de patiënt direct stierf. Kon je dat nog wel doen zonder daarover eerst uitvoerig met de patiënt en z’n familie te praten? Nee, vonden steeds meer artsen. Euthanasie werd minder een kwestie van barmhartigheid, de wens van de patiënt zelf begon er veel meer toe te doen.”

Het was de tijd dat de maatschappij als geheel sterk in beweging kwam. Mensen werden mondiger, opener. Democratisering, secularisatie, ontzuiling: het werd allemaal gezien als vooruitgang. Mensen waren, nee moesten bijna ’progressief’ zijn. Over abortus, homoseksualiteit, ja zelfs pedofilie werd openlijk gediscussieerd. Kon je onder deze omstandigheden patiënten nog langer als onmondige kinderen behandelen? Nee, redeneerderden een aantal vooraanstaande artsen en psychiaters. The: „Ze vonden dat mensen recht hadden op de waarheid, ook als het over de dood ging. Ze moesten kunnen meepraten over hun behandeling. Moesten dokters ten koste van alles blijven doorbehandelen? Nee, dokters moesten ook leren te stoppen. Er werden discussies gevoerd over reanimeren, ja of nee. En over de dood zelf: waar ligt de grens tussen leven en dood? Door de moderne technologie stond dat steeds minder vast. Er kwamen ook proefprocessen over euthanasie.”

En zo lag de kwestie van euthanasie open en bloot op tafel. De artsen hadden het zelf aangekaart, maar daarna hoorde je niet veel meer van hen. Hoe kwam dat? The: „Ik denk dat voor de gewone huisarts euthanasie een minder groot onderwerp was dan voor de zogenaamde buitenstaanders. Voor hem was euthanasie slechts een fractie van de stervensbegeleiding, en die stervensbegeleiding ook maar een fractie van de totale huisartsenpraktijk. Daar was zoveel meer te doen. Artsen hadden het gewoon veel te druk.”

Juristen, ethici en politici gingen met het onderwerp aan de haal. Die politici konden ook niet anders: euthanasie was immers juridisch gesproken moord. The: „Voor zover artsen zich nog uitten, waren het hoogleraren en beleidmakers, geen mensen van de praktijk. Euthanasie werd steeds meer besproken in juridische en ethische en steeds minder in medische termen. Achteraf beschouwd zijn slechts een handjevol mensen beslissend geweest, mensen uit de verlicht-liberale hoek, zoals D66. Ze pakten het heel tactisch aan om euthanasie geaccepteerd te krijgen. Wie daarbij voorop liep was professor Leenen, hoogleraar sociale geneeskunde en gezondheidsrecht in Amsterdam. Hij bedacht de oplossing van het euthanasie-vraagstuk letterlijk gedurende een mooie zomer in zijn achtertuin. Het was voor hem een intellectuele exercitie, waarbij het ene na het andere velletje papier met mogelijke oplossingen op het gazon belandde. Maar hij kwam eruit. Hij koppelde euthanasie aan het idee van zelfbeschikking. En zelf beschikken, dat konden alleen wilsbekwamen. En zo bedacht Leenen een model dat juridisch hanteerbaar was, dat euthanasie ’clean’ maakte, weg van de willekeur en van de moord, en dat uiteindelijk resulteerde in de wet van 2002.”

De artsen die toen zo furieus waren, zeggen nu, achteraf, dat ze het een goede zaak vinden, die euthanasiewet. The: „Ze weten nu waar ze aan toe zijn. En bovendien die bijzondere arts-patiënt relatie van vroeger, die bestaat eigenlijk niet meer. Huisartsen werken niet meer zeven dagen per week en 24 uur per dag om beschikbaar te zijn voor hun patiënten. Vaak werken ze parttime. Bovendien is er een enorme specialisatie gekomen in de medische wereld. Daardoor hebben patiënten met veel meer artsen te maken. In zo’n situatie is het goed dat er allerlei vaste procedures en protocollen zijn.”

Anne-Mei The heeft echter ook haar bedenkingen bij de huidige wet. Zo is er voor de wilsonbekwamen niets geregeld, een kwestie die ze zo snel niet ziet opgelost. En, zegt ze: „Op één punt ben ik het met buitenlandse critici eens, namelijk dat Nederland de verkeerde volgorde heeft toegepast: eerst werd de euthanasie geregeld, en daarna pas kwam er aandacht voor palliatieve zorg. Dat had andersom gemoeten. Tegelijk snap ik waardoor het in Nederland zo gegaan is. Door de openheid waarmee men over euthanasie in de jaren zeventig sprak, kon het niet anders dan dat dat snel moest worden geregeld. Maar de ’buitenstaanders’ die dat op zich namen hadden er weinig oog voor dat euthanasie slechts een onderdeel vormde van stervensbegeleiding. In de gereedschapskist van de dokter zit gelukkig veel meer dan alleen die euthanasie.”

De euthanasiewet, concludeert The, is er gekomen om de maatschappij te beschermen tegen ongewenste euthanasiepraktijken. „Het voordeel voor de dokter is dat hij weet waaraan hij toe is. Maar regels en protocollen maken op zichzelf geen goede artsen. Er zijn nog steeds artsen die niet kunnen omgaan met de dood. Daarvoor is reflectie nodig en introspectie waar je vaak alleen door ouder worden en ervaring aan toekomt. En ik denk dat na tientallen jaren van juridisering en protocollisering de arts-patiënt-relatie weer wat prominenter op de agenda zou mogen komen te staan. Al die regels getuigen van wantrouwen tegen de arts, wat meer vertrouwen zou goed zijn.”

Ook anderszins heeft Anne-Mei The bedenkingen bij de huidige euthanasiepraktijk. „Het abrupte karakter bijvoorbeeld. Dat stuit veel mensen tegen de borst. Er zijn nabestaanden die daarmee moeite hebben, veel meer dan ze van te voren hadden gedacht. Ik hoor vaak: het ging zo snel, van het ene op het andere moment was hij dood. Euthanasie is ook niet voor alles een oplossing. Er zijn bepaalde maatschappelijke problemen waardoor mensen zich zeer slecht kunnen voelen en dood willen, terwijl er iets anders achter steekt: bijvoorbeeld slechte verpleeghuiszorg of eenzaamheid. Dat is een maatschappelijk probleem dat je niet moet individualiseren door er een medisch probleem van te maken en dat je zeker niet met euthanasie mag oplossen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden