Euthanasie hoort onder het strafrecht te blijven

Verkeerd uitgevoerde euthanasie straffen via het medisch tuchtrecht leidt tot onduidelijkheid.

Het ziet er niet naar uit dat de zojuist bekend geworden resultaten van het onderzoek naar het functioneren van de euthanasiewet voor veel debat zullen zorgen. De opstellers van het lijvige rapport stellen vast dat de wet over het geheel genomen voldoet aan de gestelde doelen. Volgens de onderzoekers zijn wezenlijke veranderingen in wet of beleid dan ook niet nodig.

Politiek komt dat goed uit. In haar reactie op het rapport wees staatssecretaris Bussemaker (VWS) er nogmaals nadrukkelijk op dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat de huidige wetgeving en de praktijk op het gebied van hulp bij zelfdoding ongewijzigd zal blijven.

Ook maatschappelijk zullen de bevindingen van de onderzoekers niet tot veel discussie aanleiding geven. Degenen die destijds het wetsvoorstel omarmden zullen tevreden kunnen constateren dat inmiddels 80 procent van de gevallen van euthanasie gemeld wordt. Zes jaar geleden was dat percentage nog maar 54. In slechts zes procent van de gemelde gevallen van euthanasie vragen de commissies de arts om een toelichting. En per jaar geven de toetsingscommissies slechts zelden het oordeel ’onzorgvuldig’. Ten slotte heeft inmiddels ruim tweederde van de Nederlandse gezondheidszorginstellingen een schriftelijk beleidsstandpunt ten aanzien van euthanasie en zelfdoding. Transparantie, zorgvuldigheid en duidelijkheid alom dus.

Maar ook de toenmalige tegenstanders zullen niet ontevreden zijn. Een van de opvallendste bevindingen is de afname van euthanasie en hulp bij zelfdoding in 2005 ten opzichte van 2001 en 1995. In 2005 waren er circa 2325 gevallen van euthanasie en 100 gevallen van hulp bij zelfdoding. In 2001 ging het nog om respectievelijk 3500 en 300 gevallen. Tweederde van de geraadpleegde artsen gaf desgevraagd aan een duidelijke relatie te zien tussen verbetering van palliatieve zorg in Nederland en vermindering van levensbeëindigend handelen door artsen. De onderzoekers vermoeden ook een verband met de toename van andere methoden om de problemen van patiënten in de laatste levensfase te bestrijden, zoals de moreel minder omstreden palliatieve sedatie. Daarnaast nam het aantal uitdrukkelijke verzoeken om euthanasie en hulp bij zelfdoding significant af. Volgens onderzoekers hangt de daling waarschijnlijk ook samen met de toenemende aandacht in beleid en onderzoek voor de kwaliteit van medische zorg en behandeling in de laatste levensfase. Een slechte wet misschien, maar wel een afnemend aantal gevallen, minder verzoeken en betere palliatie.

Toch blijft het debat niet helemaal uit. De opstellers van het rapport bevelen namelijk wel degelijk ook wetswijzigingen aan, waarbij het de vraag is of deze wel zo bijkomstig zijn als zij doen voorkomen. Zo willen zij liever een straf via het tuchtrecht dan via het strafrecht op onvoldoende medische zorgvuldigheid bij de uitvoering van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding. De wet zou dan zo aangepast moeten worden dat voor een beroep op straffeloosheid het voldoen aan de eis van zorgvuldige uitvoering (de juiste keuze van de middelen, hun juiste toediening) niet langer nodig is.

Dit is een moeilijk te begrijpen standpunt. De medisch zorgvuldige uitvoering van euthanasie is immers geen louter medische aangelegenheid. Voert hij de euthanasie medisch niet zorgvuldig uit, dan begaat een arts niet slechts een medische fout. Dat een arts toegang heeft tot bepaalde middelen, kennis ter zake heeft, weet hoe ze toegediend moeten worden en de bevoegdheid daartoe bezit, maakt de handeling nog niet tot een puur medische aangelegenheid.

Vanaf het moment dat een arts tot de overtuiging is gekomen dat een patiënt ondraaglijk en uitzichtloos lijdt, en besloten heeft diens verzoek in te willigen, begeeft hij zich uit de sfeer van het normale in de sfeer van het niet-normale medische handelen. Die sfeer wordt geregeerd door andere normen dan die welke de dienst uitmaken in de sfeer van het normale medische handelen.

Omdat het onderzoek ook uitwijst dat de grens tussen levensbeëindiging en normaal medisch handelen in de praktijk voor veel artsen nog vragen oproept, is het niet verstandig de onduidelijkheid te vergroten door de verschillende zorgvuldigheidseisen in verschillende regimes te plaatsen. Moet er aan de zorgvuldigheidseisen dan toch een verschillend gewicht worden toegekend, dan kunnen het OM en strafrechter dat ook. Wetswijziging is niet nodig.

Een soortgelijk argument voeren de onderzoekers aan ten aanzien van de sanctionering van niet-melden. Zij wijzen erop dat het niet melden van een delict van een geheel andere orde is dan het plegen daarvan. De wet maakt dit onderscheid niet, zo stellen zij, terwijl dat wel zou moeten. Daarenboven betwijfelen zij of de wijze waarop niet-melden in de euthanasiewet is gesanctioneerd wel bijdraagt aan de meldingsbereidheid. Maar ook hier kan een wetswijziging alleen maar bijdragen aan de onduidelijkheid. Bovendien doet het hoge meldingspercentage bepaald niet vermoeden dat de huidige zware sanctie de meldingsbereidheid onder artsen in de weg staat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden