'EUTHANASIE' EN NATIONAAL-SOCIALISME Een Hollands taboe of een grond tot bezinning?

De auteur is hoogleraar medische ethiek aan de medische faculteit in Nijmegen. Hij was lid van de zgn. Grondslagcommissie van het CDA en van de Staatscommissie euthanasie.

In het kader van een breed historisch onderzoek aangeland bij het jaartal 1933 leek mij daarom de daarop volgende periode aanvankelijk ook niet zo relevant. Intellectuele integriteit en wetenschappelijke objectiviteit kunnen echter niet op voorhand een taboe aanvaarden en eisen meer dan het op voorhand afwijzen van een dergelijke vergelijking, zoals dat door voorstanders van levensbeeindiging bij herhaling geschiedt. Als het goed zit, is er trouwens geen reden om voor nader onderzoek bang te zijn.

Dit onderzoek van in Nederland en Duitsland te vinden materiaal leidt echter tot verbijsterende conclusies, die de wetgever naar mijn overtuiging moeten manen tot een pas op de plaats en tot een algehele herbezinning in een sfeer waar persoonlijk bedoelde diskwalificaties niet op hun plaats zijn. Er is namelijk in velerlei opzicht wel degelijk sprake van een treffende gelijkenis tussen wat in deze materie in ons land dreigt te worden aanvaard enerzijds en anderzijds uitgesproken nationaal-socialistische ideeen. Dit geldt - helaas - ook voor de door het kabinet voorgenomen en in de Tweede Kamer aanvaarde regeling van de materie. De overtuiging die aan dit artikel ten grondslag ligt houdt in dat er van een ver afglijden op een hellend vlak niet pas dan gesproken kan worden wanneer op grote schaal mensen tegen hun wil gedood worden. Wij dienen ons verre te houden van iedere objectieve overeenkomst en inwisselbaarheid met nationaal-socialistisch gedachtengoed, ook dat van voor 1939.

Zoals bekend is het in het Derde Rijk nooit tot een euthanasie-wetgeving gekomen. Hitler hield niet zo van nieuwe wetgeving en heeft die altijd afgehouden, mede uit vrees voor reacties uit het buitenland. In die zin was het euthanasie-program dat vanaf 1939 werd uitgevoerd en de daarmee samenhangende wilde euthanasie onwettig.

De ambtelijke Strafrechtskommission die vanaf 1934 tot en met 1936 onder leiding van de tragische minister van justitie Franz Gurtner werkte aan een nieuw wetboek van strafrecht, dat er nooit is gekomen, had wetswijziging inzake euthanasie afgewezen. Zij aanvaardde rechtens alleen een lijdensverzachting met als neveneffect de verhaasting van de dood, een gedraging die geen doden is in eigenlijke zin. In deze commissie zaten niet alleen uitgesproken nazi's, maar ook andere en soms kwalitatief hoogstaande juristen die ondanks de onvermijdelijke verbale plengoffers een klassiek en gezond recht bleven verdedigen. Een van hen was de zwager van Dietrich Bonhoeffer, Hans von Dohnanyi, die later betrokken raakte bij de aanslag op Hitler en eveneens tengevolge daarvan zijn einde vond. Zijn tegenspeler was Roland Freisler, die als president van het gerechtshof later de daders van dezelfde aanslag zou berechten en tijdens dat werk door een bombardement van de geallieerden om het leven kwam.

In meer gematigde maar jegens euthanasie positief gestemde nationaal-socialistische kringen heeft echter niet alleen in 1941, maar - los van de tragedie van het massale doden van gehandicapten - ook reeds voor 1939 een ideologisch geladen discussie plaatsgehad over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van wetswijziging aangaande levensbeeindiging al dan niet op verzoek. De weg waarlangs de praktische aanvaarding zonder wetswijziging juridisch werd beargumenteerd, is bij nader toezien wezenlijk dezelfde als de bij ons voorgenomen regeling die steunt op een kritiekloze of althans berustende aanvaarding van de bekende en bedenkelijke arresten van de Hoge Raad.

Alles draait om het begrip van de concrete 'wederrechtelijkheid'. Tegenover de klassieke democratisch-liberale opvatting van het recht, die als verouderd werd beschouwd, werd een zgn. 'natuurrechtelijke', maar specifiek nationaal-socialistische visie op het strafrecht geplaatst. Kenmerkend ervoor is met name de 'analogie'. Ten ongunste van de verdachte moest de rechter niet alleen de verkeerde daad, maar ook reeds de - veronderstelde of bewezen?

- boze wil straffen. Verworpen werd de liberale filosofie van het zgn.

legaliteitbeginsel: geen straf zonder overtreding van een wettelijk strafwetsartikel.

De strafwetsartikelen moesten 'analoog' worden toegepast, d.w.z. uitgebreid en uitgedijd over de grens van de delictsomschrijving heen. De rechter moest meer doen om de maatschappij van ongewenste elementen te zuiveren. Hij moest rechtspreken vanuit de geest van de wet. Duidelijk was de tendens naar een grotere juridische ruimte om politieke tegenstanders en andersdenkenden aan te pakken. Anderzijds dacht men hiermee de brutale misdaden, door de NSDAP 'in goede gezindheid' begaan, eventueel te kunnen afdekken.

Ditzelfde procede nu en dezelfde gedachtengang werden echter ook omgekeerd toegepast op euthanasie, en wel ten gunste van de dader. Op deze wijze kon wetswijziging worden omzeild.

Het principe van de analogie en daarmee de vrijheid van de rechter ten aanzien van de delictsomschrijving is in 1935 wettelijk vastgelegd door een verandering in het Wetboek van Strafrecht van paragraaf 2. Bekwame en hoogstaande juristen zoals o.a. Mezger hebben in die tijd gepoogd de mogelijk kwalijke gevolgen ervan in te dammen door erop te wijzen dat volgens de woorden zelf van de nieuwe tekst de rechter gebonden blijft aan de grondgedachte van de wet. De bovengenoemde Freisler echter zal als staatssecretaris op het ministerie van justitie in het jaar 1941, waarin het euthanasieprogram officieel maar niet feitelijk werd gestopt, in een publikatie (Deutsches Strafrecht, 1941, pp. 65 e.v.) het doden van een zwaar gehandicapt kind door de moeder in een concreet geval gerechtvaardigd achten.

Wanneer hem dit de kritiek oplevert van de senaatspresident Karl Klee, die spreekt van een omkeren van de analogie, blijft Freisler insisteren en gaat dieper op de zaak in, waarbij naast de lichamelijke defecten de onmogelijkheid van communicatie centraal staat. Wanneer Klee erop wijst dat er ook andere ouders zijn die anders staan tegenover hun gehandicapt kind, hanteert Freisler een ook in onze tijd veelvuldig gebruikt argument, te weten het pluralisme in de samenleving.

Dezelfde omkering vond reeds plaats in een op zichzelf uiterst intelligente en daarom interessante, maar door een nationaal-socialistische rechtsopvatting beheerste studie aan de universiteit van Marburg in 1935-1936. Het onderwerp wordt in principe beperkt tot levensbeeindiging op verzoek. Maar deze grens blijkt ook hier al poreus en er wordt o.m. gewerkt met de veronderstelde wil. Absolute afwijzing van alle levensbeeindiging bij wilsonbekwamen wordt als overdreven moralisme beschouwd. Afgewezen wordt alleen het breken van een uitgesproken levenswil.

Na een historisch overzicht van de wetgeving worden alle in de wetenschap behandelde straf- en schulduitsluitingsgronden besproken, die bij sommige auteurs sinds 1900 al vrij ruim waren. De auteur, Eva Hilschenz, komt echter na een bekwame analyse, waarin ook de gedachtengang die later bij ons de Hoge Raad zou volgen, de revue passeert, tot de conclusie dat langs deze weg straffeloosheid niet afdoende is te funderen. De vraag hoe het dan wel moet in het toekomstige nieuwe strafrecht, wordt niet beantwoord met een voorstel tot wetswijziging, maar wordt geheel benaderd vanuit de bovenvermelde nationaal-socialistische opvatting van rechtersrecht in het individuele geval.

De opgave van de rechter in het Derde Rijk is het, overeenkomstig het Volksempfinden recht te spreken en op grond van de goede wil en de analogie deze daad niet te veroordelen. Met zoveel woorden wordt - in tegenstelling tot de 'Proeve' van het vorige kabinet, maar in overeenstemming met onze Hoge Raad - gekozen voor een rechtvaardigingsgrond boven een schulduitsluitingsgrond. De overgang van het klassieke naar het nieuwe recht verloopt via een analoge uitbreiding van de '(Un)zumutbarkeit': van de goede arts kan niet gevergd worden dat hij het doden nalaat. Aan het doden van een verlorene uit medelijden ontbreekt de materiele wederrechtelijkheid, omdat geen rechtsgoed meer wordt geschonden. Ook de dood kan een weldaad zijn.

Door het recht kan niet verlangd worden dat een 'willensstarke' volksgenoot door niet te doden een reeds lichamelijk en geestelijk aangetast leven voor de maatschappij in stand houdt. Zijn goede wil wordt geplaatst in het licht van de trouw, de nationaal-socialistische Treue. Evenals echtgenoten en kameraden aan elkaar trouw verschuldigd zijn, zo is ook de arts deze vorm van trouw aan zijn patient verschuldigd. Als een pre-echo van een passage in de toelichting bij het huidige kabinetsstandpunt schrijft de auteur bijna 60 jaar geleden, dat de staat zich niet 'gegensatzlich' mag opstellen tegenover zulke edele menselijke 'Instinkte' en 'Motive'.

Evenals heden in ons land wordt betoogd dat deze goede arts niet voortdurend het risico van een veroordeling mag lopen: “Diese Gefahr besteht im nationalsozialistichen Staat nicht mehr in dem bisherigen Masse”. Van de andere kant zijn er technische en psychologische bezwaren tegen een wetswijziging. Deze vervallen echter wanneer het aan de rechter op de verheven plaats die hem toekomt, wordt overgelaten om stervenshulp niet als opzettelijk doden te bestraffen, ook niet met een wettelijk verminderde strafmaat.

Het is goed dit alles op ons te laten inwerken in een land waarin ieder ontslag van strafvervolging in weer een nieuw proces door de Nederlandse vereniging voor vrijwillige euthanasie als een nieuwe wet wordt verwelkomd.

In wezen heerst ook in ons land een niet te stuiten analogie via een rechtersrecht. Wat de Hoge Raad gedaan heeft kan niet beschouwd worden als een normale toepassing van een normale strafuitsluitingsgrond. Ook daarin heeft de analogie een rol gespeeld, zowel in de vorm van uitdijing als in die van inkrimping.

De Hoge Raad heeft er wel aan vastgehouden dat ook artsen in principe onder de strafwetsartikelen tegen het doden vallen. Hij kon ook moeilijk anders op grond van de wetsgeschiedenis, waarin gedurende heel de vorige eeuw ook voortdurend aan de arts is gedacht. De analogie bij de Hoge Raad ligt in de toepassing van het wetsartikel over de overmacht. Dit blijkt uit de hantering van de begrippen 'conflict van plichten' en 'normen van de medische ethiek'.

De Raad heeft een kunstmatig conflict van plichten geconstrueerd door eerst een van die plichten, nl. de verantwoordelijkheid van de arts voor zijn patient, ongeproportioneerd uit te breiden. Omgekeerd heeft de Hoge Raad de plicht van de medicus ingekrompen door een goed uitvoerbare levensreddende operatie bij een mongolode pasgeborene analoog te kwalificeren als een niet vereist veroorzaken van toegevoegd lijden.

Door zonder enige specificatie te spreken over de normen van de medische ethiek heeft de Hoge Raad voor rechters de mogelijkheid geschapen om zich te verschuilen achter de opvatting van deskundigen met een zeer bepaalde ethische opvatting. Een van hen, de ethicus Kuitert, die zelf spreekt over “een levensbeschouwelijke veldslag in de Nederlandse rechtszalen” (NRC Handelsblad 10 april 1993), meent weliswaar dat een arts niet zonder verzoek het leven mag beeindigen van een patient die (nog) zijn wil kan uiten, maar in zijn boek 'Mag er een einde komen aan het bittere einde?' beschouwt hij, wanneer de patient dit niet meer kan, het als normale medische zorg, wanneer de arts ongevraagd en zonder afspraak met de patient “een laatste zetje geeft met behulp van een wat royalere dosis morfine” (p. 46-47). Het is niet in te zien hoe dit te rijmen is met de veroordelingen in de zgn. Terp-zaak door de tuchtrechter en in die van de Zaandijkse huisarts door de strafrechter.

Het eerste 'trendsettende' arrest van de Hoge Raad van 27 november 1984 is in een artikel (Ars Aequi 1985, pp. 663-667) door een van de raadsheren, mr. C.

Bronkhorst, in verband gebracht met zijn eigen proefschrift 'Overmacht in het strafrecht' (1952). De verdienste van deze dissertatie was hierin gelegen dat de beperktheid van het begrip overmacht tot het louter psychische werd doorbroken en de mogelijkheid van een objectieve noodtoestand, van een conflict van waarden, werd erkend. De zwakte ervan ligt echter in het feit dat het onderscheid tussen het subjectieve en het objectieve uitermate wordt gerelativeerd en ondergeschikt wordt gemaakt aan de persoonlijk waarderende redelijkheid van de rechter. Zelfs is in dit werk de uitspraak te vinden dat het niet beslissend zou zijn of het geredde belang in waarde boven het aangetaste uitsteekt (p. 244). Dit uitgangspunt is onaanvaardbaar waar het gaat om het (helpen bij) doden van een mens op grond van diens toestand.

Ondertussen gaan rechters onverdroten door met in telkens weer nieuwe gevallen dezelfde passage van de Hoge Raad over te schrijven. Ondertussen ziet het Openbaar Ministerie zich daarop anticiperend, wel gedwongen massaal tot seponering over te gaan en wordt het alleen de ruimte gelaten om af en toe een voorzet te geven voor weer een nieuwe grensverlegging op het hellende vlak. Nu door de rechter reeds een rechtvaardigende noodtoestand wordt aangenomen bij artsen die vrijwillig vanuit de Nederlandse vereniging voor vijwillige euthanasie voor (zeer) korte termijn als 'behandelend' arts fungeren, moet de Groningse psychiater die veroordeeld is omdat zij als niet-behandelend arts een vriendin aan haar einde heeft geholpen, zich wel heel erg gediscrimineerd voelen! Al is het invoelbaar dat de rechtbank te Assen in zijn uitspraak van 21 april jl. ervoor terugdeinsde aan de betrokken arts achteraf een straf op te leggen, de gegeven motivatie impliceert logisch als consequentie dat aan eenieder die de dood voor zichzelf wenst en daaraan vasthoudt, de macht wordt gegeven de samenleving als geheel in een juridische noodtoestand te plaatsen! Daarvoor is de vrijheid om een eigen arts te kiezen niet bedoeld.

In 1936 verscheen de nationaal-socialistische roman 'Sendung und Gewissen'.

Niet bekend

Zoals vaak zijn de inhoud van de film en die van het boek niet identiek. In het boek is de bewonderde held de arts Terstegen, die het achteraf betreurt het leven van zijn moeder ondanks haar verzoek niet te hebben beeindigd: “Wie ruhig und schmerzlos hatte sie einschlafen konnen! Uns wie sehr hatte gerade sie diese Gnade verdient!”. Deze crisis drijft hem tot een overtuiging ten gunste van levensbeeindiging al dan niet op verzoek, een overtuiging die hij in een aantal gevallen omzet in de daad.

De film, die technisch intelligent vervaardigd is, gaat over de geslaagde arts-wetenschapper dr. Heydt, die zijn knappe vrouw, die aan multiple sclerose lijdt en nog enkele maanden te leven heeft, een dodelijke drank te drinken geeft. Zijn vriend, eveneens arts, is er aanvankelijk door geschokt, maar wanneer hij door een moeder van een ernstig gehandicapt kind, dat hij aanvankelijk in moeilijkheden na de geboorte heeft gered, gevraagd wordt haar nogmaals te helpen en hij het kind in een inrichting heeft gezien, snelt hij naar de rechtszaal om zijn vriend voor een veroordeling te behoeden. De laatste veertig minuten van de tweeenhalf uur durende film gaan over het geraffineerd gecomponeerde proces, waarin rechtbank, aanklager, juryleden en getuigen alle relevante aspecten en vragen, die ook nu in ons land spelen, ter sprake brengen. De titel slaat op de slotscene, waarin de verdachte zijn aanklacht richt tegen de toen in Duitsland en nu in Nederland nog geldende wet.

De onmiskenbare intentie van de film is om via de aannemelijkheid van levensbeeindiging-opverzoek de geesten rijp te maken voor het doden van wilsonbekwamen. Het is dezelfde beweging die zich sinds jaar en dag in ons land voltrekt. Onder meerdere zij hier verwezen naar de discussienota's van de door de KNMG ingestelde 'Commissie aanvaardbaarheid levensbeeindigend handelen' over defecte pasgeborenen, langdurig comateuzen en demente patienten. Daarin neemt naast de constructie van een door derden 'veronderstelde' wil ook het criterium 'onleefbaar leven' een belangrijke plaats in.

De verschillende thema's in boek en film (levensbeeindiging van een moeder en de multiple sclerose) maken het moeilijk de herinnering te onderdrukken aan het Leeuwarder proces en de casus van de Delftse anaesthesist die als eerste in Nederland door de uitspraak van het Hof definitief vrijuit ging. Dit zijn echter - hoewel opvallende - slechts uiterlijke en toevallige overeenkomsten.

Waar het in boek en film om gaat is de ideale gestalte van de ware arts, die als voorbeeld wordt uitgetekend en belicht. Die is in wezen identiek met het beeld dat heden ten dage in Nederland ons wordt voorgehouden met toenemende frequentie en indringendheid. De conclusie van een medicus die zwicht voor het beeld van de 'goede dokter' dat Kuitert doorheen heel zijn boek 'Mag er een einde komen aan het bittere einde?' aan de lezer voorhoudt, kan als volgt worden samengevat: “Seitdem erst weiss ich, dass wir nun dann wahrhaft gute Artzte sind, wenn wir unsere hochste Sendung begreifen: nicht nur zu helfen und zu heilen, sondern auch zu erlosen”. ('Nu weet ik pas dat wij pas goede dokters zijn als wij onze hoogste opdracht kennen: niet alleen helpen en genezen, maar ook verlossen'). Dit zijn de woorden van de arts Terstegen in Ungers roman van 1936 (p. 65). Op een aantal fundamentele punten zijn de beschouwingen in beide boeken inwisselbaar.

De huidige wetgever heeft tot nu toe geen vinger uitgestoken om op zijn terrein de werking van het wetsartikel over de overmacht aan banden te leggen. Zelfs niet wat betreft artikel 289 over het doden zonder verzoek. Ook het CDA niet. Integendeel, het heersende rechtersrecht wordt in een zgn.

compromis omarmd en heel de problematiek wordt versterkt op de tafel van de onafhankelijke rechter gelegd. Het CDA beperkt zich tot loutere getuigenis-politiek. Verklaringen dat niet-veranderen van de wetstekst herbevestiging van de norm inhoudt, herinneren zich misschien de zwijgende muren van de Tweede Kamer, maar zijn in de publiciteit van de dag snel vergeten. Het Openbaar Ministerie krijgt geen nieuwe steun in de rug.

Toch is mijns inziens thans een wettelijke inperking van de toepasbaarheid van artikel 40 Wetboek van strafrecht op de specifieke artikelen tegen het doden dringend noodzakelijk. Deze gedachte zal niet op termijn door alle juristen even warm worden verwelkomd. Maar juridisch mogelijk is het wel.

Mogelijk, met behoud van het waardevolle dat voor andere terreinen in het begrip noodtoestand gelegen is. Tevens kan er ruimte blijven voor rechterlijke mildheid in uiterst zeldzame gevallen of zgn. panieksituaties.

Maar het is de wetgever die niet met woorden, maar met daden duidelijk moet maken dat levensbeeindiging niet thuishoort in het normale 'pakket' van de medicus. Waar een wil is, is een weg. En waar creativiteit is, wordt die ook gevonden. Wij vormen tenslotte een soevereine staat.

Een reden waarom de coalitie terugdeinst voor het sleutelen aan wetsteksten kan zijn de vrees dat daarmee ook initiatieven vanuit de oppositie in en buiten het parlement nieuwe wind in de zeilen kunnen krijgen. Deze vrees lijkt mij gelet op andere historische feiten ongegrond. Immers, ook in het nationaal-socialische tijdperk hebben er tekstvoorstellen voor wetswijziging gecirculeerd. Allereerst tijdens de jaren 19401941 in verschillende versies onder de top van de toenmalige leidende nationaal-socialistische kringen (o.m. Lammers, Hefelmann, Eberl). Paragraaf 1 handelde over levensbeeindiging op verzoek, paragraaf 2 en volgende over levensbeeindiging van ongeneeslijk wilsonbekwamen. Hitler voelde er echter zoals gezegd niet voor en de voorstellen werden voor de tijd na de oorlog in de la gelegd.

Nu moet men voorzichtig zijn de Nederlandse discussie onmiddellijk te vergelijken met deze voorstellen gedaan in een evident misdadige context. Wie niet terugdeinst voor de massale vernietiging van 'lebensunwertes Leben', zal uiteraard geen moeite hebben met het doden van ongeneeslijk zieken in hun laatste levensfase op verzoek. Maar de vraag blijft in hoeverre de materie zelf het toelaat zich strikt tot het laatste te beperken. En het blijft knagen als men in een brief van een betrokken nazi uit die tijd de verwachting ziet neergeschreven dat de medische stand en ook - behoudens de conservatieve katholieken - de bevolking 'in het bijzonder' paragraaf 1 zullen verwelkomen.

Wanneer wij ons in ons land verre willen houden van iedere objectieve vergelijkbaarheid en inwisselbaarheid met nationaal-socialistisch gedachtengoed van ook voor 1939 is echter belangrijker het feit dat reeds in 1933 door de Pruisische minister van justitie een concept voor een nieuw wetboek is gepubliceerd onder de titel 'Nationalsozialistisches Strafrecht'.

Daarin wordt een wettelijke onrechtsuitsluitingsgrond voorgesteld voor het toedienen van een euthanaticum aan een uitzichtloos zieke ter verkorting van zijn lijden. Een dergelijke daad, die voortvloeit uit menselijkheid en medelijden jegens de zieke en zijn familie, dient niet strafbaar gesteld te worden. Is de zieke niet meer tot een dergelijke wilsuiting in staat, dan kan deze vervangen worden door een verzoek van de familie, mits niet op grond van onzedelijke motieven. Om misbruik te voorkomen worden ook bepaalde procedures voor een toetsing, een 'sorgfaltige Prufung' voorgesteld: de ongeneeslijkheid van de ziekte moet medisch-deskundig vaststaan en twee artsen moeten worden geraadpleegd om nauwkeurig de ziektegeschiedenis te onderzoeken. De concrete gang van zaken moet nader geregeld worden in een 'Durchfuhrungsverordnung', een soort Algemene maatregel van bestuur. Vernietiging van 'lebensunwertes Leben' door een 'niet-ambtelijke persoon' blijft strafbaar.

In 1934 verscheen onder verantwoordelijkheid van de NSDAP'er en Reichsjustizkommissar Dr. Hans Frank een 'Denkschrift des Zentralausschusses der Strafrechtsabteilung der Akademie fur Deutsches Recht uber die Grundzuge eines Allgemeinen Deutschen Strafrechts'. In het referaat over de rechtvaardigingsgronden staat onder het thema van de instemming van de betrokkene: “Die Euthanasie ist unter Schaffung starkster Sicherungen gegen Missbrauche zuzulassen”. Dezelfde Hans Frank en latere gouverneur-generaal van Polen schrijft in 1936 in zijn boek 'Nationalsozialistische Leitsatze fur ein neues deutsches Strafrechts', dat 'Sterbehilfe' niet in het strafrecht thuishoort.

Voor iemand die de inhoud van de Nederlandse discussie kent en erkent, is het moeilijk de wezenlijke vergelijkbaarheid te loochenen. Onderzoek levert teksten op uit de nationaal-socialistische tijd die inhoudelijk en soms letterlijk met die in onze tijd overeenkomen, zodat je ze in kolommen naast elkaar zou kunnen zetten. De hierboven slechts genoemde en aangeduide documentatie zal in een wetenschappelijke context uitvoerig moeten worden bestudeerd en vergelijkenderwijs uitgewerkt.

Het gaat er mij niet om wie dan ook van subjectieve kwade trouw te beschuldigen. Het gaat mij om de objectieve dynamiek die aan de aard van de materie eigen is, een dynamiek waarin juist goede bedoelingen een eigen legitimerend leven dreigen te gaan leiden, dat tot steeds verdere grensverlegging voert. In de genoemde nationaal-socialistische roman van Unger zegt de arts Terstegen: “Es kommt nicht darauf an, was wir tun, jedoch stets dass wir dabei das Beste wollen” (p. 256). Neemt men deze zin als stelregel, dan vervalt men tot een intentie-moraal die niemand op andere terreinen van het leven zomaar zou willen toepassen.

De eigen aard van de onderhavige materie brengt echter mee dat dit gevoelen een bijna bezwerende rol speelt. Dat komt door de bewogenheid die het lijden bij ons allen oproept. Inzake deze bewogenheid kan echter niemand een monopolie voor zichzelf opeisen.

De bedoeling van de in dit artikel geboden vergelijkingen kan worden duidelijk gemaakt aan de hand van een opmerking van Kuitert. In zijn boek 'Mag alles wat kan?' zegt hij op p. 135: “De Nazi-ideologie verwerpen betekent nog niet: van het vraagstuk van levensbeeindiging van wilsonbekwame patienten verlost zijn”. Het woord 'verlossen' slaat hier niet op de patient, maar op derden. Naar mijn mening kan de vraag beter worden omgekeerd en wordt hij zuiverder aldus geformuleerd: “Hoe moeten en kunnen wij met onze lijdende medemensen omgaan zonder in enigerlei nationaal-socialistisch vaarwater terecht te komen?”. Voor het juist beantwoorden daarvan acht ik het een onmisbare voorwaarde dat het er in ieder geval om moet gaan naar vermogen de patienten van lijden te verlossen en dat wij niet over hen denken en spreken als een probleem dat moet worden opgelost of een vraagstuk waarvan wij moeten worden verlost.

De zaken blijken niet zo eenvoudig te liggen en er is enige bescheiden inkeer geboden voor men aan ons land internationaal een unieke pioniersfunctie toekent. De kwaliteit en de goede naam van ons recht en onze gezondheidszorg worden niet gediend door gebrek aan kennis van zaken. Het gaat om leven en dood van iedere burger. Het gaat om terughoudendheid en respect van de medicus tegenover onoplosbaar verdriet in het menselijk bestaan. De aard van de materie wordt te vaak grotelijks onderschat. De existentiele grens tussen doden en niet-doden is harder dan men denkt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden