Europees Hollywood zit in Brussel in de wachtkamer

Wie in Nederland een avondje naar de bioscoop gaat, ziet in negen van de tien gevallen een film uit de Verenigde Staten. Ook op televisie vormen Amerikaanse speelfilms, series en talkshows al sinds jaar en dag een serieuze concurrentie voor programma's van eigen bodem.

In andere Europese landen is de situatie niet anders. Zelfs cultuurdrager en filmproducent nummer één in Europa, Frankrijk, is bang voor 'het Amerikaanse gevaar'. Misschien was de grootste klap in het gezicht van de Fransen nog wel toen ze vorig jaar moesten toezien hoe de prestigieuze en groots opgezette Franse produktie 'Germinal', met in de hoofdrol niemand minder dan Gérard Dépardieu, het moest afleggen tegen het ordinaire 'Jurassic Park'. Het Franse publiek keek liever naar de plastic dinosaurussen van Steven Spielberg, dan naar het zwaarwichtige mijnwerkersdrama van Victor Hugo.

In de jaren zeventig en tachtig werd de term 'media-imperialisme' nog wel eens uit de kast gehaald als het ging om de Amerikaanse overheersing van de Europese markt. Tegenwoordig speelt de discussie zich op een wat zakelijker niveau af. Als Europa 'overstroomd' wordt door Amerikaanse films en - vaak tegen dumpprijzen geleverde - televisieseries, hoe kan het zich daar dan het beste tegen wapenen?

Zo'n vijf jaar geleden stelde de Europese Unie (toen nog Europese Gemeenschap) een richtlijn op voor de audio-visuele sector in Europa. Deze voorzag niet alleen in een betere samenwerking tussen de afzonderlijke Europese markten, maar stelde ook een aantal beperkende maatregelen in, waaronder de quota-regeling voor niet-Europese (lees: Amerikaanse) tv-produkties. Voortaan zou tenminste 51 procent van het Europese televisie-aanbod, waar mogelijk, van Europese makelij moeten zijn. In dat 'waar mogelijk' zat hem de kneep. Omroepen die om een of andere redenen geen mogelijkheid zagen om aan deze eis te voldoen, hadden een ontsnappingsmogelijkheid.

Zoals wel vaker in het Brusselse leidde de quota-regeling de afgelopen maanden tot veel haarkloverij. Hoewel de meeste omroepen in Europa de 51 procent met gemak halen (in Nederland ligt het aantal Europese programma's bij de publieke omroepen zelfs ver boven de 51 procent), zagen vooral de Fransen reden tot klagen. De cruciale zinsnede 'waar mogelijk' zou volgens hen uit de richtlijn moeten worden geschrapt. De meeste Europese landen, waaronder ook Nederland, zien daar niet veel heil in.

“Je kunt de mensen nu eenmaal niet dwingen naar Europese programma's te kijken als ze liever iets anders zien”, zegt Nol Rijnders van het ministerie van OCW. Jacques Santer, de huidige voorzitter van de Europese Commissie, noemde de quota-regeling 'kunstmatig' en ook onze eigen commissaris Hans van den Broek gaf te kennen dat hij, ondanks het feit dat de 51 procents-eis onlangs in de Nederlandse Mediawet is opgenomen, 'een liberale opstelling' prefereerde. Een strikte opvatting van de quota-regeling zou te veel tegen de haren in strijken van de grote Amerikaanse film- en televisieproducenten, die op hun beurt weer moeilijk zouden kunnen gaan doen bij de onderhandelingen over de handelsbetrekkingen tussen Europa en de Verenigde Staten.

Een ander wapen in de strijd tegen de Amerikanen is de versterking van de Europese media-industrie zelf. Niet alleen veel Europese beleidsmakers zijn daar voor, ook film-en televisiemakers roepen daar al jaren om. Vorige maand vormde een groep van grote Europese filmproducenten - waaronder Philipsdochter Polygram en het Duitse concern Bertelsmann - een lobby die zich sterk maakt voor een gunstiger fiscaal beleid voor de Europese film. Fiscale en financiële 'prikkels' doen meer voor het Europese filmklimaat dan een quota-regeling, vinden zij. De Europese commissaris voor cultuur en media, de Spanjaard Marcelino Oreja, maakte onlangs bekend een Europees investeringsfonds te willen opzetten waar producenten tegen gunstige tarieven risicovolle leningen kunnen afsluiten. Ook stelde hij voor het budget voor het al bestaande Media-programma te verdubbelen tot 850 miljoen gulden.

Het Media-programma werd vijf jaar geleden opgesteld om de Europese AV-industrie financieel te ondersteunen. Het behelst een groot aantal fondsen die de hele lijn van film- en televisieproduktie - van ontwikkeling tot en met produktie, distributie en vertoning - moet helpen ontwikkelen.

Maar het verhaal lijkt mooier dan het is. Sinds de oprichting is er met nogal wat scepsis tegen het Media-programma aangekeken. Producenten moeten zich eerst door een brij van ingewikkelde formulieren heenworstelen alvorens door te kunnen dringen tot de burelen van 'Media'. Bovendien werd het geld, vanwege de ambitieuze opzet, versnipperd over wel twintig verschillende potjes. Om politieke redenen moesten deze over 18 verschillende Europese steden worden verspreid. Voor de aanvragers leidt dit tot chaos.

Ingrid Lochem van Belbo Produkties: “Onze eerste kennismaking met 'Media' was een hele dikke map met papieren waar je minstens een maand op moest studeren. Om de aanvraag vervolgens rond te krijgen had je nog eens maanden nodig. Alles moest in drie verschillende talen worden ingediend. We zijn ermee gestopt. Voor een klein produktiebedrijf als het onze was het mijl op zeven.” Voor kleine producenten afkomstig uit 'kleine' Europese landen zouden de belangrijkste fondsen ontoegankelijk zijn. Kwade tongen beweren dan ook dat het meeste geld naar Frankrijk en Duitsland stroomt.

Inmiddels zou de situatie verbeterd zijn. Er komen drie hoofdfondsen voor training, ontwikkeling en distributie. Over de deelname van Nederland aan de Europese fondsen is Veroniek Schaafsma, van de Media-desk in Hilversum, niet ontevreden. Het afgelopen jaar zijn er 146 aanvragen ingediend. In totaal werd er voor zo'n 1,6 miljoen Ecu (3,4 miljoen gulden) toegekend, onder andere aan speelfilms als 'De Flat', de Nederland-Belgische coproduktie 'Het verdriet van België' en de Nederlands-Duits-Vlaamse coproduktie 'De Vliegende Hollander'. Belbo kreeg voor het jeugddrama 'De Legende van de Bokkenrijders' uiteindelijk op een budget van 6,5 miljoen ruim 8 ton van 'Media'.

Toch blijft het een hele klus om geld uit de Europese potten los te krijgen. Onlangs werd er een onderzoek verricht naar het functioneren van het Media-programma. Behalve dat het project te kampen heeft met de bekende Brusselse bureaucratie, kwamen daar vooral de schrikbarend hoge overheadkosten bij. Volgens het filmblad Skrien zou bij het EAVE-fonds, dat opleidingen voor Europese filmproducenten verzorgt, 59 procent van het budget, zo'n 2,6 miljoen gulden, hieraan opgaan.

Skrien: “De totale overhead van 'Media' werd in 1993 berekend op gemiddeld 22 procent. Dat houdt in, dat er van iedere miljoen gulden ruim twee ton niet wordt besteed aan de filmindustrie. In vijf jaar tijd gaat er 48,4 miljoen Ecu, ofwel ruim honderd miljoen gulden, op aan salarissen, kantoorhuur en andere onkosten die noodzakelijk zijn opdat media-ambtenaren zich optimaal kunnen inzetten voor de noodlijdende Europese filmindustrie.”

“Ik denk wel eens, als ik in Cannes weer zo'n jacht met champagne-drinkende mensen zie: als we al dat geld nou eens in de films zouden steken, dan was het probleem misschien opgelost”, zegt Loes Wormmeester, hoofd internationale produkties bij Bos Bros. Filmproductions in Naarden. Met de aanvraag van een Europese subsidie voor het project 'Abeltje' (gebaseerd op het gelijknamige boek van Annie M. G. Schmit) is Bos Bros. bijna een jaar bezig geweest.

“Uiteindelijk hadden we het geluk dat we precies in de profielschets pasten”, zegt een medewerker die zich bezighield met de fondsenwerving. De film, die zowel in de bioscoop zal komen als op tv, is een echt Europees project, vindt hij. Wat dat precies inhoudt is moeilijk uit te leggen. Zijn collega Wormmeester weet het beter: “'Abeltje' is een universeel verhaal van een jongetje op avontuur. Dat spreekt iedereen aan, ongeacht uit welk land je komt. Bovendien zitten er een hoop Europese aanknopingspunten in. De lift waarmee hij op reis gaat komt op een verschillende lokaties. De woestijn-scènes kunnen we in Spanje opnemen. Nieuw-Zeeland, waar zich ook een aantal scenes afspeelt, lijkt qua natuur erg op Engeland, en zo zijn er nog wel andere Europese lokaties te bedenken. Op die manier is het gemakkelijker om Europese partners te vinden.”

In veel gevallen is de deelname van meerdere Europese partners een voorwaarde om in aanmerking te komen voor een Europese subsidie. Die constructie leidt al onmiddelijk tot een probleem. Wormmeester: “Van onze Nederlandse subsidie-gevers moet de serie in de Nederlandse taal worden opgenomen, terwijl dat voor onze buitenlandse co-producenten juist een handicap is. In Nederland zijn we gewend aan ondertiteling, maar kom daar maar eens om in Frankrijk of Engeland. Die zijn dat niet gewend.”

Jos Stelling Produkties heeft ook net een grote Europese produktie achter de rug. 'De Vliegende Hollander', die in mei in première gaat, is een co-productie met België en Duitsland. Anton Kramer, uitvoerend producent van Jos Stelling: “In ons geval was het vrij logisch dat er in verschillende talen gesproken werd. Het verhaal speelt zich af tijdens de Tachtigjarige Oorlog en is voor een groot gedeelte in Vlaanderen gesitueerd. Daardoor hebben we veel met Belgische acteurs gewerkt. Ook wordt er wat Frans, Spaans en Italiaans gesproken. Je kunt niet zeggen dat het altijd even gemakkelijk is, maar als je een grote produktie op poten wilt zetten (de film kostte zo'n 10 miljoen gulden, red.), is co-produceren de enige manier. Als daar ook nog eens 1,6 miljoen uit Europese fondsen bij komt ben je natuurlijk heel erg blij. De praktische en logistieke problemen neem je dan op de koop toe.”

Of het Europese Hollywood er ooit zal komen? Loes Wormmeester vraagt het zich af. “Alleen als we allemaal Esperanto gaan spreken.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden