EUROPEAAN IN JAKARTA

G.J. Resink. Hoogleraar in ruste, essayist, dichter. Hij werd in 1911 in Indonesie geboren en heeft daar zijn hele leven gewoond. Hoewel hij een aantal artikelen in het Indonesisch op zijn naam heeft staan, publiceert hij voornamelijk in het Nederlands. In 'Indonesia's History Between the Myths' is een aantal van zijn essays in het Engels vertaald. Hij rekent zichzelf niet tot de IndischNederlandse literatuur. Aan de term tropenbelletrie geeft hij trouwens de voorkeur: "Daar kunnen dan ook de Antillen bij, en Suriname en de Kongo waar Vlamingen over hebben geschreven. Dan ben je meteen af van dat Nederlandskolonialistische aspect."

De Nederlandse taal

Zij is mij aangewaaid uit eenvreemd land

op eilanden in grootscheepseomgeving.

Soms keert zij weer in binnendijksverband,

maathoudend tussen zeebries enzeebeving.'

(Uit: 'Transcultureel', 1981)

Zoals zijn taal kom ik onaangekondigd bij hem aangewaaid. Han Resink woont in een tuinhuis in een oude villabuurt van Jakarta, aan de Jalan Sutan Sjahrir, een kade met sluisjes die een beetje Nederlands aandoet. Behalve dan dat er een satekraam bij Resink voor het hek staat, waar geanimeerd lachende en pratende klanten omheen zitten. Sutan Sjahrir was de eerste premier van de Indonesische Republiek. Met een brief aan diezelfde Sutan Sjahrir besluit de auteur Edgar du Perron zijn 'Indies memorandum', dat hij schreef naar aanleiding van zijn tweede (korte) verblijf in Indonesie van 1936-'39:

'Ik ben atavisties Fransman, qua opvoeding indiese jongen, door taal en sommige gewoonten Hollander. Op het ogenblik weer zo vereuropeest, dat er van de indiese jongen niet veel over is, zeggen sommigen (...)'

Onze gespreksopening over Du Perron die zich Europeeer voelde, zet Han Resink onmiddellijk op zijn praatstoel:

"Ik heb zo meegeleefd met Maastricht. Nederland zie ik vooral in Europa. Voor alles waren wij hier in de jaren dertig Europees."

Hij groeide op in Yogjakarta. Zijn vader, hoofdvertegenwoordiger bij een suikeronderneming, was evenals zijn moeder in Indonesie geboren. Zo ook twee grootmoeders, een grootvader en een overgrootvader, die als eerste een Javaans-Nederlands woordenboek heeft samengesteld. "Maar mijn naam is onvervalst Twents gebleven" , zegt Resink breed lachend. "Het culturele leven in Yogja was Europees georienteerd. In de Kunstkring kwamen nauwelijks Nederlandse artisten. Ik herinner me Vera Janacopoulos, de Griekse zangeres aan wie Jan Engelman een gedicht heeft gewijd. Arthur Rubinstein. Anna Pavlova. Ze was even in Yogja, op doorreis naar Australie en er werd toen inderhaast een strijkje opgetrommeld; ze wilde wel iets dansen; iedereen vond dat prachtig natuurlijk."

"Niet al die Europeanen hier kwamen uit Nederland. Je had Duitse houtvesters, Britse en Zwitserse administrateurs. En veel Fransen. Na de Napoleontische oorlogen kreeg je uit die hoek een geweldige instroom, neem die Franse 'adel', zo noemde mijn moeder al die dubbele Franse namen... Mijn vader was lid van de 'Engelse' vrijmetselarij. Mijn moeder was nogal Frans georienteerd. Let wel; je ging met Europees verlof in die tijd. Ik maakte in '22 een 'grand tour' met mijn ouders: Italie, de Cote d'Azur, Parijs, de spelen in Oberammergau. En natuurlijk Holland. Mijn ervaringen daar waren haast traumatisch; we kwamen op een namiddag aan in Den Haag... afschuwelijk. Druilerig, kil, grauw. Maar het Vredespaleis vond ik prachtig - Europees! - evenals de musea."

Tempo doeloe

Het is de trap, waar zij elkaarbegroeten;

de galerij, die hen in het tijdverdrijf

van etentjes en dansiedansie stijft

met Griekse zuilen, vol van heiligmoeten.

Het is het marmer aan hun warmevoeten;

de vruchtenbowl, wier reuk aan henbeklijft;

de stoelendans, waarin zij lijf aanlijf

elkaar in tuberozenbries ontmoeten.

En het is meer: de wellust op haarborsten

en in hun schaam, waarom de beolacht.

En het is minder, minder dan dekorsten

der voeten van de minsten derbedienden,

maar die in het aanvoelen hunnaaste vrienden

zijn, want zij masseren heerlijk - zozacht.

Resink schrijft eigenlijk nooit over tempo doeloe (behalve dan in dat ene ironische sonnet uit 'Kreeft en steenbok, 1963). Zijn gedichten gaan over Indonesie, over Bali, over vulkanen, tuinen en koraalriffen, en over gevoelens, ervaringen, gedachten die een mens overal kan hebben maar die onder invloed van de omgeving hun weg en hun vorm vinden.

"Ik heb nooit zo met tempo doeloe geleefd. Het huis waarin ik werd geboren bij voorbeeld, was in 1910 gebouwd. Een modern huis, met de galerij opzij en met ruimte voor de de hobby van mijn moeder: een collectie Hindoe-Javaanse kunst. Het was ontworpen door Cuypers, een leerling van Berlage die zelf ook een keer bij ons heeft gelogeerd. Hij moet bij die gelegenheid hebben uitgeroepen: 'Op dat oppervlak kan ik wel twee huizen neerzetten!"

"Op de middelbare school waren 90% van mijn klasgenoten Indonesiers. Ik heb altijd in die twee culturen geleefd: (Nederlands)-Europees en (Javaans)-Indonesisch. Mijn ouders zeiden altijd: dat 'indisch' of 'indo' heeft een bijsmaak; dus of Europees of Indonesisch. 's Middags aten we rijsttafel en 's avonds Nederlands. Ik zat op gamelan- en pianoles, maar krontjong mocht niet. Er werd op gelet dat mijn broers, mijn zusje en ik goed Nederlands of goed Javaans spraken, onder geen beding mochten we 'indisch' praten."

Resink behaalde in 1936 zijn graad aan de Rechtshogeschool in Batavia en was tot 1942 als jurist in overheidsdienst werkzaam. Toen werd hij door de Japanse bezetter geinterneerd. In 1947 werd hij benoemd tot Hoogleraar Indonesisch Staatsrecht aan de Nederlandse Universiteit van Indonesie. "Eerst was ik nog na de Tweede Wereldoorlog met recuperatieverlof in Nederland geweest. Ik had in een Japans kamp gezeten en later in een republikeins kamp. Omdat ze ineens bemerkten dat de liefde van de inlanders voor ons zo gering was, werden we in Schutzhaft genomen, in bescherming dus. In 1950 mocht je opteren voor Indonesisch staatsburgerschap. Dat moest je aanvragen bij de kantonrechter en voor 150 gulden was het rond. Nederland wilde zo min mogelijk Nederlanders terug hebben. Maar je ziet dat dit land blijft trekken. Het valt mij op dat er nogal wat Nederlanders hier hun pensioen komen opmaken."

Vanaf 1950 was hij hoogleraar aan de Universitas Indonesia. Nu in de vakken volkenrecht en intergentiel recht (betreft de rechtsverhoudingen tussen verschillende bevolkingsgroepen). Een tijdlang mocht Resink echter geen colleges geven. "Ik 'stonk' naar Nederland en naar progressieve gedachten en toen hebben ze me research-hoogleraar gemaakt. Die baan gaf me veel vrijheid en ik zat niemand in de weg. Ik had nog wel tijd gehad om een paar opvolgers op te leiden. Later kon ik wel weer colleges geven."

In 1976 werd hij gepensioneerd. En sindsdien kan hij zich geheel aan het schrijven wijden. Hij publiceerde onder meer in De Gids, De Nieuwe Stem, Forum der Letteren, Tirade, had al een aantal essays Multatuli op zijn naam staan en gewaardeerde bijdragen geleverd over Conrad: "een Pool, die zich later in Engeland vestigde nadat hij de hele wereld was afgereisd... ook een echte Europeaan." Hij kreeg tijd om zich verder te verdiepen in Debussy. "Zijn tonenstelsel heeft veel invloed ondergaan van gamelanmuziek. Toen ik een jaar of twaalf was hoorde ik op de Kunstkring in Yogja voor het eerst iets van Debussy, ik was erdoor gegrepen. De onderlinge verbanden en de invloeden die kunstenaars hebben ondergaan en op elkaar hebben, houden me altijd bezig. De verbanden tussen Debussy en Nijhoff, Debussy en Proust, Debussy en Walter Spies, de schilder die zich op Bali vestigde en Debussy en Conrad... ik denk dat ik zo'n tien essays over Debussy heb geschreven... En tussen Conrad en Multatuli kun je ook weer allerlei verbanden aanwijzen."

Ook het Javaans blijft hem trekken. "Dat mag weer. In 1990 is het eerste grote javanologische congres na veertig jaar gehouden. Een tijdlang 'bestond' alleen het Indonesisch."

Er is veel tijd over voor schrijven dus, en lezen. "En verder doe ik braaf mee aan het culturele leven hier. Het leek mij aardig toen er naar een naam werd gezocht voor het culturele centrum van de universiteit, om daar Erasmus voor te kiezen. Een Nederlander, maar de eerste echte Europeaan volgens Stefan Zweig. Er worden in het Erasmushuis wel eens interessante dingen georganiseerd. Er was een Nacht van de poezie en daar hadden ze ook Nederlanders en Belgen voor uitgenodigd. Maar hoe gaat dat hier: mensen eten wat en gaan dan naar huis om hooguit tien uur, die cultuur van natafelen en tot laat doorgaan kennen we hier niet. Helaas waren die Nederlanders en Vlamingen laat in het programma gezet dus er was niemand meer om te luisteren. Een echte Nacht van de poezie wou het maar niet worden..."

Al enige tijd geleden heeft Resink besloten niet meer naar Europa te gaan en ook in Indonesie reist hij niet meer zoveel. Sinds een goed vriend van hem op Bali is gestorven komt hij daar ook niet meer, terwijl dit eiland hem bijzonder aanspreekt om de "erotiek, het temperament van de Balische cultuur" en het hem tot prachtige gedichten heeft genspireerd. In 1973 was Resink voor de laatste keer in Nederland: "Wat heb ik er te zoeken?"

Enthousiast gaat Resink in op ons verzoek of hij met ons de Multatuliroute wil doen, ooit opgezet ter gelegenheid van een bezoek van Garmt Stuiveling. "Het was natuurlijk een leuk idee om met deze Multatuli-specialist een route langs de gebouwen te doen die Douwes Dekker met eigen ogen gezien moet hebben. Later kwam Wim Beeren en die vond het eigenlijk zonde als ik de modernere architectuur er niet bij nam: er is nog bijna een eeuw Nederlandse en Europese architectuur bij gekomen."

De tocht per auto brengt ons in zes uur langs huizen, paleizen en kerken waar wij geen weet van hadden. De prachtige Portugese Buitenkerk (1695) bij de Jassenbrug waren we vast niet gaan bekijken. En van de enorme zuilen van het nationale museum, zouden we hebben gedacht dat ze in navolging van een of andere Franse neoclassicist waren ontworpen, maar het blijkt onder invloed van een Duitser te zijn gebeurd: Carl Friedrich Schinkel (17811841). In het wajang-museum worden we meegetroond naar een pop met een enorme neus en een bleek gezicht: Jan Pieterszn Coen. Het voormalige stadhuis is in 1710 onder Van Riebeeck afgebouwd. Het staat er prachtig bij.

Het terras van cafe Betawi met grote palmen en rotan stoelen is een verademing. "Die meubels uit het museum passen beter hier" , zegt Resink als we later in het oude Arsip Nasional rondlopen. Het is Een prachtig gebouw met een schitterende voorgevel, waarin de fraaie opengewerkte bovenlichten opvallen: een doelmatig ventilatiesysteem.

"Kijk, daar in die kamer heeft Du Perron nog zitten werken aan 'De man van Lebak'." En we zien hem zitten...

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden