Europeaan in hart en nieren

’Nooit meer oorlog’ bleef voor hem de centrale gedachte achter Europa. De rest van de wereld zou er ook baat bij hebben, vond hij.

In de Tweede Wereldoorlog opgesloten en vernederd als zoon van een joodse vader, ná de oorlog een van de eersten die de banden met Duitsland weer wilden aanhalen – Max Kohnstamm belichaamde de gedachte achter de Europese eenwording, en hielp deze als diplomaat te realiseren.

Tot op zeer hoge leeftijd stal hij onmiddellijk de harten in de zaal, steeds als hij onvermoeibaar en vrolijk het spreekgestoelte beklom om te spreken over zijn passie: internationale eenwording. Want hij staat bekend als een van de grondleggers van de Europese Unie, hoewel hij dat zelf te veel eer vond. Het principe erachter vond hij een echte ’wereldgedachte’, waarmee je overal vrede kunt stichten. „Als landen duurzame verbindingen met elkaar smeden die hun nationale belangen overstijgen, voeren ze geen oorlog meer.”

Nooit meer oorlog, nooit meer honger. Men zou het bij de zo verguisde EU bijna vergeten, maar dat was de basis waarop de Europese eenwording is gestoeld. Kohnstamm liet geen gelegenheid onbenut om mensen vriendelijk doch stellig onder hun neus te wrijven dat het in de eerste helft van de vorige eeuw allerminst vanzelfsprekend was dat Europese landen hun ruzies langs diplomatieke weg oplosten. Voor hem zou dat ook nooit vanzelfsprekend worden. Oorlogen voorkomen vergt voortdurend smeden van banden tussen landen, zodat ze veelzijdig en duurzaam van elkaar afhankelijk worden en het onaantrekkelijk wordt elkaar aan te vallen.

Het was een gedachte die hij niet in Europa, maar in de Verenigde Staten opdeed. In 1938 en 1939 maakte hij als geschiedenisstudent een reis door dat land, gestimuleerd door zijn vader. Aanvankelijk was zijn vader een afstandelijke man met een brede interesse, van fysica, filosofie en theologie tot pedagogiek die zich vaak opsloot in zijn studeerkamer. Maar nadat het gezin van Amsterdam naar Ermelo was verhuisd en de vier oudsten van de zes kinderen uit huis waren, kwam hij dicht bij zijn ouders te staan. Ze lieten hem veel ruimte om zich te ontwikkelen en zijn vrienden waren altijd welkom .

„Ik reisde als Nederlander naar Amerika, maar kwam terug als Europeaan”, vertelde hij over zijn reis. Terwijl Europa economisch aan de grond raakte en het nationaal-socialisme opkwam, las hij in de VS een boek van de journalist Clarence K. Streit, die betoogde dat alleen een federale oplossing de nazi’s kon keren, zowel in de VS als in Europa. Het maakte op Kohnstamm diepe indruk, en hij was woedend op regeringsleiders als de Nederlander Colijn die de dreiging nuanceerden, terwijl de Amerikaanse president Roosevelt uit alle macht probeerde zijn land wakker te schudden.

Elk Europees land was met zichzelf bezig, Hitler werd niet tegengehouden, en Kohnstamm zelf plukte daar de zure vruchten van. Als lid van een Joodse familie zat hij in de oorlog drie maanden als strafgijzelaar in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, om van daaruit eerst in Haaren en toen in St. Michielsgestel te worden opgesloten.

Veel later, in zijn mooie tot woonhuis omgebouwde boerderij in de heuvels van Wallonië, vertelde hij dat hij op last van de Duitsers eens een lijk moest verslepen, maar zo’n honger had dat hij zich ondertussen zorgen maakte over een stuk brood dat hij had laten liggen en dat wel eens gestolen kon zijn als hij terugkwam. Twee zussen van zijn vader werden in Auschwitz vermoord.

Kohnstamm verloor er zijn geloof in God mee, of liever gezegd: God werd voor hem ’irrelevant’, want ondergeschikt aan de manier waarop de mensen zelf met elkaar omgaan. Ze moeten met elkaar een gemeenschap aangaan, was Kohnstamms overtuiging, en dat had consequenties die aanvankelijk de individuele vrijheid beperkten, omdat mensen elkaar een plaats moeten gunnen.

Direct na de oorlog leefde iedereen in het hier en nu, er was geen tijd voor vergezichten over verzoening en samenwerking. Maar in 1946 organiseerde Kohnstamm al een eerste bijeenkomst met Duitsers in Nederland, en in 1947, na het aftreden van koningin Wilhelmina van wie hij de particulier secretaris was, werd hij assistent van regeringscommissaris Hirschfeld die Nederland vertegenwoordigde in het Marshallplan.

Hij zat ook in het Ruhr-orgaan, dat toezag op de uitvoer van Duitse kolen en het laag houden van de staalproductie. „We realiseerden ons dat we Nederland niet konden opbouwen als het achter de Duitse grens een woestijn zou blijven”, vertelde hij over het dilemma dat Duitsland enerzijds moest worden beteugeld en er anderzijds economisch weer bovenop moest komen. „De Koude Oorlog drong zich op, en die zou niet zijn te weerstaan zonder een Duitsland met teruggewonnen welvaart en enig zelfvertrouwen.”

Ook persoonlijk bleek hij niet goed te kunnen haten. „Vergeving? Wie moet ik vergeven. De Eichmannen? Ik weet het niet. Ik ben in 1946 al naar Duitsland gegaan en ik kan u zeggen dat het gevoel van persoonlijke schuld van iedere Duitser niet lang standhoudt als je de kinderen uit de puinhopen ziet kruipen. Ik besloot geen zoutpilaar te worden; ik keek naar de toekomst.”

Kohnstamm begreep dat Europese samenwerking dé essentie was van het Marshallplan, maar voor hem kwam de doorbraak op 9 mei 1950, toen de Franse politicus Robert Schuman, zich baserend op het gedachtegoed van Jean Monnet, voorstelde om duurzame internationale economische verbintenissen aan te gaan. Kohnstamm noemde dat ’het maken van structuren voor blijvende vrede’ en die gedachte zou hem altijd blijven ontroeren. „Het was een visie die zich niet beperkte tot het vrije verkeer van personen en goederen”, zei hij. „Grenzen hebben het gevaar dat ze staten en volkeren van elkaar scheiden. Daarom moet je nationale belangen laten overkoepelen door een institutioneel algemeen belang.”

Die institutie, dat werd eerst de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, waarvan hij secretaris was van de Hoge Autoriteit, en later de Europese Unie. Kohnstamm ging als diplomaat bij Monnet aan de slag. Ze spraken nauwelijks met elkaar over de ideële achtergronden, maar waren juist heel praktisch bezig. Kohnstamm reisde geregeld naar Bonn om te overleggen met Duitse politici en vakbonden, waarbij het zaak was om de Duitsers als gelijkwaardige gesprekspartner te behandelen, iets wat toen lang niet iedereen kon opbrengen. Maar ook Nederland betrekken in het eenwordingsproces was een lastige klus. De Nederlanders keken naar de zee; Duitsland, Frankrijk en Italië lagen om allerlei redenen slecht in Den Haag.

Maar de Unie kwam tot stand en hoe groots het project ook was, de vrede werd maar al te gauw als vanzelfsprekend beschouwd. „We zijn nu allemaal ontzet over het terrorisme”, zei Kohnstamm, „maar het is moeilijk om de concentratiekampen te begrijpen voor wie ze niet heeft beleefd. We moeten ons blijven beseffen dat onze huidige gemeenschap mede berust op miljoenen doden van twee wereldoorlogen.”

Kohnstamm ondervond dat Europa voortdurend aan zijn eigen geschiedenis moet worden herinnerd, dat de Unie voortdurend het risico loopt om te stagneren. Dat maakte hem overigens geen voorstander van om het even welke vorm van Europese samenwerking. Voor hem hoefde er geen Europese cao te komen, of gelijke pensioenen. Maar zijn er eenmaal regels vastgesteld, dan moeten landen zich daaraan houden.

Elkaar een plaats gunnen, daar ging het Kohnstamm om. Hij trok dat door naar het leven van alledag. Een vloek kon hij best verdragen, maar ’elkaar kwetsen voor de aardigheid’ ging er bij hem niet in. Hij hield van goede manieren. Zo zoende koningin Beatrix hem toen hij de Freedom Award kreeg, maar hield hij de aanhef in zijn brieven aan haar op ’Majesteit, lieve mevrouw’. „Ik zou niet anders kunnen.”

Blijmoedig, optimistisch, de blik naar de toekomst. Het kon niemand ontgaan die hem bezocht in die mooie boerderij waar hij woonde met zijn vrouw in het zachtglooiende Wallonië. Hij trouwde met haar tijdens de oorlog in het geniep, op een moment dat hij even uit het kamp mocht, en zou zijn hele verder leven intens genieten van zijn gezin, de ’heerlijke’ huizen waar ze woonden en de natuur. Met alleen die ene angstaanjagende gedachte: dat een van hen eens zou moeten achterblijven. „Als mijn vrouw zou wegvallen en ik niet meer in staat zou zijn nog iets te doen, wil ik zelf een einde aan mijn leven kunnen maken.”

Zo ver hoefde het niet te komen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden