Eugenetisch denken in Nederland geen randverschijnsel

In het artikel met de geruststellende kop 'Hier geen sterilisaties. Eugenetica kreeg in Nederland geen voet aan de grond' (Trouw 27 augustus) stelt historicus Jan Noordman dat er in Nederland geen enkele eugenetische maatregel is ingevoerd. Dit strookte niet met de politieke moraal van de confessionelen die hier aan de macht waren. Zodoende beschouwt hij de eugenetische beweging in Nederland als een 'irrelevant cultuurfenomeen en randverschijnsel'. De betrokken wetenschappers waren in zijn ogen 'oprecht bezorgd', hadden geen 'racistische overwegingen' en moesten 'niets hebben van het anti-semitisme'. Ik denk dat dit beeld enige correctie behoeft.

In vergelijking met andere landen was de eugenetische beweging in Nederland inderdaad niet erg groot. Toch moet de invloed ervan niet worden onderschat. De kern ervan bestond uit een kleine, maar zeer actieve groep van wetenschappers, artsen en andere intellectuelen die behoorlijk aan de weg timmerden, onder andere binnen de (geestelijke) gezondheidszorg, het onderwijs en het maatschappelijk werk. Vrijwel alle politieke richtingen waren in de eugenetische beweging vertegenwoordigd.

De meningen waren verdeeld over de mogelijkheden en effecten van de voorgestelde maatregelen. Men onderscheidde in dit verband 'positieve' (de voortplanting bevorderende) en 'negatieve' (de voortplanting verhinderende) eugenetica. Maar over de uitgangspunten bestond in brede kring grote overeenstemming: de 'nuttige lagen' van de bevolking moesten een groter aandeel hebben aan de toekomstige generatie dan de overige 'lagen'.

Sterilisatie vormde 'slechts' een van de mogelijkheden om de zo gevreesde 'ondermijning van de volkskracht' tegen te gaan. In tegenstelling tot landen als Denemarken, Zweden, Duitsland en de VS bleek een gedwongen sterilisatiewetgeving in Nederland niet haalbaar. De confessionelen hebben wat dit betreft inderdaad een stevige vinger in de pap gehad. Zij moesten niets hebben van maatregelen die rechtstreeks zouden ingrijpen in de voortplantingsfuncties en waren voor een 'natuurlijke ontplooiing' van het gezinsleven. Dit betekent echter niet dat zij ook tegenstander waren van de positieve eugenetiek: het stimuleren van de voortplanting van de meest 'volwaardigen'.

Kinderbijslag

Dit blijkt onder meer uit de gang van zaken bij de invoering van de kinderbijslag, waarvoor in 1938 door de katholieke minister Romme een wetsontwerp werd ingediend. In dit voorstel ging de kinderbijslag in bij het derde kind en varieerde het bedrag van 10 cent per kind per dag voor degenen met de laagste lonen tot 35 cent per dag voor de hoogste inkomensgroepen. 'Onechte' en pleegkinderen werden van de regeling uitgesloten, evenals de kinderen van werklozen, kleine zelfstandigen en gehuwde arbeidsters.

Het voorstel ging de Eugenetische Federatie nog lang niet ver genoeg: aan de kinderen uit de arbeidersklasse, waar zich het hoogste aantal 'zwakzinnigen, idioten, alcoholisten en andere erfelijk belasten' zou bevinden, wilde de overheid maar liefst tien cent per dag uitgeven! Romme antwoordde dat de kinderbijslag niet bedoeld was om de progenituur te bevorderen. Maar tijdens de Kamerdebatten over het wetsontwerp voegde hij daaraan toe dat de Eugenetische Federatie volgens hem te weinig onderscheid maakte tussen 'dat deel van de (laagste) klasse dat remloos voortbrengt en de rest van die klasse.'

In reactie op een amendement van de liberalen, die uit oogpunt van bezuinigingen aan hogere inkomens geen kinderbijslag wilden verstrekken, stelde Romme's partijgenoot E. G. M. Roolvink dat dit nu juist 'dysgenetisch' zou werken. Er zou een belemmering blijven bestaan bij de 'hoogere kringen' voor de gezinsvorming. Ook volgens RKSP-kamerlid C. J. Kuiper waren er in deze milieus meer 'begaafden'.

Hoewel katholieken als Romme zich distantieerden van het eisenpakket van de eugenetische beweging, waren ze wel verantwoordelijk voor wetgeving met een (positief) eugenetische strekking. De r.-k. kerk heeft zich nooit principieel verzet tegen de eugenetica. In de encycliek Casti Connubii (1930) waarschuwde de paus weliswaar tegen wat hij overdreven eugenetici noemde, maar sprak hij zich ook uit over negatieve eugenetiek: 'Het gaat dan ook volstrekt niet aan, menschen die overigens voor het huwelijk geschikt zijn, maar van wie men, ondanks alle mogelijke zorg, vermoedelijk slechts gebrekkige kinderen kan verwachten, om die reden van zware zonden te beschuldigen als zij een huwelijk aangaan. Wel moet hen menigmaal het huwelijk ontraden worden.'

Erfelijkheidsdenken

Wat opvalt bij alle maatschappelijke debatten die de eerste helft van deze eeuw zijn gevoerd over (de verdeling van) werk, inkomens, gezondheid en welzijn, is dat het erfelijkheidsdenken en het bijbehorende onderscheid in 'volwaardige' en 'onvolwaardige' burgers daarin een steeds weer terugkerende, essentiële factor was. De eugenetische beweging leverde daaraan een belangrijke bijdrage door met (verwijzingen naar) wetenschappelijk onderzoek dit gedachtegoed te legitimeren.

Rassenonderzoek was in dit verband een 'must'. Een (onder eugenetici) uiterst populaire rassentheoreticus was prof. L. Bolk, destijds rector magnificus van de Amsterdamse Gemeente-universiteit. Analoog aan een grootscheeps onderzoek door Virchow in Duitsland onderzocht hij de oog- en haarkleur en de schedelvorm van de Nederlandse bevolking. In samenwerking met leerkrachten in het hele land (!) verzamelde hij gegevens over bijna een half miljoen kinderen. Joodse kinderen werden in het onderzoek streng gescheiden van de andere kinderen, zodat joden niet zouden meetellen in de 'rasconstructie van de Nederlandsche bevolking'. Bolk verzamelde ook gegevens van 4600 volwassenen. Op basis daarvan stelde hij een 'rassenindeling' van de niet-joodse Nederlandse bevolking samen.

Naarmate de jodenvervolgingen in Duitsland toenamen (vooral na 1933) haastte een aantal eugenetici zich om zich daartegen uit te spreken. Dit wil evenwel niet zeggen dat zij geen anti-semieten waren: ze gingen uit van het bestaan van een 'jodenvraagstuk'. De protestantse arts en latere sociaal-democraat P. J. Waardenburg (dezelfde die volgens Noordman zo 'oprecht bezorgd' was) noemde joden een 'vreemd element', waartegen volgens hem 'de Nederlanders wel waren opgewassen'. Aan hun 'concurrentiebehoefte', met name op sociaal-economisch terrein, moest echter wel paal en perk worden gesteld.

Sommigen konden zelfs wel waardering opbrengen voor wat zich in Duitsland afspeelde. Zo stelde de arts F. Schrijver dat hij het anti-semitisme betreurde, maar het tegengaan van 'raskruisingen' achtte hij volkomen verantwoord. Over de gedwongen sterilisaties in Duitsland schreef hij: 'Het juiste begrip van de beteekenis van deeze ingreep en van haar gevolgen heeft nog niet in de opvattingen, vooral van de plattelanders, kunnen postvatten, en vaak lopen dan ook de boeren met hooivorken en dorschvlegels te hoop, wanneer de Schupo's iemand voor het uitvoeren der operatie komen weghalen. Op den duur zal hierin wel verandering komen. De menschheid heeft immers al zoo talrijke inperkingen van haar persoonlijke vrijheid leren verdragen.'

Het mag dan misschien zo zijn dat er in Nederland geen artsen te vinden waren die tijdens de Duitse bezetting het sterilisatiemes ter hand wilden nemen, de mentaliteit van een groot aantal van hen getuigt in elk geval niet van enig verzet op inhoudelijke gronden.

Daarnaast moet gesteld worden dat het racistische erfelijkheidsdenken waarop de eugenetica was gebaseerd, in Nederland wijd verbreid was en niet beschouwd kan worden als 'irrelevant cultuurfenomeen' of 'randverschijnsel'. De brede overeenstemming tussen vrijwel alle politieke stromingen (inclusief de confessionele) over de noodzaak om het aantal 'minderwaardigen' - 'dat deel dat remloos voortbrengt' - terug te dringen, hetgeen werd uitgedrukt in diverse maatregelen waaronder de kinderbijslag, geeft nog steeds te denken. Ik vind dan ook niet dat we opgelucht kunnen ademhalen, omdat Nederland in een historische vergelijking met bijvoorbeeld Zweden er zo goed vanaf lijkt te komen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden