EU-geld inzetten voor Nederlandse landschap

Het streven het Nederlandse landschap over te laten aan de markt lukt niet. De overheid moet EU-geld voor landbouw inzetten voor de landschappen.

Sjaak HoogendoornJoke Stoop en Paul Terwan voorzitterdirecteur en adviseur van de Vereniging voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer WaterLand & Dijken en werkzaam in het Nationaal Landschap Laag Holland

Iedereen wil dat de bijzondere Nederlandse landschappen zoals de open veenweidegebieden met hun Middeleeuwse verkaveling en de besloten kleinschalige zandgebieden met heggen en houtwallen behouden blijven, maar dat kost veel geld. Er zijn jaarlijks enkele honderden miljoenen extra nodig om al dat fraais te behouden, gemiddeld een paar honderd euro per hectare.

Deze kosten zijn niet verdisconteerd in de productprijzen, en daar is bij consumenten ook weinig draagvlak voor. Het kabinet zegt in de Agenda Landschap: het landschap is van ons allemaal en dus wordt van iedereen een bijdrage verwacht. Daarbij mikt het vooral op marktwerking. Er zijn hoge verwachtingen van het verzilveren van landschap via het spoor van belanghebbenden zoals toeristen, bedrijfsleven en projectontwikkelaars. Probleem is: er wordt al twintig jaar gesproken over private financiering van natuur en landschap, maar de resultaten zijn beperkt.

De taskforce van Rinnooy Kan, die onlangs op verzoek van het kabinet adviseerde over de financiering van het Nederlandse landschap, noemt het omvormen van landbouwsteun naar een systeem van landschapspremies, maar werkt het verder niet uit. Er gaat in Nederland een klein miljard per jaar aan EU-geld naar de landbouw. Deze steun is inmiddels ontkoppeld van de feitelijke productie, maar nog steeds gebaseerd op de productie in het verleden. Daardoor ontvangt een veehouder in Flevoland per hectare ruim tweemaal zoveel steun als zijn collega in Laag Holland, terwijl de laatste veel hogere kosten maakt om het landschap te ’produceren’. Dat moet anders.

Waardevolle cultuurlandschappen moeten hun landschappelijke kwaliteiten kunnen ombuigen van een achterstand in een voorsprong. En wel door de landbouwsteun te koppelen aan landschap en niet aan historische productie. Voor de samenleving is dat goed omdat bijna iedereen het landschap een warm hart toedraagt, voor de boer omdat landschap een ’lichaamseigen’ onderdeel van de bedrijfsvoering is.

Voor de overheid is investeren in landschap ook aantrekkelijk: via het landschap kan de Nederlandse overheid een deel van zijn EU-bijdrage terugverdienen! Helemaal geen gekke investering in deze barre tijden.

De andere verdeling van het geld over Nederland zal voor de boer hier en daar pijn doen. Maar het is de enige manier om het budget overeind te houden. De hoogte van de landschapspremie zou kunnen worden gedifferentieerd op basis van de maatschappelijke waardering van landschappen (bijvoorbeeld omdat ze als waardevol zijn aangewezen) en de hoogte van de ’productiekosten’ van die landschappen.

Nederland kan al in 2010 een eerste stap zetten naar een eerlijker beloning voor cultuurlandschappen: dan mag van Brussel 10 procent van de landbouwgelden worden besteed aan andere doelen. Hoewel ministerie en parlement aarzelen, is het raadzaam om nu al te kiezen voor nieuwe doelen. Die 10 procent zou bijvoorbeeld met voorrang kunnen worden ingezet in erkende Nationale Landschappen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden