Etnische subsidies belemmeren integratie

Projecten die alleen voor allochtonen zijn bedoeld? Schrappen zei minister Nawijn van Integratie deze week. Hoon was zijn deel. Maar Nawijn krijgt ook steun. Socioloog Ruud Koopmans heeft felle kritiek op het tot dusver gevoerde beleid dat de eigen cultuur van migranten juist bevorderde. Dat heeft geleid tot 'een zeer sterke segregatie langs etnische scheidslijnen'. Bovendien zijn schooluitval, werkloosheid en criminaliteit van Nederlandse allochtonen veel hoger dan van Duitse allochtonen, terwijl Duitsland helemaal geen allochtonenbeleid had.

In het Europese buitenland prijzen Nederlandse wetenschappers, politici en beleidsmakers het hier te lande gevoerde immigratie- en integratiebeleid graag als lichtend voorbeeld aan. Voor binnenlandse consumptie wil nog wel eens een kritisch publiek debat gevoerd worden, maar bij alle meningsverschillen lijkt men het er toch over eens dat wij de zaakjes in elk geval beter voor elkaar hebben dan het buitenland, waar gettovorming, etnisch geweld en vreemdelingenhaat welig tieren.

Dat onze oosterburen de Duitsers in dit opzicht bijzonder veel van ons kunnen leren behoeft daarbij natuurlijk geen betoog en spoort aan tot naoorlogse verzetsdaden zoals de massale 'ik ben woedend'-handtekeningenactie naar aanleiding van de brandstichting door rechtsextremisten in Solingen in 1993. In het vorig jaar verschenen rapport van de door de Duitse regering ingestelde Zuwanderungskommission (Immigratiedienst) wordt het Nederlandse minderhedenbeleid evenzeer als na te volgen voorbeeld aangehaald. Maar is het Nederlandse beleid wel zo navolgenswaardig?

Op het eerste gezicht lijkt Nederland het in vergelijking met Duitsland en andere Europese landen inderdaad voorbeeldig te doen. Nederlandse minderhedenorganisaties wekken de jaloezie op van hun buitenlandse tegenhangers vanwege de forse budgetten en ruimhartige toegang tot beleidsmakers die zij op grond van het Nederlandse subsidie-en adviesorganenbeleid genieten. Inderdaad, opstootjes zoals die in de Amsterdamse Baarsjes stellen niets voor vergeleken bij rassenrellen in Frankrijk of Engeland, en in Nederland zijn zowel noemenswaardige electorale successen van extreem-rechts, zoals in België, als grootscheeps racistisch geweld, zoals in Duitsland, achterwege gebleven.

Maar als we kijken naar de concrete materiële situatie van migranten in Nederland, dan ziet de werkelijkheid er heel wat minder voorbeeldig uit dan we de buitenwacht willen doen geloven. In Duitsland is het werkloosheidspercentage onder migranten bijna twee keer zo hoog als het nationaal gemiddelde en ongeveer even hoog als onder de Oostduitsers. In Nederland is de werkloosheid onder allochtonen al sinds jaar en dag vier keer zo hoog als onder autochtone Nederlanders. Weliswaar ligt door de jarenlange economische boom in Nederland en de diepe crisis van de Duitse economie het absolute werkloosheidspercentage van allochtonen nu onder dat in Duitsland, maar het relatieve verschil met de autochtone Nederlanders is niet afgenomen. Het is dan ook ten zeerste de vraag of van deze gunstige ontwikkeling iets zal overblijven wanneer het economisch niet meer zo voor de wind gaat. Bovendien zouden de cijfers nog negatiever voor Nederland uitvallen als we niet alleen werkloosheid, maar ook arbeidsongeschiktheid - die deels als verborgen werkloosheid gezien kan worden - in de vergelijking zouden betrekken.

Een ander voorbeeld uit de sociaal-economische sfeer: In Duitsland was in 1997 23 procent van de bijstandsontvangers buitenlander. Wie dat veel vindt, moet maar eens naar Nederland kijken: In 1998 was 47 procent van alle bijstandsontvangers allochtoon. Onder de niet-westerse allochtonen was maar liefst 20 procent van de bijstand afhankelijk, tien keer zo veel als onder autochtone Nederlanders.

In het onderwijs ziet het er niet veel anders uit. In 1998 verliet 19 procent van de buitenlandse scholieren in Duitsland het onderwijssysteem zonder diploma, in vergelijking met 8 procent van de Duitsers. Onder de autochtone Nederlanders was dit eveneens 8 procent. Van de Turkse jongeren in Nederland verliet echter maar liefst 35 procent en van de Marokkanen 39 procent de school zonder diploma op zak.

In Duitsland klaagt men steen en been over het feit dat in sommige scholen in de Berlijnse wijk Kreuzberg meer dan de helft van de scholieren van buitenlandse afkomst is. In Nederland zijn 'zwarte' scholen die soms vrijwel uitsluitend uit allochtone kinderen bestaan allang geen uitzondering meer. Hiermee samenhangend moet ook de etnische segregatie op wijkniveau worden genoemd. Ook daar geldt in Duitsland Kreuzberg, ook wel Klein Istanboel genoemd, als prominent voorbeeld: 33 procent van de bevolking had aldaar in 2000 een buitenlandse nationaliteit. Dat mag men in Duitsland veel vinden, het is niets vergeleken met wijken als Amsterdam Zuid-Oost (67 procent allochtonen) of Rotterdam Delfshaven (69 procent).

Tenslotte dient een heikel thema aangesneden te worden, namelijk de criminaliteit. Zowel in Nederland als in Duitsland begaan etnische minderheden duidelijk vaker delicten dan op grond van hun aandeel in de bevolking te verwachten zou zijn. Aan die vergelijking kleven vele haken en ogen. Zo kunnen sommige delicten alleen door buitenlanders gepleegd worden (namelijk die welke samenhangen met de Vreemdelingenwet) en kan de criminaliteitsbelasting van minderheden deels door hun lage sociaal-economische status en jonge leeftijdsopbouw verklaard worden. Bovendien bestaan er aanmerkelijke verschillen tussen etnische groepen. Deze factoren mogen de vergelijking tussen autochtonen en allochtonen vertroebelen, ze spelen geen rol van betekenis bij de vergelijking tussen Nederland en Duitsland. En daar is het verschil wederom dramatisch: In Duitsland had in 1997 27 procent van de gevangenispopulatie een niet-Duitse nationaliteit; in Nederland was in 1998 maar liefs 53 procent van de gevangenen buiten Nederland geboren. Dit laatste cijfer is waarschijnlijk nog een flinke onderschatting omdat in Nederland geboren allochtonen, onder wie de criminaliteitsbelasting het hoogst is, er niet in verdisconteerd zijn.

Voordat we nu gaan denken dat het probleem slechts bij de minderheden ligt: de autochtone Nederlanders zijn als het erop aankomt ook niet zo tolerant en open voor andere culturen als ze van zichzelf denken. Dat blijkt al uit het probleem van de zwarte scholen, die niet ontstaan omdat allochtonen graag willen dat hun kinderen op scholen met andere alloch-tonen zitten - integendeel - maar omdat autochtone ouders hun kinderen liever een stukje verder (en/of duurder) naar een witte school sturen. Multiculturalisme is leuk en aardig, maar je wilt het beste voor je kind, toch? Of wat te denken van het in opdracht van de International Labour Organisation uitgevoerde experimentele onderzoek naar discriminatie op de arbeidsmarkt? Daaruit bleek dat er in Nederland flink gediscrimineerd wordt bij sollicitaties - niet openlijk natuurlijk, maar wel effectief - terwijl dit in Duitsland veel minder het geval was. Het is vaker gezegd maar verdient herhaling: de Nederlandse tolerantie is een dun laagje vernis waaronder vaak onverschilligheid en soms racisme schuil gaat.

Al deze cijfers duiden op een zeer sterke segregatie langs etnische scheidslijnen in Nederland, en dan niet van het vriendelijke soort van living apart together, maar van het soort dat uiterst negatieve consequenties heeft voor zowel migranten als de autochtone bevolking.

De vergelijking met Duitsland is extra pijnlijk omdat we hier met een land van doen hebben dat geenszins als een voorbeeld van vooruitstrevendheid op het gebied van integratie geldt. Integendeel, tot voor een paar jaar kon van een Duits integratiebeleid überhaupt niet gesproken worden. Dat verwijt kan de Nederlandse overheid niet gemaakt worden: zij heeft sinds het begin van de jaren tachtig een actief integratiebeleid gevoerd. De vergelijking met Duitsland laat echter maar één conclusie toe: het Nederlandse beleid heeft op dramatische wijze gefaald; het lijkt er zelfs op dat we met helemaal geen beleid beter af waren geweest dan met het gevoerde.

Dat politici en beleidsmakers veelal niet verder kijken dan hun Nederlandse neus lang is, is tot op zekere hoogte nog begrijpelijk, vooral omdat het Nederlandse 'model' ook door de minderhedenvertegenwoordigers in het overlegcircuit veelal als internationaal voorbeeldig gezien wordt. Geen wonder, als je bedenkt dat deze etnische elite middels gesubsidieerde overlegclubs en van overheidsopdrachten levende expertisebureaus en onderzoeksinstituten de enige doelgroep is die met zekerheid wél van het Nederlandse minderhedenbeleid profiteert.

Van een sociaal-wetenschappelijke analyse van het Nederlandse immigratie-en integratiebeleid mag echter verwacht worden dat zij de Nederlandse situatie in een internationaal perspectief plaatst en de kritische vinger op de zere plekken van het Nederlandse beleid legt. Uit dit oogpunt is het vorig jaar verschenen WRR-rapport 'Nederland als immigratiesamenleving' teleurstellend, ook in vergelijking met zijn voorganger uit 1989 ('Allochtonenbeleid'), waarin de vergelijking met andere landen wél een belangrijke rol speelde en conclusies getrokken werden die zich duidelijk profileerden ten opzichte van het tot dan toe gevoerde beleid. Over de hierboven vermelde vergelijkende statistische gegevens (die men eenvoudig uit een paar statistische jaarboeken en van ministeriële internetsites kan halen) wordt in het jongste WRR-rapport met geen woord gerept; residentiële segregatie en criminaliteit krijgen weinig aandacht, zelfs niet vanuit een louter Nederlands perspectief. Geen wonder dan ook dat het rapport ongestraft een tamelijk zonnig beeld van de Nederlandse immigratiesamenleving kan schetsen. Het gaat allemaal de goede kant op, al kan het natuurlijk altijd beter - dat is zo ongeveer de teneur.

Nederland is nog altijd een extreme vertegenwoordiger van een 'multiculturele' visie op integratie, waarin migranten eenvoudig toegang krijgen tot formele sociale en politieke rechten, en tegelijkertijd de eigen culturele identiteit van migranten van staatswege gefaciliteerd wordt. Op grond van de verscherping in het publieke debat in de jaren negentig lijkt in Nederland - en ook bij de WRR - het idee te hebben postgevat, dat we dat multiculturele model allang achter ons hebben gelaten. Niets is minder waar: de Nederlandse werkelijkheid is er nog altijd een van door de overheid ondersteund langs elkaar heen leven in de aloude traditie van de verzuiling - met de bovengenoemde gevolgen. Alle intenties ten spijt om achterstandsbeleid op algemene grondslag te voeren worden organisaties en activiteiten op etnische grondslag nog altijd gul door de overheid ondersteund en speelt etniciteit, gewild of ongewild, in maatschappelijke instituties en publieke debatten een te grote rol. De overheid rekent het nog steeds tot zijn takenpakket onderwijs in 'allochtone levende talen' aan te bieden en nergens in Europa bestaan zoveel islamitische en hindoescholen, moslim- en migrantenomroepen en andere maatschappelijke organisaties op etnisch-religieuze grondslag.

Wat dat laatste betreft bestaat er in het publieke debat in Nederland een hardnekkig misverstand. Moslims zouden soms problemen hebben met de in Nederland gehandhaafde strikte scheiding van kerk en staat, luidt een veelgehoord argument. Pardon? Waar ter wereld financiert de overheid scholen, ziekenhuizen, omroepen, maatschappelijk werk en wat al niet meer zij op levensbeschouwelijke grondslag? In welk Europees land staat zelfs na de invoering van de euro nog 'God zij met ons' in het geld gegraveerd en wordt het parlementaire jaar met een 'troonbede' en zegeningen door katholieke, protestantse, islamitische en hindoepriesters geopend? Nee, de moslims hebben het helemaal niet verkeerd begrepen, zij eisen meestal niets meer en niets minder dan dezelfde rechten die het Nederlandse systeem traditioneel aan de verschillende christelijke groeperingen biedt en die het gelijkheidsbeginsel terecht verbiedt aan niet-christelijke groeperingen te ontzeggen.

Daar hoort ook het recht bij dat in Nederland aan religieuze fundamentalisten van christelijke signatuur wordt verleend hun kinderen niet tegen dodelijke ziektes in te enten, te vinden dat vrouwen thuis bij de kinderen horen en dat homo's ziek of zondig zijn. Met dat soort opvattingen kun je in Nederland kamerlid worden en het is uit die optiek begrijpelijk dat moslims zich onrechtvaardig behandeld voelen als de hele samenleving over hen heen valt als ze hetzelfde zeggen. De scheiding tussen kerk en staat bestaat in Nederland uit de neutraliteit van de staat tussen de levensbeschouwingen (we hebben geen staatskerk) en uit het feit dat de staat organisaties op religieuze grondslag geld geeft zonder noemenswaardige inhoudelijke beperkingen aan de met belastinggeld uitgedragen levensbeschouwing te stellen. Een systeem met andere woorden, waar de staat zich niet met religie bemoeien mag, maar wel betaalt, terwijl organisaties op religieuze grondslag een grote rol spelen op allerlei terreinen die in andere landen tot het vanzelfsprekende domein van de staat behoren.

Daar iets aan te veranderen - en dat lijkt gezien de belabberde resultaten van het integratiebeleid onontkoombaar - kan niet door moslims of hindoes te verbieden wat anderen toegestaan wordt. De onbedoelde effecten van het Nederlandse onderwijsstelsel, en van de rol van allerlei particulier initiatief op andere terreinen waar elders de staat actief is, zouden eens serieus onder de loep genomen moeten worden. Wellicht kan dan de verhouding tussen overheid en organisaties op particularistische grondslag eindelijk eens opnieuw gedefinieerd worden, zowel voor autochtonen als voor allochtonen.

Het uit de verzuiling voortgekomen Nederlandse stelsel was nooit bedoeld als instrument voor de integratie van migranten en het is daarvoor uitermate ongeschikt gebleken. Hetzelfde geldt voor het ermee verbonden beleid van gedogen en door de vingers zien. Migranten én autochtonen wordt een slechte dienst bewezen door principes die bedoeld waren voor het samenleven van sociaal-economisch grotendeels gelijkwaardige autochtone groeperingen, die een gemeenschappelijke geschiedenis en politieke cultuur deelden, onveranderd toe te passen op de integratie van nieuwkomers met een andere culturele achtergrond. Dat leidt ertoe dat nieuwe etnische en religieuze groepen een formele schijngelijkwaardigheid wordt toegekend, die in de praktijk leidt tot versterking van etnische scheidslijnen en segregatie op ongelijke basis. Tegelijk wekt de cultuur van gedogen en lakse wetshandhaving bij menige jonge migrant niet de indruk van geciviliseerde tolerantie, maar van een staat en natie die zichzelf niet serieus nemen. En eigenlijk hebben ze daar geen ongelijk in.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden