Etiquette en protocol

Onze nieuwe musical speelt deels aan het hof waar Assepoester zo jammerlijk haar glazen muiltje verliest. De komische details zal ik op deze, daarvoor niet geëigende plaats, achterwege laten, maar wel wil ik melding maken van het feit dat ik me, omwille van een muzikaal werkje, weer eens heb verdiept in “Hoe Hoort Het Eigenlijk?”, van de legendarische dame Amy Groskamp-ten Have.

Alle voorstanders van een ongebroken zondagsrust jaag ik nu tegen me in het harnas: ik schrijf óók op de dag des Heren en het is wel degelijk zware, slavelijke arbeid. Zelfs vanmorgen in de kerk dwaalden mijn gedachten profaan af. Enfin, talent is een gave Gods en daar dient men te allen tijde mee te woekeren, zo drogeer ik mijzelf.

Ik heb nog een oud exemplaar van mevrouw Groskamps standaardwerk, maar zij wordt herdrukt, heb ik vernomen. Niet zijzelf natuurlijk, maar het onverbrekelijk aan haar naam verbonden etiquette-boek. Dat doet me deugd. De bewerkingen van haar gedachtengoed zijn bruikbaar, daar niet van, maar missen haar stijlvolle benadering van “de beschaafde omgangsvormen.”

Ik bèn wat met haar geconfronteerd! Op miljoenen kindervragen antwoordde mijn lieve moeder immer: “Omdat het zo hóórt!” En nu, op gevorderde leeftijd gekomen weet ik, wanneer ik iets fout doe, waaròm ik het fout doe. Want geen mens leeft natuurlijk strikt volgens de geboden. We rommelen maar al te vaak wat aan. We ontduiken de regels. Je moet eens kijken hoeveel automobilisten kleine ongerechtigheden uit de neus verwijderen wanneer zij voor een stoplicht staan. Geen zinnig mens zou dat doen aan een door Hare Majesteit gegeven banket. Ik noem maar een voorbeeld. Nee, we rotzooien met de geringe zaken en aan onze grote onverschilligheid ten aanzien van de belangrijkere werd ik dus hedenmorgen vanaf de kansel herinnerd.

Ik ben van vrijzinnigen huize, maar werd toch tamelijk streng opgevoed, met matteklopper en pantoffel, bij wijze van spreken. Ik ben nimmer bedreigd met een toornige God of met hel en verdoemenis en dan is een tik met de pantoffel toch een redelijk alternatief. De goede vormen zijn mij aldus ingescherpt en daar ben ik mijn ouders achteraf erg dankbaar voor, want de samenleving stelt een mensenkind voor de belachelijkste problemen.

Later schift je vanzelf uit wat je wel en niet denkt nodig te hebben. Trefzeker zie ik thans dat ik tijdens een kerkdienst nimmer mijn broek mag losknopen, teneinde een vreselijke zweer op mijn linkerdijbeen te tonen. (Die hèb ik niet, wel een broek uiteraard, maar geen zweer, het is maar een illustratie). Ik besef ook instinctief dat ik niet mag braken in het soepbord van mijn tafeldame. Toch handig om die dingen ooit geleerd te hebben.

In mijn beide beroepen heb ik daar ook veel plezier van. Neem nu het hoofdstukje Praten. Een acteur praat en een predikant ook, vandaar dat ik wederom erg nieuwsgierig was naar wat Mevrouw Groskamp-ten Have daarover meende te moeten melden: “De wellevendheid vereist dat men bij het praten de aangesprokene aankijkt, niet doordringend en onophoudelijk, noch schichtig en terloops, maar rustig.”

Dat schreef ze. En ze heeft daar gelijk in. Als je in een pastoraal gesprek met een heer voortdurend een meter te laag fixeert, denkt de goede man natuurlijk dat zijn kleding niet in orde is. Je brengt zo'n persoon dan in vreselijke verlegenheid.

Ik heb eens na de dienst staan praten (echt gebeurd!) met een mevrouw die zojuist van het toilet kwam en haar jurk niet goed naar beneden had getrokken. De achterzijde zat in haar, ik mag wel zeggen, directoire gepropt. Ze had er gewoon niet op gelet. Ik wèl: ik kon mijn ogen er niet vanaf houden. Ik werd als het ware naar die grote broek getrokken, die bovendien van een schokkend roze tint was. Volgens het boekje moet je dan niets laten merken, of in welgekozen bewoordingen een hint geven: “Mevrouw, een en ander is, geloof ik, niet helemaal zoals u graag zou willen . . .”

Amy Groskamp-ten Have is eigenlijk jeugdsentiment voor me. We lazen thuis de Margriet en daarin schreef zij wekelijks een kolommetje over de goede zeden. Zodoende wist ik als negenjarige alles van zogenaamde 'digestiebezoeken'. Geen mens weet meer wat dat zijn. Digestiebezoeken noemt men visites, die worden afgelegd na genoten gastvrijheid: zoals na een diner. Zij worden, na veertien dagen, zonder voorafgaand belet te vragen gebracht. Je moet dan tegen de gastvrouw zeggen dat het erg gezellig is geweest, ook al heb je je te pletter verveeld. En dat het eten héérlijk was, ook al heb je je onder doktersbehandeling moeten stellen. En dat de gastvrouw er bééldig uitzag, ook al heeft een dumpzaak haar gewaad in de aanbieding als zespersoons tent.

Wat zegt de Schrift over liegen? In de bijbel lees je nooit van digestiebezoeken. Abraham maakt eten klaar en dat is het dan. Jezus gaat op bezoek bij Levi de tollenaar of gaat langs bij Martha en Maria, maar je hoort nooit dat Hij na veertien dagen terugkomt om te zeggen dat het héérlijk is geweest. Martha zou het, gezien haar karakter, zeer hebben gewaardeerd, daar niet van.

Niettemin is het goed om te weten hoe het hoort. Dan kan men nimmer apen vangen, wat overigens ook niet hoort. Er is een verhevigde belangstelling voor goede omgangsvormen. Je merkt het nog wel niet in de tram, of bij de garderobe van de schouwburg, maar Amy's uitgever zal niet gek zijn. En een leuk nummer is er zeker over te maken. Het is waar: in de bijbel wordt niets vermeld omtrent digestiebezoeken. Maar je leert er wel degelijk uit wat werkelijk goede omgangsvormen zijn. Vormen en nòrmen. Leefregels. Ik weet er zo tien. En om nog eens iets te noemen, dat nieuwe gebod. “Dit gebied ik u, dat gij elkander liefhebt.” Het staat in Johannes 15, vers 17. En het kan niet genoeg herdrukt worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden