Et voilà: de moderniteit

'De White Man's Burden, de heroïsche beschavingstaak die Rudyard Kipling in zijn trotse gedicht uit 1899 voor het blanke ras zag weggelegd, heeft zich tegen ons gekeerd en is geworden tot een werkelijke last, een deprimerend schuldgevoel over kolonisatie, slavernij en economische uitbuiting van de derde wereld. Dat verhindert ons te begrijpen dat - heus! - de kolonisatie voor de gekoloniseerden ook iets goeds betekende.'

De moderne westerse waarden zijn, volgens de politiek filosoof Luuk van Middelaar, ónze waarden en die willen wij verdedigen. En daar hoeft het niet bij te blijven: de echte progressief vindt dat de rest van de wereld er óók recht op heeft.

'De grote politieke vraag is: kun je de mensenrechten over de wereld verspreiden zonder een Napoleon? Nee dus. Wie politiek denkt weet dat het Goede niet vanzelf komt. Daar is wellicht een leger voor nodig. Een Napoleon. Of een George W. Bush. Wie mensenrechten wil moet daar een prijs voor betalen. Wat we Napoleon kwalijk kunnen nemen, is niet dat hij geweld gebruikte, maar dat hij niet ver genoeg is gegaan. En om de parallel door te trekken: wat we moeten hopen, is dat Bush zijn werk wél grondig zal afmaken. Dat hij Afghanistan met bommen en overvloed de moderniteit zal binnenslepen.'

'En wij, wij wachten intussen geduldig op een hedendaagse Kipling die - in het besef dat niet de blanke maar de moderne mens een wereldhistorische missie heeft - fier en onbezwaard de lof zingt van Modern Man's Burden.

Een pamflet van de wonderboy van de Nederlandse filosofie, fietsend in Parijs.

I

'Nee tegen de imperialistische kruistocht!' Naar huis fietsend, stuitte ik afgelopen zaterdag bij de Place de la Bastille op een trage stoet spandoeken, rode vlaggen, bestelbusjes-met-luidsprekers. Enige duizenden Parijzenaren demonstreren tegen de oorlog in Afghanistan. Aankomst- en vertrekpunt zijn zoals bij elke manif in deze historische stad symbolisch geladen; het gaat vandaag van de Place de la Nation naar de Fontein der Onschuldigen. De communistische vakbond CGT is prominent aanwezig, mensen van de antiglobaliseringsbeweging ATTAC marcheren mee, er zijn trotskisten, scholieren, pacifisten, een groepje Koerden (zij bepleiten waar het maar kan vrijlating van PKK-leider ücalan) en ook een paar Tsjetsjenen. Een activist van een communistische splintergroep sjouwt met een fiks portret van Vladimir Iljitsj Oeljanow, groot voorvechter van het pacifisme - en beter bekend als Lenin. Ik krijg wat traktaten in handen geduwd. Een groepje schoolmeisjes scandeert 'Solidariteit met de Afghaanse vrouwen!'; niet beducht voor tegenstrijdigheden schakelen ze in één moeite over op de leus 'Nee tegen de Amerikaanse oorlog!' Ze hebben de leeftijd, de levensstandaard en de vrijheid om zich niet te hoeven afvragen hóe de vrouwen van Afghanistan zónder bommen te helpen zouden zijn...

Die argeloze Franse schoolmeisjes papegaaien een van de dominante misverstanden op de opiniepagina's na. De verwarring tiert namelijk ook in de grote-mensen-wereld welig. Europese 'progressieve' politici - politicae zelfs! - plaatsten om het hardst vraagtekens bij de westerse acties in Afghanistan, alsof daardoor niet de doelen dichterbij komen die elke waarlijk progressieve politicus zou moeten toejuichen: meer vrijheid, minder vrouwenonderdrukking, herstel van gezondheidszorg, van scholen, enzovoorts, en wie weet zelfs een modernisering van de economie - in een van 's werelds allerarmste landen geen overbodige luxe. Want zelfs als Bin Laden zich niet in Afghanistan zou schuilhouden (en even afgezien van pacifistische argumenten), wie kan er nu met goed fatsoen verontwaardigd zijn over een oorlog tegen het regime van de Taliban?

Niettemin was er die terughoudendheid onder groene en andere progressieve politici en intellectuelen - in Nederland breed uitgevent door Marijnissen en de zijnen, en bij overig links in partijdiscipline gesmoord. Raadselachtig? Niet echt. Waar rechts al nooit zo'n trek had om de verworpenen der aarde tegemoet te snellen, daar durft ook links, onder de plak van de schijterige politieke correctheid, zich tegenwoordig geen vooruitstrevende beschavingsmissie meer op de hals te halen. Cynische zelfgenoegzaamheid bij de enen, moralistische lafheid bij de anderen - kiest u maar. Beide houdingen hebben echter een gemeenschappelijke grond: de onvrede in het Westen met de moderne wereld die wij uitdragen. Een sluimerende teleurstelling over onze vrijheid, een oprispend schuldgevoel over onze rijkdom. Soms blijft dat westers onbehagen huizen in onze eigen borst. Maar soms knaagt het zich een weg naar buiten; met de beste bedoelingen verijdelt het dan de opbloei van hun vrijheid, de groei van hun rijkdom.

Het publiekelijk ontzeggen van ónze wereld aan mensen die ernaar hunkeren, is een moedeloos makende traditie. Graag roept de westerse intellectueel uit naam van zijn lievelingsonderdrukten, precies het verkeerde. Het model stamt uit de dagen van Sartre: in dienst van 'de arbeider' encanailleerde hij zich met Stalin en Cas-tro, zonder dat er ooit één Franse, laat staan Russische of Cubaanse arbeider beter van werd (die konden slechts huilen of lachen, als Jean-Paul bij thuiskomst, uit een perverse beleefdheid jegens de gastheer, weer eens stupiditeiten had gedebiteerd van het kaliber 'In de Sovjet-Unie is de vrijheid van kritiek totaal'). Hedendaagse varianten van dit mechanisme zijn de antiglobaliseringsdemonstranten die - van Seattle tot Genua - menen de derde wereld te helpen door de succesvolle manier waarop diezelfde derde wereld momenteel de facto uit de misère raakt, te dwarsbomen. Evenzo de van multiculturalisme doordrenkte grote-stads-intellectuelen, die fijnzinnig het respect voor andermans 'cultuur' prediken, zonder nog in staat zijn te luisteren naar de vertrapte die juist uit die als-cultuur-verkochte-onderdrukking wég probeert te komen en met heel haar universele hart droomt van 'westerse' democratie, 'westerse' rijkdom of 'westers' individualisme. U bent niet authentiek, mevrouw! Als men de dialectiek nog een tandje hoger zet krijg je de actievoerders die de genoeglijk hun cheeseburger verorberende klanten van zekere Amerikaanse voedselketens, inpeperen dat ze zonder dat ze het zelf weten slachtoffer zijn van de 'dictatuur van het kapitalisme'. U leeft in vrijwillige slavernij, meneer!

Steeds heeft de weldenkende elite het beste voor met de onderdrukten, slechts zelden komt dat 'beste' overeen met de wensen van de betrokkenen.

II

De gebeurtenissen van de 11de september en daarna brachten het geworstel van het moderne Westen met zijn eigen identiteit, doorgaans een onderhuids geroezemoes, naar de openbaarheid van de mondiale opiniepagina's. Veel bekende namen speelden hun vaste repertoire. Francis Fukuyama mocht uitleggen dat de geschiedenis nog evenzeer voorbij was als hij en Hegel altijd al hadden beweerd, Samuel Huntington maakte goede sier met een clashing boektitel, en Susan Sontag etaleerde nog eens haar zelfhaat. Ook Ulrich Beck hamerde op zijn eigen aambeeld; de befaamde Duitse theoreticus van de 'risicomaatschappij' meende dat de voornaamste oorzaak van de ramp lag in het falen van de veiligheidsdiensten op de Amerikaanse vliegvelden. (Dit doet denken aan de oude Britse historicus A.J.P. Taylor, die ooit serieus beweerde dat Chamberlain de Tweede Wereldoorlog had veroorzaakt, omdat hij in München 1938 Hitler niet had tegengehouden - waarbij Hitler zelf dus compleet uit beeld verdwijnt.)

Leerzamer waren de categorieën waarin de eerste, belangrijke vraag na de aanslagen op Washington en New York werd beantwoord, te weten: Wie viel eigenlijk wie aan? Was het Kwaad tegen Goed, islam tegen Christen- en Jodendom, Arabieren tegen Amerikanen, of simpelweg arm tegen rijk? Maar bij het opstellen van het daderprofiel ontpopten morele, religieuze, culturele of economische indelingen zich als zodanig steeds als onbevredigend, als half-ware versimpelingen. Dat is niet verwonderlijk. Het ging hier immers om politiek. Om aanslagen, een militaire operatie, een strijd om macht. Niet voor niets kopten de kranten vanaf het allereerste begin met 'Oorlog!'.

In zijn beroemde tekst Der Begriff des Politischen (1932) situeert de Duitse rechtsgeleerde Carl Schmitt het eigene van politiek in het uitkristalliseren van een vriend-vijandverhouding. In de ethiek heb je discussiepartners, in de economie concurrenten, in de politiek vrienden en vijanden. Schrik niet: de schmittiaanse vijandschap gaat de schoolpleinruzie te boven: ,,De begrippen 'vriend', 'vijand' en 'strijd' ontlenen hun werkelijke betekenis aan het specifieke feit dat ze betrekking hebben en houden op de reële mogelijkheid van het fysieke doden.' Volgt men Schmitt in die opvatting (die zeker in oorlogstijd pertinent is), dan wordt het gezoek naar de reden van de oorlog - moraal? godsdienst? economie? - van secundair belang. Vanzelfsprekend is het mogelijk dat religieuze, morele of andere tegenstellingen zich kunnen verscherpen tot politieke tegenstellingen. Maar als zo'n 'vriend-vijand-indeling' is ontstaan en werkelijk op strijd uitloopt, dan is de 'maatgevende tegenstelling' niet langer zuiver religieus, moreel of economisch, maar politiek. En met zo'n maatgevende, primaire tegenstelling kun je beter niet marchanderen. Carl Schmitt zou ongetwijfeld misprijzend hebben gereageerd op alle nobele zielen die tegensputterden toen de Verenigde Staten dicteerden: Wie niet voor ons is is tegen ons. Zo gaat dat nu eenmaal in een strijd waarin 'op leven en dood' geen metafoor meer is.

Het immense voordeel van een politieke analyse is dat ook een politiek oordeel mogelijk wordt. Men verzandt niet in metafysisch gepraat over goed en kwaad, noch in romantisch obscurantisme over de waarden van culturen of religies. Nee, ineens kun je ferme uitspraken doen van het type: 'We kunnen ze hebben'. Met de argumenten erbij. Van het type: want niemand staat aan de kant van de Taliban - de Russen niet, de Chinezen niet; want de moslims elders keren zich van hen af; want ze zijn maar met x-duizenden... Langs zulke real-politische lijnen redeneren de militaire adviseurs van president Bush - en laten we daar vooral zielsblij om zijn. Kritische

Europeanen merken graag gevat-moralistisch op dat de Amerikanen 'eigenlijk' even fundamentalistisch zijn als hun tegenstanders omdat ze In God we trust op hun dollars hebben staan; constructief wordt kritiek op de Verenigde Staten pas als ze politiek-militaire taal gaat spreken. Bijvoorbeeld: Waarom houdt u niet eens op om onder druk van de wapenlobby te investeren in de irrelevant geworden raketschilden en ander Koude-Oorlogsachtig wapentuig? Past u zich liever aan de nieuwe scheermesjesvijand aan, want zie: de oude vijanden Rusland en China hebben zich definitief aan de kant van markteconomie & moderniteit geschaard.

III

Dit laatste voorbeeld brengt ons bij de vraag wélke 'maatgevende tegenstelling' zich, in Carl Schmitts termen, heeft uitgekristalliseerd tot een 'vriend-vijand-indeling'. Laten we de kaarten op tafel leggen: het politieke project van Bin Laden en de zijnen is gericht tegen de moderniteit.

De terroristen pleegden een aanslag op het hoofdkwartier van de moderne levensstijl, New York - liever dan op de bijgebouwen Londen, Parijs of Madrid. Amerika belichaamt slechts wat wij allen zijn: modern. Ons moderne bestaan staat in het teken van Léven. Wij leven als vrije individuen in welvaart en veiligheid, wij kunnen reizen, genieten en stemmen, wij kunnen zeggen, lezen, schrijven en zien wat we willen zonder in een strafkamp te belanden, wij kunnen geld verdienen en uitgeven, zelfs niet verdienen en toch uitgeven, wij kunnen weten of liegen, wij kunnen sloeren en slaphannesen - en als je onder een auto ligt, komt de ziekenwagen er al aan. Voilà onze moderniteit. Et voilà waar de Taliban zich tegen verzetten. En... wij snappen ze. Want tegelijk vrezen we de toename van geweld en porno, de teloorgang van de solidariteit, de commercialisering van de kunst, de uitverkoop van de beschaving; zonder met de ogen te knipperen beschimpen we de anonimiteit van de grote stad waar we etalages kijken, en laken we de kille efficiëntie van de moderne ziekenhuizen waar we ons opgelucht laten opereren. De moderne ziel geniet van zijn vrijheid en verlangt naar geborgenheid - onophefbaar gespleten.

Amerika is het symbool van de verguisde moderniteit. ,,Als je naar de wereld kijkt en je afvraagt waar de macht zit, dan zit die in de VS, dus als je haat hoe de wereld draait, moet je daar zijn.' Aldus (Intermediair, 8 november) de Parijse ex-reclamejongen Frédéric Beigbeder, die zich in zijn nieuwe rol van ad-bustende yuppie-revolutionair uitstekend inleeft in de drijfveren van Bin Laden. De politieke formule van de terroristen blijkt simpel: Amerika legt zijn politieke project op aan de wereld en wij willen het onze daarvoor in de plaats stellen. En die formule slaat ook in het Westen aan.

Terug eerst naar de terroristen. Die zijn duidelijk ergens tégen, maar zijn ze ook ergens vóór? Wat is de positieve inhoud van het politieke project van Bin Laden en zijn mannen? Hoe verontrustend: het is leeg. Vandaar de vaak opduikende karakterisering 'nihilistisch'. Tegenover de moderniteit die het Leven viert, stelt de terroristen-versie van de islam een reeks verbodsbepalingen en restricties op datzelfde leven, gevolgd door - maar wij kennen dit van huis uit - hemelse glorie na de dood. Als politiek discours is dat wat mager.

Ook zonder Carl Schmitts lessen in het achterhoofd, blijkt het zinvol het moslimfundamentalisme niet in de eerste plaats als religieus, maar als politiek verhaal op te vatten. Het islamisme boekte zijn grootste successen als sociale beweging sinds eind jaren zeventig. Als zodanig is het ter plaatse de opvolger van het marxisme - waarvan men de politieke aard doorgaans niet in twijfel trekt.

Zoals bekend waren in de jaren na de dekolonisatie in veel Arabische landen (net als elders in de derde wereld) nationalistische varianten van het marxisme ontstaan - in Egypte met Nasser, of in Algerije met Bourguiba. De huidige seculiere politiestaten van Saddam in Irak en Assad in Syrië, waar moslimfundamentalisten hardhandig worden onderdrukt, zijn al wat resteert van dat Arabische marxisme, aangezien het islamisme de rol van aansprekende wereldbeschouwing overnam. Een symbolisch omslagjaar is 1979: de machtsgreep van de ayatollahs in Iran, en de inval van de Sovjet-Unie in Afghanistan - achteraf vaak aangeduid als het begin van het einde voor het communistisch imperium. Zo werd de islam de nieuwe politieke stem van de armen.

Natuurlijk zijn er verschillen tussen het oude en het nieuwe politieke verhaal: het marxisme bracht een positieve, collectieve en universele boodschap; het islamisme is als gezegd leeg, biedt slechts individueel heil voor na de dood, en is weliswaar transnationaal, maar niet universeel te maken.

Dat laatste heeft ook gevolgen voor de rest van de derde wereld. Aangezien de overgang van marxisme naar islamisme uiteraard alleen in moslimlanden kon worden voltrokken, hebben de meeste andere landen, sinds de marxistische glorie verging, niets meer. Arme hindoes, boeddhisten,

polytheïsten zitten nu zonder politieke stem. Vandaar misschien dat ze óf amechtig maar met succes meedoen in de globaliserende wereldeconomie (zoals India, China of Vietnam), óf vervallen tot corruptie en blijven hangen in armoede (zoals veel ex-communistische Afrikaanse landen).

Grappig genoeg zijn de moslimlanden op dit punt uitstekend vergelijkbaar met Latijns-Amerika. Dat continent maakte tezelfdertijd precies dezelfde 'politiek-religieuze' omslag door, te weten van een revolutionaire, marxistisch-katholieke mix genaamd bevrijdingstheologie (tot begin jaren tachtig een inspirerende massabeweging) naar een situatie, nu, waar protestantse sekten uit Noord-Amerika het vangnet voor miljoenen armen worden. In beide gevallen, islam en Zuid-Amerika, verplaatste de focus zich dus van collectieve Revolutie, naar individueel Heil-door-strijd-tegen-het-kwaad. En om de parallel nog één stap door te trekken, het niet te verwaarlozen verschil is dat het kwaad voor de leden van Zuid-Amerikaanse secten in henzelf zit - ze zijn druk bezig de duivel uit hun lijf te bannen - terwijl voor moslimfundamentalisten het kwaad buiten henzelf is gelokaliseerd, in de wereld - een wereld waar Amerika, in Khomeini's termen, de Grote Satan is.

Waar Indiërs en Chinezen een winkelsluitingswetteloze 24-uurseconomie draaiend houden, waar door veramerikaniseerde preachers ingekaderde Braziliaanse armen mogen dromen van een wervelende shopping-mall, daar ontzeggen de islamistische Omars dat aan hun volgelingen. Hun strijd tegen de moderniteit biedt echter geen leefbaar alternatief. Ook de islam zal onherroepelijk de moderniteit in moeten. Want ook de islam staat er al met één been in. Net als de communistische zullen ook de islamitische massa's ooit door de tralies van de heilstaat heenbreken, om te bezwijken voor de beloften van de consumptiemaatschappij. En gaan de geruchten niet dat Osama bin Laden himself zich in juli 2000 aan een nierziekte liet opereren in het Amerikaanse ziekenhuis van Qatar? Ook hij staat dus met minstens één nier in de moderniteit.

IV

Laten we nu het Grote-Satan-argument eens beter onder de loep nemen in de vorm waarin het in de westerse publieke opinie opgeld doet. Sinds 11 september begint elke anti-Amerikaanse verhandeling met een economische interpretatie van het terrorisme: de op het WTC afstormende vliegtuigen waren een aanval van de armen op de rijken. In het verdienstelijke streven de moslims een stigmatisering te besparen, brengt men naar voren: 'Als we deze aanslagen nu eens proberen te begrijpen vanuit het perspectief van de miljoenen mensen die levenslang lijden onder honger, schulden, vernedering?' (aldus een bijdrage op de Trouw-website). Dit vrij algemeen gedragen standpunt, waarin protestantse dominees en de SP elkaar vinden, krijgt echter bij sommigen een dubieuzer vervolg. Men beweert dan dat Amerika (dan wel het Westen) zélf de armoede in de wereld veroorzaakt en nu haar - weliswaar niet helemaal verdiende maar toch... - loon krijgt. In dergelijke neo-marxistische antiglobaliseringskringen heeft dit effect ook al een naam: de 'boemerang van de globalisering'.

Welnu, economisch gezien is dat eenvoudigweg onwaar. Kort samengevat stellen de globofoben dat de investeringen van de multinationals in lagelonenlanden als de Filippijnen of India een economische ramp aanrichten: werknemers worden in erbarmelijke omstandigheden geëxploiteerd puur voor het gewin van westerse aandeelhouders; in dergelijke aanklachten wordt zelfs de onzinnige term 'slavernij' niet geschuwd. Eerste vraag moet natuurlijk zijn waaróm die mensen niet ergens anders gaan werken als het inderdaad zo erg is. Het treurige antwoord is eenvoudigweg dat het alternatief nog belabberder is. Ook de statistieken wijzen dat uit. In landen waar niet door het Westen werd geïnvesteerd, nam de armoede niet af of nam ze zelfs toe; het gaat dan om grote delen van Afrika, enkele landen in semi-permanente oorlog, en de laatste communistische bolwerken zoals Noord-Korea, in totaal zo'n twee miljard wereldbewoners. Daarentegen zagen de derde-wereldlanden die zich de afgelopen twintig jaar hebben opengesteld voor de wereldmarkt (en die met onder meer China, India, Brazilië, Oeganda en Vietnam drie van de zes miljard wereldbewoners vertegenwoordigen) hun welvaart jaarlijks met 5 procent toenemen. Die groeiende welvaart kwam gemiddeld bovendien de héle bevolking ten goede, óók de allerarmsten. En zelfs in die gevallen waar de rijken er relatief meer op vooruitgingen dan de armsten, nam de netto welvaart ook voor de armsten toe. Dat in een land als China de ongelijkheid toeneemt is bovendien nogal wiedes: twintig jaar geleden leefde iedereen er in dezelfde armoede-in-onderdrukking. Vrije wereldhandel, zo blijkt uit al deze cijfers van de Wereldbank, is het beste wapen tegen de wereldwijde armoede. Beter de verderfelijke en op winst jagende multinationals dan helemaal geen kapitaal.

Toch zijn dergelijke positieve cijfers in Europa nauwelijks aan de man te brengen. Ons schuldgevoel is sterker dan de feiten. De ideeën van de antiglobalisten hebben zoveel succes omdat ze naadloos aansluiten bij onze quasi-intuïtieve morele noties over de werking van geld. Ik doel op het syncretische mengsel van christendom en versoft marxisme, dat feitelijk vals is maar waarmee we allemaal zijn opgevoed. Het christendom leert: het enige dat we tegen ongelijkheid kunnen doen is: delen. Het marxisme leert: als iemand geld verdient, gaat dat altijd ten koste van iemand anders - uitbuiting. Zo wordt dus als vanzelfsprekend het Westen rijk over de rug van de derde wereld en moeten we geld naar de Novib overmaken om dat te verhelpen. Maar wat Jezus nog niet wist en Marx helaas vergat, is dat de hoeveelheid geld op de wereld niet gelijk blijft: geld genereert geld. Geld is een uitdrukking van economische activiteit. Als die toeneemt, worden meer mensen rijk. En wat dat betreft zitten we in een mondiaal historisch proces waarin iedereen rijker kan worden en voor een groot deel ook aan het worden is.

De Europese intelligentsia bedient zich natuurlijk niet alléén van economische drogredenen om haar anti-Amerikaanse reflexen gestalte te geven. Behalve het Amerikaanse kapitaal (én het Britse, én het Nederlandse - maar in een land waar nu zelfs de voormalige arbeidersbeweging FNV-Bondgenoten zich kapotspeculeert, is dat natuurlijk een héél ander verhaal) moeten ook het Amerikaanse leger en de Amerikaanse cultuur het ontgelden. Toen Frans communistenleider Robert Hue zich op de jaarlijkse partijdag - het vier dagen na de aanslagen gevierde Fête de l'Humanité - liet verleiden tot een verrassend 'We are all Americans' (waarmee hij zich aansloot bij ongeveer alle hoofdredactionele commentaren uit die dagen), kon je een moment denken dat de Koude Oorlog ook voor de laatsten der kameraden nu echt voorbij was. Maar de fluitconcerten waarop dat Hue ter plekke kwam te staan, gaven al te denken, en sindsdien is de roes van de posttraumatische identificatie met de slachtoffers wel bekoeld.

Dat Amerika de ramp volkomen aan zichzelf heeft te wijten, is inmiddels weer een respectabel standpunt geworden. Le Monde Diplomatique, het internationaal vertakte huisblad van de antiglobaliseringsbeweging, dat wordt gerund door oud-communisten Ignacio Ramonet en Bernard Cassen, pakte al in haar oktobernummer fors uit: het geselde de Amerikaanse arrogantie, zwiepte de G-boemerang door de lucht, en maakte lijsten van alle Amerikaanse wandaden in de afgelopen eeuw.

Als dat soort opvattingen de doorsnee-taart zijn van Frans links, dan kwam de slagroom op 3 november. Jean Baudrillard sprak in Le Monde: ,,Als de islam de wereld domineerde, zou het terrorisme tegen de islam opstaan, want het is de Wereld zelf die zich tegen de globalisering verzet'. De postmoderne filosoof - bij een vorige internationale crisis deed hij van zich spreken met het boekje La guerre de Golfe n'a pas eu lieu ('De Golfoorlog heeft niet plaatsgevonden') - publiceerde een over bijna twee pagina's uitgesmeerde verhandeling over 'De geest van het terrorisme' (vertaald in De Groene Amsterdammer, 17 november). Vertrekkend vanaf de gemeenplaats dat de aanval op Amerika te wijten was aan haar 'onuitstaanbare macht in de wereld', vervalt hij in een sophisticated psycho-politiek delirium waarin de terroristen het weliswaar hebben 'gedaan' maar wij llen het hebben 'gewild': ons heimelijke verlangen naar de ineenstorting van de wereldhegemonie, een fantasma dat we met rampenfilms proberen te bezweren, is medeplichtig aan het terrorisme. Ook vindt de keizer van de virtualiteit nog steeds: 'Het werkelijke voegt zich aan het beeld toe als een terreurpremie, een rillinkje extra'. Enzovoorts. Zo kwam het dat ik een uiterst verontrust telefoontje kreeg van een vriendin uit Duitsland, die Baudrillard in de Süddeutsche Zeitung had gesignaleerd, of dit - néé toch? - écht het niveau van het Franse debat was. Terwijl ik tegelijkertijd moest constateren dat in Parijs niemand dergelijke verbale uitspattingen serieus neemt, men beschouwt ze als een stijloefening van een van de getalenteerdere leden van de intellectuelengemeenschap: 'Baudrillard doet zijn nummertje'. En strijkt zijn individuele terreurpremie op.

Het zou een vergissing zijn zulk anti-Amerikanisme te beschouwen als een relict uit arbeideristische dagen, 'typisch Frans' bovendien. Eén aanwijzing te midden van vele: ook een Nederlandse, weinig radicaal filosoof als Ger Groot betoogde op 15 september in NRC Handelsblad, onder de kop 'Mond dicht, luisteren', dat Amerika zich wat bescheidener in de wereld zou moeten opstellen en hopelijk een lesje had geleerd. En dan zwijg ik nog van de stupide VU-theoloog Van de Beek, die 'sympathiek' stond tegenover Bin Ladens verzet tegen Amerika en de globalisering, die weliswaar zei geweld af te keuren, maar die toch op 11 september stiekem dacht: 'Er gebeurt tenminste wat' (Trouw, 19 oktober). Wij hier, wij kunnen slechts de lege hemel danken dat, na dramatische eeuwen van modernisering en secularisering, de vaderlandse theologen hun sympathie voor daadkrachtiger vakgenoten elders in de wereld (al schenen de Taliban nog niet afgestudeerd, afgaand op hun jarenlang door de westerse pers gehanteerde koosnaam 'theologiestudenten') hoogstens kunnen uitdragen vanuit hun universitaire bastions, en dat zij de invoering van de sharia opvatten als een geinige ver-van-mijn-bed-show.

Voor wie er middenin ligt, is de sharia - of, for that matter, de dictatuur van het proletariaat - minder aangenaam. Legio zijn de voorbeelden van Franse en Zuid-Amerikaanse communisten die een tijdje naar Moskou verhuisden, en die bij het zien van de lokale armoede en politieterreur besloten dat het veel gerieflijker was dezelfde communistische revolutie voortaan weer te prediken vanuit het verderfelijk-kapitalistische Parijs. En denk nu vooral niet dat engagement met een zogenaamd 'progressief' regime iets héél anders is dan engagement met een 'regressieve' politiek-religieuze dictatuur. Veel Franse intellectuelen, na Solzjenitsyns Goelag Archipel (1974) amper bekomen van hun fascinatie voor het reëel bestaande communisme, stonden onder aanvoering van filosoof Michel Foucault alweer ongegeneerd te handenwrijven toen in 1979 de door het Westen gesteunde Sjah uit Iran verdreven was, en het fundamentalistische regime van ayatollah Khomeini zijn plaats had ingenomen. Het heette toen - en men trapt in die term de ideologische overgang van marxisme naar multiculturalisme fraai op de staart - dat eindelijk een 'authentieke volkssoevereiniteit' de macht had gegrepen. Voor meer informatie, bel met Salman Rushdie. (In Iran zelf neemt al twintig jaar niemand op.)

V

Weggedrukt in een hoekje, ingeperst onder en naast het bijna twee pagina's bestrijkende gebulder van Baudrillard, stond in dezelfde opinierubriek van Le Monde van 3 november een artikel van de Marokkaanse schrijver Tahar Ben Jalloun (vertaald in NRC Handelsblad, 6 november). Een bescheiden, redelijke tekst. ,,Waar komt die mystiek van de dood vandaan, deze onbezonnen liefde voor de gewelddadige zelfvernietiging?', vraagt deze Arabische intellectueel zich af. Hij verwerpt de gedachte dat de Arabische cultuur het idee van zelfoffering middels de dood van anderen in zich zou dragen, en zoekt het elders: ,,De Arabische en islamitische samenleving erkent het individu niet. Het subject als unieke en singuliere eenheid heeft geen plaats in een gemeenschap die voorrang geeft aan de clan, de stam, de familie.'

Ben Jalloun stelt het voor als karakteristiek voor de islam, maar het gaat natuurlijk om een algemene tegenstelling: die tussen een moderne samenleving van vrije, anonieme individuen, en een traditionele gemeenschap van onderschikking aan de groep; de islamitische oema is daar niet het enige voorbeeld van.

Ben Jallouns stelling is dat je op de lange termijn het beste tegen het Arabische terrorisme strijdt door de opkomst van het moderne individu te bevorderen. En, besluit hij, dat vereist om te beginnen ,,het opschonen, aanpassen en opnieuw uitwerken van alle schoolboeken; met name moeten we het onderliggende racisme eruit bannen, evenals de ideologische propaganda, het tendentieuze religieuze discours, en de talloze voorbeelden die de minderwaardigheid van de vrouw en de minachting voor de rede in de kindergeest inprenten.'

Wat doet een Marokkaanse schrijver op zoek naar de universaliteit van de rede? Hij publiceert in het Frans. Voor Ben Jalloun en al die Arabische intellectuelen die noodgedwongen in Parijs wonen, is Frans niet de taal van de koloniserende onderdrukker, maar de taal van de vrijheid, de wetenschap en de waarheid. Het geschreven Arabisch daarentegen is voor hen de taal van de Koran, de bekrompenheid en de censuur.

Wij westerlingen durven dit haast niet meer te begrijpen, gebukt als we gaan onder de last van het verleden. De White Man's Burden de heroïsche beschavingstaak die Rudyard Kipling in zijn trotse gedicht uit 1899 voor het blanke ras zag weggelegd, heeft zich tegen ons gekeerd en is geworden tot een werkelijke last, een deprimerend schuldgevoel over kolonisatie, slavernij en economische uitbuiting van de derde wereld. Dat verhindert ons te begrijpen dat, heus!, de kolonisatie voor de gekoloniseerden ook iets goeds betekende. Ze bracht scholen, ziekenhuizen, wetenschap, vrouwenemancipatie, ze bracht de moderne rede en de moderne vrijheid binnen het bereik van individuen die daarvoor niet eens individu konden zijn. Zeker, er waren de koloniale wandaden - verkrachtigen, martelingen, institutioneel racisme - en niettemin: wat een prachtig oeuvre!

Maar in het huidige intellectuele klimaat, waarin het cultuurrelativisme de filosofische schouderklopjes krijgt, moet je haast Tahar of Mohammed of Salman heten om dat te mogen zeggen.

De bottom-line van het westerse begrip voor Bin Laden én van het westerse verzet tegen de globalisering, is de cultuurpessimistische angst dat de wereld verwordt tot één Amerika, tot één 'McWorld'. Twee elementen voeden dat onbehagen: het kapitalisme dat traditionele culturen, economieën en gemeenschappen vernietigt, en het Westen dat zijn waarden als 'universeel' aan de hele wereld oplegt. Vandaaruit gaan nostalgie en schuldgevoel een verbond aan waarin de vooruitgang wordt afgeschilderd als verraad aan de menselijkheid.

Ja inderdaad, het kapitalisme - katalysator van de moderniteit - werkt zowel ontwortelend als bevrijdend. Het breekt tradities open en oude machtsstructuren af, en maakt daarmee de emancipatie van veel mensen mogelijk. Anders gezegd: het leidt tot individualisering. Keerzijde daarvan is het verlies van de geborgenheid van de eigen groep. Als je de vrijheid en onafhankelijkheid wilt, die welvaart je verschaffen, kun je niet tegelijk 'ons dorp' hebben. Naomi Klein, de auteur van antiglobaliseringsbijbel 'No Logo', stelt terecht dat merken als Uncle Ben de vervanger zijn van de kruidenier op de hoek. Zelf ontbrandt ze in een tirade tegen die merken. Maar als je terug wilt naar de tijd van die kruidenier op de hoek, moet je niet tegen Uncle Ben of Pepsi tekeergaan, maar hardop zeggen dat je nostalgisch bent.

Met het schuldgevoel over de universaliteit van de westerse waarden ligt het ingewikkelder. Antropologen als Lévi-Strauss leren dat elke cultuur haar eigen waarden als universeel beschouwt; wij zijn het centrum van de wereld, de anderen zijn vreemdelingen. In een moeizaam beschavingsoffensief proberen wij ons in het moderne Westen aan te leren dat anderen óók gelijk hebben en dat iedereen evenveel waard is. Maar kentheoretisch gezien is dat een verschrikkelijk moeilijke oeening, war je haast altijd in vastloopt. En uiteindelijk is het niet zo relevant of die moderne westerse waarden, voor het Aangezicht van de praktische Vernunft, nu universeel zijn of niet. Wij vinden dat nu eenmaal. En de Taliban vinden dat ook, van hun eigen waarden. Hun

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden