EssayVerlangen

Esther Hoff over de laatste ontmoeting tussen haar al lang gescheiden ouders: een ingelijst verlangen

null Beeld Johan van Zanten
Beeld Johan van Zanten

Bij de laatste ontmoeting tussen de al lang gescheiden ouders van Esther Hoff manifesteerde zich het gemis van een veilig thuis.

De dag na mijn 44ste verjaardag kreeg ik een bitterzoet cadeau. ‘Kreeg’ wil eigenlijk zeggen dat ik de situatie dusdanig manipuleerde, slechts een klein beetje hoor, dat ik daar nu voor altijd een waardevolle herinnering aan heb. Een fantasie bewaarheid.

Samen met mijn zoon en mijn vader ging ik op bezoek bij mijn moeder. Best bijzonder, want mijn ouders zijn al bijna drie decennia uit elkaar en de laatste keer dat ik ze samen zag, was zes jaar eerder, in een pannekoekenboerderij vlak bij Langevelderslag, waar we mijn zoons vierde verjaardag vierden. En nu: een laatste ontmoeting tussen mijn vader en mijn moeder.

Nerveus liep ik de entreehal van het verzorgingshuis binnen. Bij het dichtslaan van het autoportier op de parkeerplaats had ik mijn vader al zien zwaaien vanuit de inpandige brasserie. Wat te verwachten? Mijn moeder in haar laatste levensfase, trage hersenen en nauwelijks stemgeluid, mijn vader slecht ter been en doof, en mijn kind verlangend naar aandacht van ons drieën. Ik was bij voorbaat al moe.

Vertraagde herkenning

Mijn moeder wist niet dat we zouden ko­men – voorpret kent ze niet meer, onrust des te meer – maar ik had de verzorging gevraagd extra aandacht te besteden aan haar voorkomen die dag. Hoewel een etensvlek op haar broek haar tegenwoordig niets meer kan schelen, zou ze in dit geval haar piekfijne vroegere zelf willen zijn. Van een afstandje zag ik al dat haar haren netjes gekamd waren en dat ze een gehaakt, zachtroze vestje droeg. Ik verwachtte totale verbijstering op haar gezicht, of vertraagde herkenning, of emo­tionele blijdschap. Maar haar onverwacht heldere reactie bij onze binnenkomst was gek genoeg lichtelijk onderkoeld. Desalniettemin was het er eentje van goedkeuring en ik wist dat ook zij voelde hoe speciaal het eigenlijk was dat wij daar samen waren.

We gingen naar haar kamer, ik haalde koffie, soep en boterhammen in de gemeenschappelijke keuken. Niemand at. Ik trachtte mijn moeders soms onsamenhangende gefluister te vertalen voor mijn va­der. Probeerde hem te laten inzien dat hij rus­tig moest praten en stiltes mocht laten vallen, hoe ongemakkelijk ook. Gaf mijn zoon af en toe een aai over zijn dikke haardos en verzuchtte dat het zo fijn was dat hij zichzelf vermaakte. Dat-ie nu echt niet een potje kon schaken met zijn opa en dat ik heus wel begreep dat het voor hem niet zo gezellig was.

Die middag maakte ik drie foto’s. De eerste was er een van hun drietjes op de bank, de eerste en enige van opa en oma samen met hun kleinkind. Het is geen vrolijk kiekje. Mijn moeder ineengezakt, een zeer vermoeid gelaat, ­ietwat ontevreden zelfs, maar dat is denk ik te wijten aan haar ziekte. Mijn vader – in het midden – raakt zijn pijnlijke, door reuma geplaagde schouder aan, daarmee te kennen gevend dat hij zeer ongemakkelijk zit. Daarnaast mijn zoon in zijn felgroene krokodillen-onesie; te­gen de rand van de bank aangedrukt kijkt hij richting zijn oma met een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht, als altijd bekommerd om haar welzijn.

null Beeld Johan van Zanten
Beeld Johan van Zanten

De bron van mijn oorsprong

Wat later schoot ik een prachtplaat. Mijn zoon was inmiddels op de gang aan het voetballen en ik had de badkamer gepoetst – helaas laat de schoonmaak in het verzorgingshuis nogal eens te wensen over. Ik schoof de bad­kamer­deur dicht en stroopte de handschoenen af.

Mijn ouders zaten nog samen op de bank… Mijn ouders… Zelden neem ik dat nog in de mond; ik ga of naar mijn vader, of naar mijn moeder. Er hangt een gewicht aan die twee woorden dat op mijn weegschaal te licht is geweest. Er kleeft een verlangen aan naar iets wat een leegte in mij zou kunnen vullen. Een veilige basis, een warm thuis, daar waar de bron van mijn oorsprong ligt.

Afijn, ze zaten samen op de bank, mijn vader met een oud fotoalbum op schoot dat ik daar had neergelegd om hem iets te doen te geven. Het lichaam van mijn moeder hing steeds meer opzij, tegen hem aan. Haar hoofd rustte op zijn zere schouder. Terwijl hij de dikke, nog roomwitte fotobladen in een wat ongeduldig tempo omsloeg, becommentarieerde hij de kiekjes: “Weet je nog dat we naar die bruiloft gingen?”, “Deze mensen herinner ik me niet”, “Wat was je hier nog jong”. Af en toe zocht hij mijn blik, bracht zijn linkerhand naar zijn rechterschouder en gaf aan dat hij last had.

Ik vond het heus vervelend voor hem, maar het plaatje dat ik voor me zag, was belangrijker, want nooit eerder zag ik ze zo intiem. Zo dicht bij elkaar, getweeën op de bank die ruim dertig jaar geleden het huis werd binnengedragen waarin ik opgroeide. Ik kon me niet herinneren daar ooit eerder getuige van te zijn geweest. Dus voor ik mijn moeder rechtop hielp om mijn vader te ontlasten, pakte ik mijn telefoon uit mijn broekzak, richtte de cameralens en klikte. Dit was mijn verjaardagscadeau: mijn moeder met een ontspannen gezicht – zoals we dat nog maar zelden te zien krijgen – tegen mijn lachende vader aan gevlijd. De twee mensen die mij hebben gemaakt voor één keer in een warm aandoend tafereel op de gevoelige plaat.

Vertrouwd samenzijn

Ik legde mijn moeder in bed (“Doe maar even je ogen dicht, wij gaan niet weg”) en zodra haar hoofd het kussen raakte, viel haar mond open en viel zij in slaap. En daar zat ik naast mijn vader, op mijn moeders bank. Waar we precies over spraken, weet ik niet meer. Ik herinner me alleen het gevoel van een vertrouwd samenzijn in een bepaald onalledaagse situatie. Van het tot kalmte manen van de wervelstorm die in mijn binnenste woedde. Want ik verlangde naar een ‘gewoon’ samenzijn, iedereen gelukkig en in goede gezondheid met een pot thee of een glas wijn, gezellig, bij een open haard. Maar ik besefte dat de vrouw die mij baarde op haar kwetsbaarst een dutje lag te doen, in een kamer die nooit haar of mijn thuis zou zijn, terwijl de man naast mij worstelde met herinneringen aan hoe zij ooit was en met gevoelens van onmacht, schrik, angst, verdriet en mededogen – zo vulde ik hem in, althans.

null Beeld Johan van Zanten
Beeld Johan van Zanten

Na een half uur kwam ze zelf overeind, veel frisser en helderder dan ik had verwacht. We togen naar de brasserie, bestelden koffie in plaats van de borrel waar we, ik vermoed, alle drie naar verlangden. Mijn zoon dronk warme chocolademelk en las een ‘Donald Duck’. Van de inhoud van dat laatste gesprek herinner ik me ook weinig, tot het moment dat mijn vader zijn jas aantrok. Zijn ogen spraken boekdelen. Dit was het dan.

De derde en laatste foto die ik die middag nam, was van het afscheid tussen mijn ouders. Waarschijnlijk het laatste bij leven. Of zij zich daar bewust van was, weet ik niet. Ze wilde niet dat het bezoek voorbij was, bleef naar haar cappuccino staren. Hij stond naast haar, voorovergebogen, zocht naar woorden. Uiteindelijk keek ze naar hem op en op het moment dat hij haar groette zoals hij ook altijd zijn kleinzoon groet, een voor haar onbegrijpelijk houd-je-haakshandgebaar inbegrepen, tikte ik met mijn vinger op de cameraknop op mijn telefoonscherm. Daarna sloeg ik mijn armen om hem heen. Hij maakte zich er gauw uit los en op die paar meter naar de deur draaide hij zich twee keer om: “Tot de volgende keer!”

Ik had zo met hem te doen.

Wishful thinking

Mijn moeder vond het hartstikke leuk dat hij er was, dat we even met zijn viertjes waren. Dagen later had ze het er nog over, terwijl ze toch zo ontzettend veel vergeet. Mijn vader vond het intens moeilijk en mijn zoon vond het “wel leuk om ze te zien, maar als ik eerlijk ben, was het voor mij niet zo heel gezellig”.

En ik? Ondanks alle achteraf gevallen tranen die allerlei uiteenlopende emoties toebehoorden, ben ik dankbaar voor die middag en ik kijk met een wee gevoel in mijn onderbuik met enige regelmaat naar die foto van mijn ouders dicht tegen elkaar aan op de bank.

Ik weet dat het slechts een momentopname was. Letterlijk. Dat dat moment niet een realiteit weergeeft, maar een perfect voorbeeld is van wishful thinking. Om in te lijsten.

Esther Hoff (1975) schreef de roman ‘Leven met Sarah’ en werkt als eindredacteur onder andere voor Trouw.

Lees ook:

De moeder van journalist Esther Hoff (42) heeft parkinson: ‘Had ik nog maar een moeder’

Esther Hoff (42) verlangt naar de tijd dat ze haar moeder nog stevig vastpakte en knuffelde. De parkinson-dementie drijft een wig tussen hen. Haar moeder zit vol verwijten, al jaren. ‘Haar ogen bezien me alsof ik een vreemde ben.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden