Review

Erika moet de soep zouten

Erika Mann, de oudste dochter van Thomas Mann, kwam ooit als scholiere met enige vertraging naar huis en trof haar familieleden met lange gezichten aan de eettafel aan. Het hoofdgerecht van die middag, de paddestoelensoep, smaakte nogal vreemd zo vond iedereen. Was de soep bedorven, of waren de paddestoelen wellicht zelfs giftig? Erika begaf zich naar de keuken, proefde de soep en kwam triomfantelijk terug: 'Díe giftig? Er zit alleen geen zout in, dat is alles!' Vervolgens werd de soep opnieuw opgediend, en nu was ze wel te eten. Vanaf dat moment was het toch al eigenaardige familiejargon van de Manns een nieuwe uitdrukking rijker: telkens als zich een lastige situatie voordeed of als er problemen in het verschiet lagen zei vader Thomas dat Erika de soep moest zouten - 'Die Eri muss die Suppe salzen'.

Deze anekdote, vaak en graag verteld door Golo Mann, is typerend voor de situatie binnen de familie Mann. Erika was het praktische bijdehandje, altijd op zoek naar de eenvoudigste oplossing, en een uitstekende aanvulling op haar intellectuele huisgenoten. Vooral voor haar vader is ze altijd een onmisbare steun en toeverlaat geweest, een raadgeefster in praktische zowel als politieke zaken. Erika regelde en inspecteerde hotels voor Thomas Mann, hield een waakzaam oog op zijn gezondheid en was de drijvende kracht bij de verhuizing van haar ouders naar de Verenigde Staten (1938) en bij de terugkeer naar Europa (1952). Ook onderhield ze contacten met uitgevers en krantenredacties en formuleerde ze politieke stellingnamen en redevoeringen, die haar vader slechts hoefde te redigeren en ondertekenen. Met name in de laatste vijf of acht levensjaren van Thomas Mann, toen de fysieke en artistieke krachten van de Tovenaar duidelijk tanende waren, heeft Erika ook een grote invloed gehad op zijn scheppend werk. In 'Die Entstehung des Doktor Faustus' uit 1949, het lange essay dat twee jaar na zijn Nietzsche-roman verscheen, heeft Mann onomwonden over het aandeel van zijn dochter geschreven. Nog groter was haar invloed op de novelle 'Die Betrogenen' (1953), het tweede deel van 'Felix Krull' (1954) en in het bijzonder de grote essays over Schiller en Tsjechov uit zijn sterfjaar 1955, die zonder Erika's redactionele hulp waarschijnlijk nooit voltooid zouden zijn.

Erika Mann (1905-1969) was een even getalenteerde als lastige vrouw, die met haar bazige en militante karakter vaak antipathie of zelfs haatgevoelens bij haar tijdgenoten opriep, zoals Marcel Reich-Ranicki het uitdrukt in 'Thomas Mann en de zijnen'. Ze werkte als actrice, kinderboekenschrijfster, uitgeefster en journaliste, maar faam maakte ze vooral als cabaretière binnen het legendarische gezelschap Die Pfeffermühle, dat ze samen leidde met Therese Giehse (met wie ze jarenlang een lesbische verhouding onderhield) en waarmee ze voor de oorlog door half Europa trok. Alcohol- en nicotineverslaving hadden een funeste uitwerking op haar gezondheid, en na de oorlog ging ze welhaast permanent gebukt onder slapeloosheid waardoor ze regelmatig in inrichtingen moest verblijven.

Het problematische karakter van Erika Mann (in veel opzichten verwant aan haar jong gestorven broer Klaus, en de tegenpool van de introverte Golo) is uiteraard door haar vader niet onopgemerkt gebleven. Vooral zijn late dagboeken spreken klare taal. In 1954 registreert hij haar 'geprikkeldheid, ziekelijk wantrouwen, voortdurend op haar qui-vive zijn, jaloezie, ja haat jegens broers en zusters'. Op een andere plaats maakt hij melding van Erika's 'hartstochtelijke lastigheid en hypochondrie' en zelfs haar 'turbulente eenzaamheid'. Erika op haar beurt wilde van geen kwaad woord over haar vader weten. Het beeld dat ze in interviews en artikelen van haar vader presenteerde was doorgaans sterk geïdealiseerd. Veel kritiek van de Thomas Mann-filologie kreeg Erika in de jaren zestig toen ze een driedelige briefuitgave van haar vader bezorgde en een aantal politieke uitglijders alsmede verwijzingen naar zijn homoseksuele geaardheid resoluut wegliet.

'Mijn vader, de tovenaar', vijf jaar geleden in het Duits verschenen, begint met de weergave van een lang radiogesprek uit 1968. Veel nieuws levert dit devote interview niet op. De ontoegankelijke, voor iedereen verboden werkruimte van Thomas Mann ('een soort geheiligde plaats, we hadden daar niets te zoeken') passeert weer eens de revue, en hetzelfde geldt voor zijn fameuze arbeidsethos: ,,Een leven zonder werk was gif voor hem, erger dan de dood''. Veel interessanter is de tweehonderd bladzijden beslaande briefwisseling tussen Erika en haar ouders, die aantoont dat Erika over een aanzienlijk epistolair talent beschikt alsook over een flinke dosis humor. Veel brieven zijn in een soort geheime familietaal geschreven zodat het notenapparaat uitsluitsel moet geven.

Na 1933, Hitler was nog maar kort aan de macht, kwam het tot een ernstig conflict tussen Thomas Mann en zijn dochter. Erika adviseerde hem dringend om zijn werk voortaan te laten verschijnen bij de emigrantenafdeling van Querido in Amsterdam, waar prominente Duitse auteurs als Alfred Döblin, Joseph Roth, Ernst Toller en Jakob Wassermann onderdak hadden gevonden, evenals Thomas' broer Heinrich en zijn zoon Klaus. Thomas Mann, druk in de weer met zijn vierdelige 'Joseph und seine Brüder', vreesde echter voor zijn afzetmarkt en bleef trouw aan zijn (nog getolereerde) Duitse uitgever Fischer -door Erika overigens weinig flatteus een 'slijmbal' en zelfs een 'kleurloze joodse zakenman' genoemd. Toen Thomas Mann zich vervolgens ook nog eens distantieerde van het door Klaus in Amsterdam uitgegeven ballingentijdschrift Die Sammlung en van het Parijse equivalent Das Neue Tage-Buch sprak Erika van een 'onverklaarbare houding'. Hij had zijn zoon en de emigratie 'in de rug aangevallen'. Op 19 januari 1936 schrijft Erika aan haar vader dat ,,je handelwijze me dermate treurig en afschuwelijk voorkomt dat het me moeilijk lijkt je in de naaste toekomst zelfs maar onder ogen te komen''.

Het duurde lang alvorens Thomas Mann zich publiekelijk distantieerde van het nationaal-socialisme. Pas toen de Neue Zürcher Zeitung in 1936 fel uithaalde naar de 'romanindustrie' van de geëmigreerde schrijvers, en deze afzette tegen de auteur van 'Buddenbrooks' en 'Der Zauberberg', werd het ook Mann te veel. Hij reageerde met zijn beroemd geworden Open Brief aan de Zwitserse krant, waarin hij zich nadrukkelijk uitsprak voor de emigranten en hun literatuur. Bovendien verklaarde hij in dit artikel onomwonden wat sinds 1933 zijn particuliere overtuiging was geweest, namelijk ,,dat van de huidige Duitse machthebbers niets goeds kan komen, voor Duitsland niet en voor de wereld niet''. Zijn breuk met Hitler en co was nu eindelijk een feit. ,,Dank, gefeliciteerd, gelukwens - kind E.'', telegrafeerde Erika.

Tot het ontroerendste wat Erika over haar vader heeft geschreven behoort ongetwijfeld het zestig bladzijden tellende bericht 'Het laatste jaar van mijn vader', een jaar na zijn dood geschreven. Erika vertelt onder meer over zijn laatste tournee door Duitsland, inclusief het bezoek aan de vaderstad Lübeck, en over zijn laatste visite aan Nederland, waar hij traditiegetrouw logeerde in het Noordwijkse Huis ter Duin. Mann hield in Amsterdam en Den Haag zijn Schiller-voordracht, kreeg een hoge onderscheiding, en werd door koningin Juliana op paleis Soestdijk ontvangen. Vanuit Nederland, werd de zieke Mann met spoed overgevlogen naar Zürich waar hij enkele weken later stierf aan trombose.

,,Vroeg men mij naar de belangrijkste trekken in het beeld van mijn vader uit die tijd'', zo stelt Erika, ,,dan aarzelde ik niet bescheidenheid, goedheid en humor als de meest essentiële te noemen.'' Vooral de bescheidenheid komt regelmatig terug in dit bericht. Volgens Erika was haar vader soms zelfs geïntimideerd door geleerden en intellectuelen. Om zijn bescheidenheid en twijfels aan zichzelf te illustreren citeert ze ergens een uitspraak van Mann die deze aan de bewonderde Anton Tsjechov ontleende, en die wat mij betreft tot de memorabelste zinnen uit het hele boek behoort: ,,Ontevredenheid met zichzelf vormt een basiselement van elk echt talent.''

De Nederlandse editie is een stuk beknopter dan de oorspronkelijke uitgave omdat Erika's gelegenheidsopstellen over haar vader, evenals de artikelen over de verfilmingen van zijn werk ontbreken. Integraal opgenomen is daarentegen het uitstekende nawoord van de Duitse bezorgers. Kleine vergissingen in het notenapparaat, zoals een verkeerd sterfjaar van Joseph Roth of een dito verwijzing naar de Oostenrijkse schrijver Alexander Lernet-Holenia, zijn niet echt storend. Over de vertaling kun je kort zijn: die is van Paul Beers, dus goed.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden