Erfgoed voor de heb

(\N) Beeld
(\N)

Bij de archeologische vindplaatsen van Irak staan geen bewakers. Achteloos crossen buitenlandse soldaten er overheen en, wat minder achteloos, graven dieven er gericht naar kostbaarheden. Alleen grotere welvaart voor de Irakezen kan de roof stoppen.

Willemijn Rinnooy Kan

Kort nadat een Brits-Amerikaanse invasiemacht in 2003 Irak veroverde, begon de grote plundering. Niets was veilig in de chaos die ontstond na de val van Saddam Hoessein: ziekenhuizen, ministeries, bedrijven, alles werd leeggeroofd. De nationale musea en archieven bleken een gewilde prooi, net als de 12.500 archeologische vindplaatsen in het land.

Toen de beelden van het leeggeroofde Bagdad Museum in het nieuws kwamen, sprongen kunstliefhebbers en media overal ter wereld op. Waarom zorgden de Amerikanen niet voor een fatsoenlijke beveiliging van de Iraakse kunstschatten? Waarom lag het internationaal erfgoed in de ’geboorteplaats van de beschaving’ voor het oprapen?

Na de eerste verontwaardiging werd het stil. Af en toe kwamen er verontrustende berichten naar buiten, bijvoorbeeld over Poolse soldaten die met hun rupsvoertuigen dwars over de opgravingen van de oude stad Babylon crossten en zandzakken vulden met archeologische scherven.

Nu en dan was er ook goed nieuws. Uit Bagdad, waar kunstschatten bij nader inzien al vóór de invasie in veiligheid bleken gebracht. En uit Syrië en Jordanië, waar een deel van de geroofde schatten werd teruggevonden. De afgelopen tijd zijn ze teruggezonden aan Irak.

Vorig jaar gaf het Amerikaanse ministerie van defensie een kaartspel uit voor de militairen in Irak, met informatie over belangrijke vindplaatsen. Die was hard nodig, blijkt uit recent onderzoek. Onder leiding van het British Museum bezocht een groep wetenschappers begin dit jaar acht archeologische vindplaatsen in Zuid-Irak, het eerste grote onderzoek ter plaatse sinds 2003. Bij twee opgravingen, Tell Lahm en Ur, bleken Amerikaanse soldaten er een rotzooi van te hebben gemaakt. Vooral in Ur, met zijn bijzondere, 4000 jaar oude graven, gingen militairen onbekommerd hun gang. De vindplaats lag bezaaid met blikjes en hamburgerverpakkingen.

De meest opmerkelijke ontdekking was echter dat vrijwel niets erop wijst dat de onderzochte vindplaatsen zijn leeggeroofd na de invasie van 2003. Alleen in Tell Lahm werden enige sporen van plundering gevonden. De Amerikaanse media trokken de conclusie dat het wel meeviel met de plunderingen in Irak en dus met de Amerikaanse verantwoordelijkheid. ’Hoezo, ’leeggeroofde vindplaatsen’?’, kopte de Wall Street Journal.

Maar de zaken liggen iets genuanceerder, benadrukken de wetenschappers zelf in een onlangs verschenen rapport. Hun onderzoek is niet representatief voor heel Irak. Vanwege de veiligheidssituatie konden zij de opgravingen slechts met een helikopter bereiken en ze waren voor hun bezoekjes afhankelijk van hun militaire begeleiders.

Internationale experts bevestigen dat het onderzoek geen goede afspiegeling vormt van de situatie. „Van drie van deze vindplaatsen wist men al dat er nauwelijks schade was”, zegt McGuire Gibson, een Amerikaanse hoogleraar in Mesopotamische archeologie. „De onderzochte plaatsen bevinden zich allemaal in hetzelfde gebied, juist de enige plek die echt goed gecontroleerd wordt.”

Professor Elizabeth Stone van de Stonybrook University in New York, erkent ook dat het recente onderzoek tekortkomingen heeft. Ze was zelf mee op de trip langs de acht opgravingen. „Natuurlijk was het beter geweest als we meer plekken hadden kunnen onderzoeken. Dat was nu niet mogelijk. Voor ons als onderzoekers was het heel bijzonder en belangrijk om eindelijk weer in Irak te zijn. Dat de uitkomsten op zo’n verkeerde manier gepolitiseerd raakten, was voor ons totaal onverwacht.”

Stone deed eerder onderzoek naar de situatie van Iraakse opgravingen en kwam tot harde conclusies. Die verschenen onlangs in Antiquity, een tijdschrift voor archeologie. Stone bestudeerde aan de hand van satellietbeelden 1949 vindplaatsen vlak na de Amerikaanse inval. Een derde bekeek ze enkele maanden later nogmaals. De uitkomst: archeologische vindplaatsen van alle maten en uit alle historische periodes werden in 2003 beroofd.

„De dieven weten heel goed waarnaar ze moeten zoeken. Ze graven voornamelijk naar kleitabletten, bewerkte cilinders en oude munten. De vindplaatsen van deze spullen zijn dan ook het meest beschadigd.”

Stone meent dat de plunderingen vlak na de inval op hun hoogtepunt waren, maar ze sluit niet uit dat er nog steeds op grote schaal geroofd wordt. Ook haar collega McGuire Gibson ziet daarvoor aanwijzingen. „In steden in de buurt van archeologische vindplaatsen staan busjes klaar. ’De vindplaatsen, de vindplaatsen’, schreeuwen de chauffeurs. Met water en brood, soms genoeg voor een week, springen gelukzoekers in de achterbak. De groepen bestaan uit 250 tot 300 mannen, die de hele dag gaten maken in de grond, op zoek naar hele cilinders, schalen en beeldjes voor handelaren.”

Aan het eind van de week, vertelt Gibson, worden de ongebroken vondsten voor 5 tot 50 dollar per stuk verkocht. Een schijntje vergeleken bij de prijs die een gaaf stuk op de internationale antiekmarkt kan opleveren. Gibson kent geen recente cijfers. „Maar in 2005 bracht een sluitzegel van een cilinder zeker 10.000 dollar op.”

De vindplaatsen worden over het algemeen niet bewaakt. Dat vormt hét probleem in Irak, legt Donny George uit. George, een Irakees, was tot 2006 hoofd van de nationale raad voor antiek en erfgoed in zijn vaderland. Nu woont hij in de VS, maar is nog altijd goed op de hoogte van de situatie in Irak. „Op lokaal niveau zijn stamhoofden aan de macht. In Noord-Irak zijn de mensen relatief rijk en geschoold, daar zijn minder problemen. Maar in Zuid-Irak hebben mensen vaak nauwelijks water om het land te bewerken. Hun stamhoofden laten roof daarom toe.”

Juist bij de stamhoofden ligt de oplossing, denkt de Nederlander Willem van Soldt, hoogleraar Assyriologie aan de Universiteit Leiden. „Op sommige plaatsen is voor de bescherming van de vindplaatsen samenwerking gezocht met lokale stammen. Zij ervaren het als een eer om eraan mee te werken en ze kunnen er geld mee verdienen.”

Zelf is hij bezig met projecten in Noord-Irak, waar al wordt samengewerkt met de lokale bevolking. Ook de overheid raakt meer betrokken. „Er zijn gesprekken met de ministeries van buitenlandse zaken en van onderwijs, cultuur en wetenschappen.” In de rest van Irak ziet hij het voorlopig nog niet gebeuren dat westerse archeologen er scholingsprojecten kunnen organiseren. „Daar is de veiligheidssituatie niet naar.”

Ook Gibson en George geloven niet in verbetering op korte termijn. Gibson: „Pas als Irak weer functioneert als staat, werkt de controle op vindplaatsen.” Volgens George verandert de situatie zodra de economische positie van burgers in Zuid-Irak verbetert. Vindplaatsen leegroven, wordt dan te onaantrekkelijk. „Het is verschrikkelijk zwaar werk en het levert nauwelijks wat op.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden