’Er zullen altijd kinderen door mishandeling sterven’

Pieter van Vollenhoven heeft een irreëel beeld van de jeugdzorg, denkt Wiel Janssen van Bureau Jeugdzorg in Amsterdam. Maar diens onderzoek kan wel helpen om misvattingen te ontzenuwen.

Hij hoorde het Pieter van Vollenhoven voor de televisie duidelijk zeggen. Het kan niet zo zijn, herhaalt hij de woorden van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, dat kinderen die aan jeugdzorg zijn toevertrouwd toch worden gedood door hun ouders. Wiel Janssen: „Een breed gehoorde misvatting: dat is namelijk wél zo en zal ook zo blijven.”

Janssen (54), directeur van Bureau Jeugdzorg in de stadsregio Amsterdam, vindt dat de afgelopen jaren een irreëel beeld is ontstaan van het werk van de organisaties die in Nederland de zorg voor kinderen op zich nemen. De uitlating van Van Vollenhoven, die dit jaar onderzoek doet naar de jeugdzorg, past in dit beeld.

Sinds 1999 is Janssen directeur van Bureau Jeugdzorg Amsterdam, dat jaarlijks 15.000 kinderen in behandeling krijgt, met 950 mensen: 800 betaalde, zo’n 150 vrijwilligers.

Hij was erbij, vlak voor Kerst, toen ruim duizend werkers in de jeugdzorg protesteerden tegen de strafrechtelijke vervolging van de gezinsvoogd, tegenwoordig aangeduid met de term ’jeugdbeschermer’, van de zwaar mishandelde peuter Savanna. Zij overleed terwijl de gezinsvoogd signalen over de mishandeling van het meisje niet oppikte. Jaarlijks sterven in Nederland naar schatting 50 kinderen door mishandeling. ’Niet wij vermoorden de kinderen, maar de ouders’, zeggen de jeugdbeschermers .

Maar die Utrechtse demonstratie was níet tegen het openbaar ministerie gericht, zegt Janssen: ook dat is een misvatting. „Het doel was: in debat gaan met politiek en media om duidelijk te maken dat de samenleving nooit gevrijwaard zal zijn van kinderen die door mishandeling gedood worden.”

Janssen beschrijft de realiteit van het werk van Bureau Jeugdzorg. „Het begint met bijvoorbeeld het consultatiebureau of de school die ons meldt dat het niet goed gaat met een kind. Wij gaan naar de ouders met wie bijna altijd iets is. Alcohol, drugs, een licht verstandelijke handicap of een psychiatrische stoornis. Je komt er thuis, je zet hulp in gang. Maar je bent er nooit 24 uur per dag: de kinderen lopen dus altijd risico.”

Irreëel, herhaalt Janssen, op de vraag of bij enig risico een kind niet beter af is in een pleeggezin. „Je kunt ouders die depressief zijn of die af en toe veel drinken, maar die dit ten opzichte van hun kinderen wel aantoonbaar kunnen hanteren, toch niet ontzeggen om kinderen op te voeden? Dat is onhaalbaar en onwenselijk. Ook ouders die een licht verstandelijke handicap hebben of drugs gebruiken, kunnen kinderen opvoeden.”

Bovendien: er zijn nu al te weinig internaten en pleeggezinnen om uit huis geplaatsten op te vangen, dus waar zouden al die kinderen heen moeten? Alleen als de kinderen gevaar lopen haal je ze weg, stelt hij. „Als het perspectief is dat de ouders jarenlang niet zullen herstellen, dan is het beter om de kinderen definitief aan de pleegouders toe te wijzen.”

Maar de overgrote meerderheid van de kinderen waarmee zijn Bureau Jeugdzorg te maken heeft, heeft wél perspectief op terugkeer en daar wordt rekening mee gehouden.

Hij beschrijft een andere reëele ’doorsnee zaak’. „Een buurman belt ons: er is slaande ruzie tussen een moeder en haar nieuwe vriend, de kinderen zijn getuige van huiselijk geweld. Zij worden met spoed uit huis gehaald en gaan naar een tijdelijke opvang in een pleeggezin. Wij gaan met de ouders aan de gang: moeder krijgt therapie, ze beëindigt haar relatie. Dan komt het moment dat je denkt: nu kan het wel weer. Dan gaan de kinderen terug, eerst de weekeinden wennen, dan weer helemaal.”

Na een half jaar belt de school, vervolgt Janssen: een van de kinderen uit het gezin heeft teruggetrokken vreemd gedrag. „We gaan weer met het gezin aan de slag. Als de ouder wérkelijk meewerkt gaat het makkelijk. Vaak is dat niet zo: dan moet de jeugdbeschermer druk uitoefenen, dreigen met uithuisplaatsing zelfs. Dan hoor je: moeder is zwanger van weer een ander vriendje. Zó gaat dit werk: kwakkelen, heen en terug met de kinderen, twijfelen: is het nog verantwoord om de kinderen thuis te laten? Want de kinderen zijn vaak toch behoorlijk gehecht aan de moeder, en de moeder houdt ook van het kind. Wanneer is de ondergrens bereikt?”

Dat is zeker het geval als een kind stelselmatig mishandeld wordt, geslagen, geschopt, geen eten krijgt, seksueel misbruikt wordt. „Dan is het evident, een gesprek volgt: dan gaan de kinderen weg. In zulke heldere zaken worden niet veel fouten gemaakt.”

Moeilijker is de ondergrens bij een kind dat de aansluiting met de maatschappij ernstig dreigt mis te lopen doordat het op school niet mee kan komen, rondhangt, uitvalt. „Kinderen die in een gezin zitten dat zelf zeer zwak in de maatschappij staat en die je ondanks een lichtere stoornis toch uit huis haalt omdat ze daar beter af zijn. Thuis kunnen zij zich niet tot een gelukkig mens ontwikkelen.”

Gruwelijke feiten over kinderen als peuter Savanna, die telkens weer de samenleving shockeren, geven een ander beeld van de jeugdzorg, erkent Janssen. „Dat zijn vreselijke incidenten, maar het gaat bij 95 procent van de kinderen die in aanraking met jeugdzorg komen, met vallen en opstaan, wél goed, dat hoor je nooit. We hebben het imago van de sector die altijd alles fout doet.”

Een gevolg is dat te weinig mensen een baan zoeken in de jeugdzorg. Alleen al in Amsterdam worden 20 nieuwe jeugdbeschermers gezocht. Met onvervulde vacatures neemt de werkdruk op de overgeblevenen toe.

Bij zijn Bureau Jeugdzorg vertrok het afgelopen jaar een op de vijf medewerkers. „We zijn voortdurend aan het werven. Het is zorgelijk, maar niet hopeloos. De arbeidsmarkt trekt ook weer aan, dat merken we.” De wachtlijsten in de jeugdzorg in Amsterdam zijn dit jaar ook verdwenen: met extra geld zijn extra mensen ingehuurd.

Dat het werk van jeugdbeschermers ook te zwaar is geworden door een groei van bureaucratische regels, vindt hij maar ten dele waar. „Ik denk wel dat er simpeler formulieren gebruikt kunnen worden en de wegen van de ene naar de andere instelling soms korter kunnen.”

Maar het is een misvatting dat een jeugdbeschermer niet achter een bureau hoort te zitten en aldoor bij de kinderen moet zijn. „Een kind volgen betekent telefoneren, rapporten binnenhalen, e-mails bekijken: dat ís het werk van de jeugdbeschermer. Natuurlijk moet je zo eens in de drie weken langs het gezin gaan. Dat gebeurt nu te weinig; dat moet veranderen. Maar ook als een gezinsvoogd minder kinderen heeft, blijft hij degene die hulp inschakelt en is hij niet de therapeut zelf.”

Janssen is ’niet ongelukkig’ met het onderzoek dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid dit jaar naar de jeugdzorg gaat doen. „Dat kan leiden tot interessante verbeteringen. En het zal bijdragen tot een reëler beeld van de jeugdzorg. Want Pieter van Vollenhoven kan niet anders dan concluderen dat, al heeft een jeugdbeschermer nog maar een paar kinderen om op toe te zien, het dan nog kan gebeuren dat een kind doodgaat.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden