Er zit muziek in het nu

In het tiende gesprek over denken en dichten buigt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer zich over ’Ook de vissen’, wederom een gedicht van K. Michel (1958). „Wat je hier beschreven ziet is niet Den Haag vandaag, maar Den Haag vroeger.”

’Je kunt het zo aan je kleinkinderen voorlezen”, zei de filosoof Theo de Boer twee weken geleden over het ’Het magerebrugwonder’ van de dichter K. Michel. Hierin staat een ik-figuur te wachten bij de Amsterdamse Magere Brug, samen met allerlei andere mensen. Ze zien niet hoe er een aak voorbijvaart, waaruit al het water van de Amstel opwelt. Tezeer in beslag genomen door gedachten en beslommeringen zien ze niet dat de bron van de rivier zomaar aan hen voorbijdrijft.

In het oeuvre van K. Michel stuit je op meer gedichten waarin water en kijken centraal staan, bijvoorbeeld ’Ook de vissen’.

Is dit ook een gedicht voor de kleinkinderen?

„Meer nog dan het vorige. Er komt geen moeilijk woord in voor. Ze zouden het enig vinden, dat die vijver zomaar omhoog komt en wat er dan allemaal te zien is. ’Kijk’, zouden ze roepen en elkaar aanstoten, net als de vissen.’’

Maar het kan voor de filosoof weer niet bij kijken blijven?

„Nee, want nadat er iemand ’kijk’ heeft geroepen, vullen de straten zich met ’ogen en geroezemoes’, met tekstballonnen dus. En denk nu niet dat het weer filosofen zijn die willen praten en denken. De mens is behalve een kijkdier, ook een taaldier. Zonder taal geen wereldbeeld. Ook dagbladen moeten het, zoals het woord al zegt, van het dagelijks geroezemoes hebben.’’

Voer dus voor filosofen én journalisten.

„Voor journalisten omdat ze verdieping willen. Voor filosofen omdat ze het diepe in willen, de vissen achterna. Aanleiding voor die sprong is hier meteen al de eerste regel. In deze waterstudie staat het mirakel niet aan het eind, zoals in ’Het magerebrugwonder’, maar in de eerste twee regels: de hofvijver wordt overeind gezet, niet op zijn kop maar op zijn kant.

Het wonder is minder groot dan in het eerste gedicht. Geen mystiek hier. Een toekomstige waterwerkbouwkundige zou het misschien technisch klaarspelen. En dan zou zelfs de regering belangstelling tonen, want dit is precies wat Nederland nodig heeft in de toekomst.

Een overeenkomst met ’Het magerebrugwonder’ is dat ook hier alles tot stilstand komt. Het hele verkeer stokt. Vergaderingen worden opgeschort en de mensen gaan de straat op.

De toestand doet denken aan het beroemde gedicht van Les Murray ’Een volstrekt gewone regenboog’. Daarin gebeurt iets wat iedereen verontrust behalve de kinderen: er is een man die huilt. Hier kijkt iedereen in de loodrecht oprijzende wand van water: ’een doorzichtige spiegel’. Het is geen spiegel waarin je jezelf ziet, maar een soort toverspiegel. Je kijkt erdoorheen en ziet de wereld anders. Het licht doorstraalt de diepte, en wat je ziet is het politieke bedrijf.’’

Er hangt inderdaad een politiek sfeertje om dit gedicht. ’Den Haag vandaag?’.

„Het is niet voor niets de Hofvijver op zijn kant, maar wat je ziet is niet Den Haag vandaag, maar Den Haag vroeger. De bewoners blikken ’diep in de tijd terug’. Weliswaar ziet iedereen wat anders maar het doet toch denken aan het Den Haag van de vorsten van weleer. In de derde strofe worden hun beslommeringen beschreven, en dat zijn heel andere dan die van de mensen voor de Magere Brug. Het gaat over een vorstelijk banket, jachtpartijen in de herfst, gesluierde naakte vrouwen, en ja ook over bestuur, over zegels en paperassen. Je hoeft geen republikein te zijn om hierin iets van de Oranjes te herkennen. Een oudgouden glans strijkt over de huizen.

Ik herinner nog even aan de twee typen mensen die de Brits-Amerikaanse dichter W.H. Auden onderscheidde: arcadiërs en utopisten. De eersten hebben een nostalgisch verlangen naar het Arcadia van het verleden, de anderen hunkeren naar een Utopia van de toekomst. De kijkers uit dit gedicht hebben een typisch arcadische blik: als de Hofvijver overeind zou komen te staan, rijst er voor hen een oud ’s-Gravenhage op.’’

Hagenaars kijken naar het verleden.

„Nee. Het is natuurlijk fout te denken dat zij allemaal reactionairen zijn. Je moet het zo zien: de mensen in Den Haag zijn luchtdieren zoals wij allemaal.’’

Luchtdieren?

„Luchtdieren zijn wezens die ademen. In zoverre zijn ze spiritueel, want spiritus moet je niet vertalen met ’geest’ maar met ’adem’. Mensen gaan dood in water, zoals vissen in lucht. Niettemin kunnen mensen heimwee hebben naar het oerwater. Eerder vertelde ik al eens over de gedichten die ik vroeger uit mijn hoofd leerde, als ik bij het Amsterdamse IJ stond te wachten op de pont. Een daarvan was ’De ballade van de vissen’ van Bert Decorte, waarin de prachtige, hier zeer toepasselijke regels staan:

Ach...ik, pover tweebenig karkas...

dat ik in ’t water maar een visje was.

Het verschil met andere dieren is dat vissen ook taal hebben, geroezemoes.

Als de Hagenaars naar de zee wandelen en als luchtmensen naar het water kijken, waartoe ze daar veel gelegenheid hebben, werpen ze een blik in hun evolutionair verleden – we zijn per slot allemaal uit het water gekropen. En dat ze dat uitzicht vertalen in politieke termen ligt voor de hand. Ze wonen tenslotte in de residentie. Het is Haags gedoe, maar van een vorige eeuw.’’

En de vissen?

„Precies, de vissen. Dat is andere taal. Wat zien die? Om de vissen te begrijpen, moeten we ons in hun situatie verplaatsen. Als water je medium is, kun je niet staan kijken om het maar simpel te zeggen. Daarom is het zo’n goed idee van de dichter om het hele zaakje omhoog te tillen, zodat de hofvijver een op z’n kant gezet aquarium wordt. Eindelijk kunnen de vissen ook eens ’uitkijken’ en ze doen dat uiteraard met een vissenblik: over ’de schubbenhuid van de daken’ zien ze naar bouwwerken vol water en ijs. Let vooral op de volgorde in dat blikveld. Ze kijken onmiskenbaar vooruit: daken, torens, paleizen, bomen, duinen en dan tot aan de einder en verder over de zee. Het is een uitdijende, progressieve verruiming van blik. Ze zouden dus volgens het dilemma van W. H. Auden utopische denkers zijn, de blik gericht op wat hen wacht in een wijkende horizon.

Maar in feite zien ze hun eigen bakermat, de plaats waar ze vandaan komen, de zee, de bron van alle leven en zeker van de vissen. Komen ze daar vandaan? Dat kun je eigenlijk niet zeggen, dat is taal van de luchtmens. Ze leven en blijven in de waterwereld leven, daarom was het mirakel van hun rechtstandige opstanding nodig. Ze kijken nu wel, maar nog steeds als vissen. Niet naar iets wat ze achter zich hebben gelaten. Ze reiken niet naar die oorsprong; ze zijn de oorsprong. Ze leven in het tijdsmoment– wat mensen zo lastig vinden. Ze leven in het nu.

Vissen zijn genetisch beschermd tegen luchtfietserij. Een vis kan nooit het water verlaten, op het droge gaat hij dood. Van je bronnen vervreemden – dat is iets voor een latere fase in de evolutie. Ik wil hier niet beweren dat ze in een ideale situatie leven. De zee is een wrede wereld. Zo wreed dat vissen vangen in de Bijbel als vissen redden beschreven wordt. Maar ons mensenprobleem, dat hebben ze niet. Spiritualiteit? Hoezo, spiritualiteit? Naar lucht happen?’’

U leest dit gedicht als een soort fabel?

„Via die vissenwereld kom ik iets over mensen te weten. En de belangrijkste les zit ook hier in het slot. De titel van het gedicht luidt: ’Ook de vissen’. Wat betekent dat ’ook’? Dat ze net als de mensen diep in de tijd terugkijken, wat altijd een terugdenken is? Ik ben geneigd dat ’ook’ op iets anders toe te passen.

Je vraagt je misschien af: hoe doen die vissen dat, leven in het nu? Is dat geen kaal nu? Vissen zingen, zoals bekend. Je kunt ze ook horen huilen als hun jongen geharpoeneerd worden. Luister naar ze! En dan lees je in de laatste strofe wat vissen óók zijn: prima dichters.

Door alliteratie en assonantie intensifiëren ze hun lege ervaring van het nu tot een vervuld nu. Er zit muziek in het nu. En omgekeerd zit er nu in de muziek. Van muziek geldt wat de dichter T.S. Eliot zegt: je hoort de muziek niet, you are the music. Voor de mensen is dit genade, voor de vissen natuur.’’

Maar als er bij de vissen vervulling en vervoering is, kennen zij dan ook zoiets als vervreemding?

„De vissen leven wel in hun element, als een vis in het water, maar laten we wel wezen, het is een hofvijver. De vissen zitten daar vanwege menselijke zegels en paperassen. Niet uit eigen vrije keuze; de vis is geen hofvis zoals een hofdame een hofdame is. Er gebeurt daar niets. Als ze al een krant hebben, is dat de krant van gisteren. Ja, er komt wel eens een ambtenaar langs om te mediteren, of om te menen dat hij moet mediteren. De vissen, kortom, leven daar in een wereld van gerimpel en gepimpel. Maar als ze opeens anders kunnen kijken, dan zien ze het schuimende, het woelende leven. Allemachtig, wat een verschil. Zij hoeven niet achteruit of vooruit te denken. Zij kijken, kijken, kijken en dan roepen ze: ’kijk’. Net als de kinderen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden