Er zit meer Beethoven in 'Leonore' dan in 'Fidelio'

Herhaling vanavond; tv-uitzending a.s. zondagmiddag om 13.00 uur op Ned. 3.

In het Holland Festival-magazine repte men dan ook over de originele 'Leonore', maar Gardiner sprak later over een versie, door hem naar eigen smaak samengesteld uit de diverse partituren. Uiteindelijk was de uitvoering, zoals die woensdagavond met groot succes gepresenteerd werd, voor het grootste gedeelte gebaseerd op de originele 1805-versie. Slechts enkele toevoegingen/verbeteringen uit 1806 had Gardiner ingevoegd zoals de gesproken woorden van Leonore tijdens de introductie tot haar grote aria, de magnifieke toevoeging van contrafagot tijdens het grafdelvers-duet en enige verfraaiingen in de zangpartij van Marzelline. Van de veranderingen uit 1814, de welbekende 'Fidelio', klonk geen noot.

Gardiner spreekt in het programmaboek over het uitproberen tijdens repetities van verschillende mogelijkheden. Muzikaal empirisme dus. Dat leidde tot het herinstalleren van het originele slot van de tweede akte, dat er in eerste instantie op papier (volgens Gardiner) bombastisch en bloedeloos uitzag. Dit muzikale nummer van Pizarro en zijn agenten kreeg van Gardiner het volle pond (tetterend koper en roffelende pauken); het effect werd versterkt doordat de mannen van het koor in twee rijen in de gangpaden stonden.

Want ja, dit was weer een semi-scènische uitvoering, net zoals de zeven legendarische Mozart-opera's die Gardiner in voorgaande Holland Festivals bracht. In het Concertgebouw werkte men nu met een heus belichtingsontwerp (donkerte voor het begin van de laatste akte) en stonden de zangers weer voor, achter of tussen het orkest. Er was zelfs een citaat uit Gardiners 'Don Giovanni'; net als de Commendatore indertijd verscheen ook Pizarro met een doodvonnis achter in de zaal.

Het statische vrijheidsdrama van Beethoven leent zich echter minder goed voor die semi-scènische behandeling dan de opera's van Mozart. Gardiner en regisseur Annabel Arden hadden de solisten alle dialogen ontnomen, waardoor hun acties nog statischer werden. Voor de voortgang en de duidelijkheid van het verhaal verscheen Beethoven zelf (in de persoon van acteur Johan Leysen) ten tonele. Die ingreep was niet helemaal geslaagd, maar als alternatief voor het vaak hopeloze getut met de zwakke dialogen, was er wat voor te zeggen. Naarmate het drama zich ontwikkelde, bemoeide Beethoven zich gelukkig steeds minder met de gang van zaken.

Muzikaal was deze 'Leonore' een enorme verbetering op de uitvoering die twee jaar geleden onder Arnold üstman in de Matinee op de vrije zaterdag te beluisteren viel (met precies dezelfde vrouwelijke solisten). Gardiner leverde klinkend bewijs voor de stelling dat 'Leonore' Beethoveniaanser is dan 'Fidelio'.

Direct vanaf de ouverture speelde het Orchestre Révolutionnaire et Romantique met spanning en heldere kleuren. De begeleiding van het kwartet in de eerste akte klonk ideaal: zachtzoemende alten en celli met op de achtergrond vier plukkende contrabassen (bespeeld door vier dames). Prachtige blazerspartijen waren er te horen. Marten Root speelde hemels op zijn traverso, de vier hoornisten schalden hun vreugde aan het slot jubelend uit en de hoboïst speelde in het recitatief voor het duet tussen Florestan en Leonore met hart en ziel die goddelijke passage die Beethoven later schrapte (onbegrijpelijk!).

Hillevi Martinpelto (Leonore) en Christiane Oelze (Marzelline) waren in topvorm. Martinpelto was in de eerste Mozart/Gardiner-opera al te horen ('Idomeneo') en Oelze in de laatste ('Die Zauberflöte'). De Zweedse sopraan had geen enkele moeite met de halsbrekende toeren die Beethoven zijn allereerste Leonore liet zingen (met name in de veel hogere ligging van het 'O namenlose Freude'-duet klonk zij fabelachtig mooi). Albert Bonnema haalde dat niveau net niet, maar zijn Florestan mocht er wezen. Jammer dat Gardiner het extatische slotdeel van Florestans grote aria uit 1814 niet had toegevoegd; Beethoven verbeterde zichzelf daar echt.

Grote verrassing evenwel was Matthew Best. Deze jonge bas-bariton zong met kernachtige, volumineuze stem de Scarpia-achtige rol van Pizarro. Een voortreffelijk voorbeeld van vocale typecasting. Prachtig ook Franz Hawlata (Rocco) en Toby Spence (Jaquino). Geert Smits mocht aan het slot opdraven voor de kleine rol van Don Fernando (in 'Fidelio' is de finale, èn deze partij veel uitgebreider); hij zong met autoriteit.

De mannen van het onvolprezen Monteverdi Choir zongen met z'n vijftienen het mooiste gevangenenkoor dat ik ooit hoorde. De frase 'Sprecht leise. . .wir sind belauscht mit Ohr und Blick' kreeg in de handen van Gardiner, orkest en koor fantastisch vleugels.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden