'Er zit geen schot in mijn leven'

,,Hoelang doe ik over het schrij ven van een gedicht? Dertig seconden, een minuut misschien. Veel dichters zeggen dat ze weken, maanden, jaren over een gedicht doen. Dat moeten ze wel zeggen, anders denken de mensen dat het niks kan wezen. Ik moet daar smakelijk om lachen.'' Een interview met Gerrit Komrij aan de vooravond van de presentatie van twee nieuwe bundels van zijn hand.

Onno Blom

Waar woont de Dichter des Vaderlands? In een hagelwit pallazzo in Vila Pouca, Niemandsdorp, diep in de Portugese binnenlanden. Bijna twintig jaar geleden besloten Gerrit Komrij en zijn geliefde, de beeldend kunstenaar Charles Hofman, Nederland te ontvluchten en zich in Portugal te vestigen. In de ogen van het publiek was Komrij toen op de top van zijn roem, een gevreesd criticus en een succesvol dichter, vertaler en toneelschrijver. Zijn toneelstuk Het chemisch huwelijk was net opgevoerd en juichend onthaald. Toch had Komrij het benauwde gevoel dat zijn leven in Amsterdam teloorging aan eeuwige feesten en partijen - die hij onmogelijk kan laten lopen als hij er lucht van krijgt. ,,Ik ben nu eenmaal een zwak tiep.''

Eigenlijk was Komrij van plan om nooit meer terug te keren naar Nederland. Dat heeft hij niet kunnen volhouden. Komrij zat - en zit - als schrijver met handen en voeten aan de Nederlandse taal gebonden. Het maakte hem, zowel in Nederland als in Portugal, een balling. 'Er is een land dat ik met pijn verliet / Er is een land dat ik met pijn bewoon,' luiden de eerste regels van het gedicht Contragewicht in zijn nieuwe dichtbundel Luchtspiegelingen. Vluchten is een illusie, weet Komrij nu. ,,Ik neem mijn eigen onrust en lamlendigheid overal mee naar toe. Maar het is een tragiek waar ik zeer vrolijk onder ben gebleven.''

Binnen hult Komrijs pallazzo zich in duisternis. In de brede hal klimmen trappen schijnbaar eindeloos omhoog. Als de ogen wennen aan het licht blijkt de bronzen kop van Adriaan Roland Holst door het trappenhuis te zweven, talloze schilderijen, en boeken, boeken, boeken. Ineens duikt het hoofd van Komrij op. Hij begroet me hartelijk en voert me onmiddellijk naar de keukentafel. ,,Vertel me alles.'' Komrij vindt het heerlijk om te roddelen, te horen hoe het is met al die verderfelijke Nederlandse schrijvers. ,,Roddelen is iets heel verwerpelijks, maar ik zou iedereen aanraden daar in stilte zoveel mogelijk aan toe te geven.'' Aan de lust tot roddelen heeft Komrij een essay gewijd in zijn nieuwe essaybundel Vreemd pakhuis. Hij gnuift en zegt plechtig: ,,Roddelen kan allerlei ziektes aan nieren en ingewanden voorkomen.''

Aan de keukentafel gaat de middag onmerkbaar over in de avond. Dan vraagt hij argwanend: ,,We hebben toch de tijd? We hoeven vandaag toch nog niet te werken?'' Komrij stelt alles graag uit - óók het schrijven. ,,Dat is natuurlijk wat ik in mijn schrijversleven tekort kom: dat ik geen tobber ben, of masochist. Ik flierefluit. Ik moet je eerlijk opbiechten dat innerlijke drang of noodzaak mij worst zal wezen. Ik moet mezelf voor het blok zetten, anders gebeurt er niets. De portée van mijn gedachtenwereld reikt niet verder dan die van een spreeuw of mus. Maar dat laat ik natuurlijk niet al te veel merken. Het is in het leven slim om je belangrijker voor te doen dan je bent. Dat brengt maatschappelijk voordeel.''

De volgende ochtend liggen de wolken nog te slapen in het dal. Ze raken bijna de rand van het terras, waar niet alleen een stervormige vijver schittert in de zon, maar ook van gigantische blokken steen een amphitheatertje is gebouwd. Komrij ziet me kijken. ,,Je denkt toch zeker niet dat ik mijn toga aantrek en daar ga staan declameren, hè?'' Een paar uur later heeft de zon de wolken doen verdampen. Komrijs werkkamer biedt een magistraal uitzicht op de Serra de Estrela, het gebergte van de sterren. Opnieuw vonkt het oog van de dichter van spot. ,,Ken je die cartoon van Kamagurka? Een man staat met zijn handen op zijn rug naar buiten te kijken en moppert: de natuur is prachtig, maar ze komt er bij mij niet in.''

Het grillige Portugese hooggebergte blijft een vreemd en overweldigend uitzicht voor de dichter die zich vorig jaar in Nederland tot Dichter des Vaderlands heeft laten kronen. ,,Er leven twee mensen in mij,'' zegt Komrij. ,,Een dichter, en een Dichter des Vaderlands. Dat zijn twee heel verschillende figuren.'' Toch kost het hem geen moeite ze beiden in stand te houden. ,,Hoelang doe ik over het schrijven van een gedicht? Dertig seconden, een minuut misschien. Veel dichters zeggen dat ze weken, maanden, jaren over een gedicht doen. Dat moeten ze wel zeggen, anders denken de mensen dat het niks kan wezen. Ik moet daar smakelijk om lachen. Er is geen verschil tussen mensen die moeilijk en makkelijk schrijven. Er is alleen een verschil tussen de dichters die het wel kunnen en die het niet kunnen. Zij kunnen tobben wat ze willen, ík doe het in dertig seconden.''

Als dichter heeft Komrij dus nog tijd genoeg om af en toe een wijsje te tokkelen bij rampen en feesten. ,,Rampen het liefst natuurlijk, dat dicht lekkerder.'' Toch neemt hij, alle ironie ten spijt, ook die gedichten serieus. ,,Wat is er mis met gelegenheidspoëzie? Dat is toch alle poëzie! Wat is het verschil met een gedicht dat in een literair tijdschrift staat omdat een redacteur drie keer per dag heeft opgebeld en gevraagd: wanneer krijgen we nu eens wat? Of als een dichter tot zijn schrik bemerkt dat hij snel nog iets moet maken, omdat hij anders zijn subsidie van het Fonds voor de Letteren misloopt? Dat noem ik ook allemaal gelegenheidsgedichten.''

,,En is het niet veel deftiger om bij een plechtige gelegenheid een dichter te vragen dan een blinde harpiste? Nou dan! Een dichter zégt tenminste nog wat! Als je mooi viool kunt spelen, is het toch ook heerlijk om in een café met je viool langs de tafeltjes te gaan? Dan speel je toch ook niet alleen maar viool voor de spiegel?'' Het is Komrij ditmaal ernst. ,,Ik wil in de poëzie samenhang aanbrengen, waar die daarvoor niet bestond, of chaos waar daarvoor alleen maar bedriegelijke samenhang bestond. Dat is nu eenmaal mijn artistieke temperament. Dat zou ik zelfs nog doen als de wereld was vergaan en er niemand was om naar me te luisteren, alle cafétafeltjes leeg waren en mijn viool stuk. Dan nog zou ik in mijn hoofd viool blijven spelen. Dat is gewoon omdat ik niks anders kan. Ik ben niet geschikt voor een stom beroep.''

Komrij aait met zijn hand over het notenhouten blad van zijn bureau, leunt voorover en kijkt me aan over de rand van zijn bril. ,,Toch hoor je wel eens politici over dichters zeggen: laat ze gewoon een baan nemen. Je zal toch een baan hebben als politicus! Dat is toch het allerergste, meest uitvreterige, parasitaire wat er bestaat! Je moet tegenover de eigendunk van een politicus als kunstenaar zelfbewust zijn en zeggen: wat jullie doen, is op zijn hoogst nuttig, vaak helemaal niet nuttig, maar wat kunst doet is een levensnoodzaak.''

Komrij kan zich ook ergeren aan zijn collega-dichters die de rol van de poëzie zelf onderschatten. ,,Ik zie niet in waarom dichters zichzelf zouden marginaliseren door op zolderkamers dingen te schrijven die alleen nog door hun naaste collega's worden begrepen. Ik zou dichters aanraden eens wat meer hun neus in de wind te steken. Iedereen wil toch gelezen worden? Ik mag dan wel in stilte werken, ik doe het ook niet voor de kat z'n kanarie. Daarmee bedoel ik niet dat de dichters op de knieën moeten voor de lezers. Integendeel: het moet poëzie blijven, kernachtig en adembenemend. Maar toon een beetje moed, zeg. Alsjeblieft.''

Hier klinkt de geest van tegenspraak die Komrijs werk beheerst. ,,Ik heb altijd heel erg de neiging als iemand iets zegt te roepen: ho, ho dat is precies andersom! Maar zo spreek ik mezelf ook toe.'' Komrij maakt een brede armzwaai naar het gebergte van de sterren. ,,Ook een soort vluchtgedrag.'' Hij zwijgt even. ,,Naast die twee kemphanen beschik ik ook nog over een derde instantie. Die levert cynisch commentaar en maakt de balans op. Ik ben dus geen gespleten persoonlijkheid, maar getripartiseerd - zullen we dat woord hier maar even uitvinden? Ik ben drie dikke vrienden. Toch heb ik nooit van mijn leven een psychiater gezien.''

Komrij hikt van het lachen. ,,Ik was een nakomertje, ik was alleen, daar komt het door. Ik kende geen verbroedering en had geen vriendjes. Dan móet je wel overal tegen zijn. Ik had al jong de neiging wild met mijn armen om me heen te gaan zwaaien. Uit mijn jeugd heb ik de Achterhoekse mentaliteit meegekregen: dit heeft net onze goedkeuring! En dat krijg ik er niet meer uit. Ik kán heel gelukkig zijn als ik het ergens mee eens ben. Maar dat duurt nooit lang. Er zit in mijn leven geen ontwikkeling en geen schot. Het is altijd hetzelfde. Daarom zorg ik dat ik voortdurend een andere schietschijf heb. Net als op de kermis. Als een papier is afgeknald, komt er een nieuw naar voren.''

Het beeld van de schietschijf is raak. Komrij schoot in het verleden al heel wat reputaties aan flarden. Als schietschijf fungeerden televisiemakers, architecten, schrijvers als J. Bernlef ('een oeuvre van een kilo gebouwd op de vondst van een ons') en literatuurprofessor Teun A. van Dijk die in Komrij de schrijver van een racistisch pamflet dacht te ontwaren. 'Ach, die Teuntje toch.' De laatste tijd lijkt het bedrieglijk stil in Komrijs schiettent. In de Volkskrant werd hij laatst zelfs een 'milde, ouwe opa' genoemd.

,,Ik denk dat dat een opmerking is van iemand die vindt dat ik de kastanjes voor hem uit het vuur moet halen. Omdat hij het zelf niet durft,'' zegt Komrij rustig. ,,Misschien ben ik iets minder agressief geworden. Misschien zie ik nu meer de vrolijke, absurde kant van de dingen. Dat komt ook door de afstand die ik van Nederland heb kunnen nemen. Ik hoef niet meer zo te trappen, nu ik er niet meer tussen woon. Met mildheid heeft dat niets te maken.''

Maar raakt Komrij dan niet ingekapseld? Wordt hij niet door zijn vroegere vijanden van het establishment doodgeknuffeld? Vorig jaar nog kreeg hij een eredoctoraat van de Universiteit van Leiden. En als Dichter des Vaderlands treedt hij wel eens op in het bijzijn van koningin Beatrix, over wie hij vroeger nog zo vrolijk schreef dat zij een 'bolle toet' had. Komrij heft zijn handen ten hemel. ,,Dat ik in haar aanwezigheid optreed, maakt de toet van Beatrix toch niet minder bol! Ik geef toch altijd nog minder handjes aan de koningin dan Paul Rosenmöller. Kom nou! Dat is gewoon jaloezie. Nu ik eenmaal wordt overladen met ongevraagde eerbewijzen zou ik mijn ziel hebben verkocht. Dat is natuurlijk onzin. Dan kennen de mensen me heel slecht.''

Komrij vraagt zich hardop af: ,,moet ik hier wel op reageren? Het heeft niet veel zin. Ik heb het opgegeven kloppend en bonzend door de wand van mijn imago te breken. Nee, ik denk dat het goed is er een schepje op te gooien. Daarom verklaar ik bij deze, schrijf op, dat ik van plan ben nog veel meer literaire prijzen in ontvangst te nemen, nu eindelijk verzoeken om in jury's te gaan zitten ga accepteren. Noteer dat ik van plan ben twee keer per week met de koningin te ontbijten. En het dan alleen over poëzie te hebben. Zo goed?''

Nu de Nederlandse koninklijke familie eenmaal ter sprake is gekomen, is het de hoogste tijd om de werkkamer weer te verlaten. ,,Straks ga je me nog vragen wat ik van Willem-Alexander en Máxima vind.'' Via het trappenhuis gaat het naar de bibliotheek. Daar groeien de boeken in schitterende houten kasten tot aan het plafond. Er is een afdeling negentiende eeuw, een afdeling erotica, een afdeling Franse, Duitse en Engelse literatuur, bibliofiele boeken, boeken over de ballonvaart, boeken over boeken. ,,Hebt u dat nou allemaal gelezen?'', roept Komrij naar het plafond. ,,Nou mevrouw, ik loop elk jaar even alle ruggetjes langs.''

De ironische glimlach om Komrijs lippen kan niet verhelen dat naar de boeken zijn ware liefde uitgaat. ,,Boeken hebben bij mij nooit de associatie gewekt van stoffigheid, maar juist een fascinatie voor de bezwerende, magische kracht die van ze uitgaat. Ik kan dagenlang bezig zijn met het ordenen van boeken in de kast, een onnaspeurbare orde aan te brengen. Als zo'n plank goed staat, netjes neergezet, heb ik ook die hele plank gelezen.''

De liefde voor de suggestieve kracht van boeken zat er bij Komrij al vroeg in. In het gedicht Fietstocht in Luchtspiegelingen gaat een jongetje op de fiets naar de jeugdleeszaal. Het jongetje komt met een brede lach en een tas vol boeken naar buiten en gist, al fietsend op de terugweg, naar de inhoud. 'Toch geselde ik vervaarlijk het pedaal / Om sneller thuis te zijn, omdat ik wist: / Het boek is beter dan de fantasie.' Komrij peinst even. ,,Dat leidt als vanzelf naar de vraag waar ik niet uit kom, en waar ik ook niet hoor uit te komen: wat is belangrijker, literatuur of leven? Ik denk dat de literatuur oneindig veel belangrijker is dan het leven. Tegelijkertijd vind ik het leven oneindig veel belangrijker dan de literatuur. Mensen vinden het gek dat ik niet kies, maar ik vind het gek dat ik moet kiezen.''

Het verzet tegen de keuze tekent zich af op de overvolle planken van Komrijs bibliotheek. ,,Je noemt het hebberigheid,'' zegt Komrij vermanend, ,,maar het is natuurlijk een dure culturele plicht.'' Gefascineerd is Komrij door het handjevol negentiendeeeuwse Amerikanen dat de illusie had één exemplaar van elk boek dat in de wereld ooit was verschenen te bezitten. ,,Stel je dat eens voor! Die gekken zijn bij acht, of negen miljoen boeken geëindigd. En toen hadden ze nog geen fractie bij elkaar. Fascinerend! Ze kochten steeds grotere huizen om al die onuitgepakte dozen te kunnen neerzetten. Daar liepen ze dan langs en dachten: o ja, dat is Frankrijk 1874, en dat Engeland 1872. Te lopen door labyrinten van niet-bestaande boeken die je tóch hebt gekocht - dat heeft een ongelofelijke aantrekkingskracht op mij. Dus ik ben blij dat mijn financiële middelen zeer beperkt zijn.''

Toch zijn het juist de voorkeuren, de uitverkoren onderwerpen in zijn bibliotheek die de ziel van de schrijver spiegelen. ,,Samen vormen mijn boeken een ideaal. Het is dan ook heerlijk een schrijver voor wie ik ineens een enorme weerzin voel, eruit te gooien. Toen ik naar Portugal verhuisde, heb ik om te beginnen maar eens de hele Nederlandse literatuur op straat gedonderd.'' Omdat een bibliotheek zo'n mooi portret van iemand kan geven, leest Komrij alle catalogi van antiquaren die hij te pakken kan krijgen. Vooral als ze de bibliotheken van schrijvers bevatten. ,,Sommige grote schrijvers bleken te beschikken over een onbenullige bibliotheek. Ik hoop als onbenullige schrijver postuum indruk te maken met mijn naar de sterren mikkende bibliotheek.''

De deur van de bibliotheek sluit zich. ,,Het werk is gedaan,'' verzucht Komrij. Binnen en buiten is het donker geworden. De dichter, zijn bibliotheek en het gebergte van de sterren zijn door het heelal opgeslokt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden