Er zit een eeuwige onrust in mijn lijf

interview | sportjournalist | Kees Jansma (Amsterdam, 1947) is presentator bij Fox Sports, producent, oud-chef van Studio Sport en voormalig perschef van het Nederlands voetbalelftal. Deze maand verscheen 'Terug naar Hilversum', een openhartig boek over zijn loopbaan in de sportjournalistiek.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

"Toen ik als verslaggever voor Trouw ging werken - mijn eerste baantje in de sportjournalistiek - en bij de hoofdredacteur, Sieuwert Bruins Slot, op gesprek moest komen, vroeg hij: 'Bent u gelovig?' Ik zei: 'Nee, helemaal niet'. Waarop hij wilde weten of ik mij dan wel eens afvroeg of er 'iets' was. 'Doorlopend', antwoordde ik, 'maar ik kom nooit verder dan de conclusie dat er niets kan zijn'. 'Is dat niet een tikje armoedig, meneer Jansma?', vroeg Bruins Slot. 'Nee', zei ik, 'zolang ik erover blijf nadenken is het niet armoedig'. Ik denk dat het hem in zekere zin wel goed uitkwam dat ik niet gelovig was, ik was immers ingehuurd om de zondagsport te verslaan en dat kon je van een kerkganger niet verlangen. Overigens schalde Bert Klei (journalist, columnist, overleden in 2008, AV), een buitengewoon prettige, geestige man, vaak over de afdeling dat hij liever met niet-gelovigen werkte dan 'met al die half-gelovigen die hier om mij heen verzameld zijn!"

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

"Voetbal is mijn werk, mijn passie. Ik ben ermee opgegroeid, ik ben ermee vérgroeid, maar je zult mij niet op kampioensfeesten zien en er komen bij mij thuis geen vrienden uit de sportwereld over de vloer. Ik laat me nergens op voorstaan, ik wil niet doorlopend met iedereen worden gezien en dat hele gedoe over, bijvoorbeeld, de 'godenzonen' van Ajax of Johan Cruijff, JC, als de 'Verlosser' is aan mij niet besteed. Ik ben wars van verafgoding. De schoonheid van sport kan me ontroeren, maar als het over de sporters zelf gaat ben ik niet zo'n dweper."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

"Je wil niet weten hoe vaak ik me al heb uitgesproken tegen die verschrikkelijke spreekkoren tijdens voetbalwedstrijden, hoe vaak ik niet onder luid applaus de zaal verliet nadat ik op supporters-avonden iedereen weer eens bestraffend had toegesproken - maar het helpt niets. Laatst, toen PSV landskampioen werd, opende het NOS Journaal met een reportage vanuit Eindhoven waar je de feestende menigte 'Wie niet springt is een jood' hoorde scanderen. Niemand die er iets over zei. Dat hele gedoe met 020 en 010, die afschuwelijke taferelen in de stadions... Waar komt die haat toch vandaan? Er zijn mensen die zeggen: laat die jongens daar lekker te keer gaan, dan gebeurt het elders in ieder geval niet. Los van het feit dat ik betwijfel of ze daar gelijk in hebben, vind ik het vooral zo onbeschaafd allemaal. Vloeken, schelden, tieren. Zo zouden we niet met elkaar om moeten willen gaan."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

"Als ik niks te doen heb, word ik onrustig. Daarom heb ik weer een boek geschreven: bezig blijven, dingen van me afschrijven. Ik kán ook niet rustig op mijn krent gaan zitten omdat ik nog een jong gezin, met een zoon van elf en een van dertien, aandacht moet geven... Je hebt gelijk: misschien is het andersom en heb ik dat jonge gezin juist omdat ik niet op mijn krent wil zitten. Ik weet het niet. Wat me nu vooral bezighoudt is de gedachte dat ik er niet lang genoeg voor die jongens zal kunnen zijn. Ze kunnen nog niet zonder mijn inbreng, maar het zal toch gaan gebeuren. De oudste zegt dan: 'Pap, je wordt hartstikke oud, net als opa'. Misschien heeft hij gelijk, maar toch, mijn angst wordt er niet minder door."

V Eer uw vader en uw moeder

"Mijn vader en moeder waren altijd bezorgd of het met mij wel goed zou komen. Ik leefde er maar op los, ik was niet gedisciplineerd, ik deed aan een sport waar ik nooit een uitblinker in zou worden. 'Hoe moet het nou met Keesje?' Zo'n verkleinwoord dat moest aangeven hoe diep de bezorgdheid en de liefde zaten, het irriteerde me mateloos. Mijn broer en zus waren talentvol, ze konden samen prachtig quatremains spelen op de piano, maar ik behoorde duidelijk niet tot de categorie mensen die op basis van hun kwaliteiten iets zou bereiken in dit leven. Ik moest vooral volhouden, dingen aanpakken die anderen zouden hebben laten liggen.

Ik kan blijven beweren dat het niet zo uitzonderlijk is wat ik presteer, maar het is onmiskenbaar zo dat ik in de ogen van veel mensen een heel eind ben gekomen. Ik denk dat mijn ouders uiteindelijk net zo trots op mij zijn geweest als op mijn broer en zus. Mijn vader zeker, al sprak hij dat nooit zo letterlijk uit.

Als klein jongetje ging ik, als enige van de drie kinderen, altijd met hem naar het sportveld. Hij was een selfmade man, iemand die overal verstand van had. En een echte Jansma: dominant, Godfather, een opperhoofd. Los van het feit dat ik heel veel om hem gaf, en geef, keek ik ook wel tegen hem op. Ik kon op alle terreinen goed communiceren met mijn vader; we hadden een natuurlijke klik. Met mijn moeder lag dat anders. Ze zag het als haar voornaamste, zeer belangrijke bezigheid om het gezin bij elkaar te houden en dat heeft ze met ongelooflijk veel overgave gedaan. Dat leidde er niet toe dat ik veel gesprekken over haar leven, over haar problemen, heb gevoerd. Pas toen mijn vader doodging, realiseerde ik me dat ik mijn moeder wat dat betreft ernstig tekort heb gedaan. Ik weet niet of zij dat ook zo heeft ervaren... Ze kon erg goed met mijn zusje overweg, en verder leefde ze voornamelijk voor haar man. Alles draaide om Jan. Ik geloof niet dat de uitstekende band die ik met hem had bedreigend voor haar was. Ze zat er vaak bij als mijn vader en ik met elkaar spraken en soms mengde ze zich in onze gesprekken.

Ze kon erg principieel zijn, vooral... nu komen we bij een lastig hoofdstuk... wat de relaties van haar kinderen betrof. Mijn broer is gescheiden, mijn zus had meerdere relaties voordat zij uiteindelijk gelukkig trouwde en ik ben drie keer getrouwd. Dat vond zij, nee, dat vonden zij beiden onbegrijpelijk. Ze zijn zelf vijfenzestig jaar getrouwd geweest. Elk lustrum werd groots gevierd. Hun zestigjarig huwelijksfeest vierden we in The Grand in Amsterdam. We zaten met z'n allen beneden te wachten op de komst van mijn moeder. Toen ze bovenaan de trap verscheen, stootte mijn vader me aan en zei: 'Wat is ze mooi hè?' Dat ontroert me nog, weet je dat? Bij ons is het helemaal anders gegaan. Ik voel me daar schuldig over. Toen mijn eerste huwelijk op de klippen liep, zei mijn vader: 'Je dacht toch niet dat ik, in mijn leven, nooit de kans had gehad om iets anders te willen dan je moeder?' Hij kon het zo moeilijk verdragen dat ik haar, zoals hij zei, voor een ander in de steek liet. 'Je kunt die uitdagingen toch ook negeren, jongen?' Toen ik voor de derde keer trouwde wilde hij niet op de bruiloft komen. Gelukkig heeft mijn moeder hem toch weten om te praten, maar het was volkomen duidelijk hoe hij erover dacht. Mijn vader bleef alle exen, ook die van mijn broer en zus, voor elk partijtje uitnodigen. 'Dat jullie gaan scheiden, wil toch niet zeggen dat ik die mensen ook nooit meer kan zien?'

Ik denk nog vaak aan mijn ouders. Mijn vaders dood zagen we aankomen. Hij had een aneurysma waar hij, op zijn 87ste, terecht niet meer aan geopereerd wilde worden. Hij woonde niet ver bij mij vandaan, dus toen de boel in februari 2007 uiteindelijk knapte, kon ik heel snel bij hem zijn. Voor mijn moeder is daarna een moeilijke tijd aangebroken. De grootste klap kwam in 2012, toen haar dochter, mijn zus Anouk, overleed. Mijn moeder ging dementeren. Ze belde ons iedere dag om te vragen waar Anouk was, wanneer Anouk nou eindelijk weer eens langs zou komen. Hartverscheurend. Verschrikkelijk. Ik had ook geen idee hoe ik met mijn dementerende moeder moest omgaan... Ik had er geen geduld voor, ik wist niet hoe ik moest reageren, hoe ik haar kon steunen. Eigenlijk was ik haar al helemaal kwijt, toen ik, twee dagen voor haar dood, op een woensdagmiddag, toch ineens nog een goed en helder gesprek met haar kon voeren. Dat was heel troostrijk, of zo... tja. Nu weet ik weer waarom ik je gisteravond had willen afzeggen - het wordt zo zwaar allemaal. Ik hoop dat je niet gaat denken dat ik iedere keer begin te huilen als mijn ouders ter sprake komen."

VI Gij zult niet doodslaan

"Ik ben een vredelievende, twijfelende sukkel; het is uitgesloten dat ik een ander dood zou slaan. Met woorden kan ik veel agressiever zijn, al ben ik de woede-aanval waar een ander behoorlijk lang last van blijft houden zelf meteen erna weer vergeten. Het hoort bij mijn ingewikkelde karakter: aardig-onaardig, zwart-wit... Gelukkig ben ik een stuk milder geworden. Dat mag ook wel, zo langzamerhand."

VII Gij zult niet echtbreken

"Het is misschien wel te makkelijk om te beweren dat al dat harde werken mij een huwelijk heeft gekost. Iemand, ik weet niet meer wie, heeft eens gezegd dat televisieprogramma's presenteren karakterbedervend werkt. Dat is zo. Je legt makkelijker contacten, je wordt gewaardeerd omdat je bekend bent - daar weerstand aan bieden is niet mijn sterkste eigenschap gebleken. Mijn eerste vrouw koos voor het gezin, ik koos voor mijn carrière. Ik kwam in een andere wereld, in andere sferen terecht. Ik vond het erg interessant om iedereen te ontmoeten en te leren kennen... afijn, het is dus twee keer misgegaan. Zullen we het daar maar bij laten? Ik heb mensen pijn gedaan, niet alleen de vrouwen in mijn leven, maar ook mijn ouders die toch duidelijk het goede voorbeeld hadden gegeven... al heb ik ook wel eens gedacht dat hun voorbeeldige huwelijk, onbewust, juist de oorzaak van al die scheidingen is geweest; misschien hebben we ons willen afzetten tegen de ouderlijke kracht. Niet macht, maar kracht. Jan en Nel waren twee zeer krachtige persoonlijkheden."

VIII Gij zult niet stelen

"Mag ik het wat ruimer trekken? Ik begrijp helemaal niets van hebzucht, van mensen die al heel veel hebben maar dan toch - via een of andere ingewikkelde constructie - proberen de belastingen te ontduiken om zo nóg meer te krijgen. Als je één hebt, waarom wil je dan twee? Of drie? Ik ben erg blij met wat ik bezit, maar als welstand zou betekenen dat je je ook meteen asociaal moet gaan gedragen, dan lever ik het liefst alles vandaag nog in.

Ik heb makkelijk praten, ja, dat krijg ik vaker te horen. Laatst vroeg mijn zoon van dertien: 'Hee pap, ik weet hoe erg je het vindt voor al die vluchtelingen enzo, maar wat zou je ervan vinden als een paar van die mensen in ons tuinhuis komen wonen?' Ik kan spontaan roepen dat het geen probleem zou zijn, maar dat is geen eerlijk antwoord. Want: wie komt er dan? En voor hoe lang? Het is ingewikkeld... Ik zou zelf in ieder geval niet het initiatief nemen, dat is waar. Gelukkig hebben we hier in Doorn een goede burgemeester die voor het lokale asielzoekerscentrum uitstekend werk verricht, ik lever financieel mijn bijdrage voor het een en ander en de felheid waarmee ik me verbaal inzet voor allochtonen in Nederland getuigt toch ook van - schuldgevoel? Ja, meneer Visser, het moge duidelijk zijn dat schuldgevoel helaas als een rode draad door mijn leven loopt. Ik heb het goed, maar ik wil ook goed dóen. Soms te fanatiek en lang niet altijd heel verstandig wil ik vooral laten zien dat ik een goed mens ben."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

"Fantaseren, overdrijven en uitvergroten hóren bij de sportjournalistiek, maar ik heb in de afgelopen vijftig jaar de nuance wel behoorlijk uit de verslaggeving zien verdwijnen. Ik word met enige regelmaat gebeld door redacties van praatprogramma's die mijn mening over het een of ander willen weten. Zo'n redacteur luistert een tijdje ongeduldig naar me, zegt dan: 'Fijn, dank u wel' en vervolgens hoor ik niets meer. Diezelfde avond zit er een geachte collega in de talkshow die met een zwart-witte mening komt waar iemand anders weer boos op mag reageren omdat er helemaal niets van klopt.

Het is allemaal entertainment tegenwoordig. Zo noemt Johan Derksen zijn bijdragen aan de vaderlandse televisie ook. Soms roept hij dingen over mij die niet waar, of halfbakken zijn. Ik kan daar meestal wel om lachen - zelfspot is de Jansma's niet vreemd - maar dat komt vooral doordat ik weet dat Derksen privé heel anders in elkaar steekt. We kennen elkaar al erg lang. We hebben tien jaar lang, dag en nacht, samengewerkt. Toen zijn vrouw plotseling overleed, was ik heel dicht bij hem in de buurt. Ik koester die intieme momenten. Goeie vent, aardige vent, maar als ik hem op tv zie, denk ik vaak: toch jammer dat dit, het publiekelijk beschadigen van mensen, óók een karaktertrekje van je is."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

"Het gras is elders altijd groener - dat gezegde kleeft een beetje aan mij. Het is geen jaloezie, eerder de overtuiging dat het niet goed genoeg is wat ik doe. Er zit een eeuwige onrust in mijn lijf. Ik ben altijd op zoek naar iets mooiers, iets beters, iets anders dan wat ik iedere dag al krijg voorgeschoteld."

'Iemand, ik weet niet meer wie, heeft eens gezegd dat televisieprogramma's presenteren karakterbedervend werkt. Dat is zo.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden