Er zijn te weinig vrouwen aan zet

Het moet maar eens afgelopen zijn met het vooroordeel dat vrouwen niet kunnen schaken. Decennia lang werd dat oordeel gestaafd door een gebrek aan vrouwelijk toptalent in de door mannen gedomineerde schaakwereld. Maar sinds voormalig wonderkind Judit Polgar in 1991 op vijftienjarige leeftijd de jongste grootmeester ooit werd en zich tot een schaakster van wereldklasse ontwikkelde, verstomde de kreet. Hoe vanzelfsprekend is het eigenlijk dat vrouwen minder zijn in aantal? En is minder ook minder goed?

De tentoonstelling 'Dame aan zet' in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag levert het bewijs dat de scheve man-vrouw-verhouding in de schaaksport iets is van de laatste eeuwen. Een zorgvuldig opgebouwde selectie van boeken, affiches, reclames, kunstuitingen en oude schaakborden geeft een beknopt maar mooi overzicht van vrouwen en schaken door de eeuwen heen. En wat blijkt? Historisch gezien is het helemaal niet normaal dat vrouwen weinig schaken. In verhalen van Duizend-en-één-nacht komen regelmatig schakende vrouwen voor en die speelden als de besten, al leidde hun schoonheid tegenstanders nogal eens af van het spel. De Griekse Amazonenprinses Abrîza bijvoorbeeld daagde koningszoon Sharkân uit voor een schaakwedstrijd, na hem eerst al op allerlei andere fronten te hebben verslagen. De verliefde prins had meer oog voor haar dan voor het spel en verloor vijf maal achtereen, waarop hij moedeloos uitriep: ,,Hoe kan het ook anders als iemand met jou speelt?'

Er is zelfs een strategie, waarbij twee torens geslachtofferd worden, naar een vrouw vernoemd: het mat van Dilârâm. De grootvizier van Bagdad vergokte zijn hele vermogen bij een potje schaak. Wanhopig zette hij bij een volgende partij zijn lievelingsvrouw, Dilârâm, in. Toen hij opnieuw dreigde te verliezen, fluisterde zij hem de verlossende combinatie in: ,,Offer je torens en red je vrouw.'

Daarnaast leverden onderzoekers wetenschappelijk bewijs. Zij ontdekten een heel genre in de hoofse literatuur waarin de liefde gesymboliseerd wordt door het schaakspel. En de schilderkunst bracht eveneens op schaken geënte kunstwerken voort met peinzende vrouwen. Aan de adellijke hoven schaakten mannen én vrouwen. De huidige vrouwelijke minderheid, díe is bijzonder zegt socioloog Hans Scholten, die in 1999 promoveerde op het proefschrift 'Het loopt ongenadiglijk mat. Het schaakleven in Nederland in de negentiende eeuw'. ,,Dat vrouwen minder schaken, is het gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen. In de Middeleeuwen schaakten mannen en vrouwen evenveel en vooral met elkaar. Het was een ideale manier om elkaar in afzondering te ontmoeten.'

Van de daaropvolgende eeuwen is weinig bekend. Koninklijke figuren als Catharina de Grote en Elisabeth I waren liefhebbers van het spel en er is een partij overgeleverd die ene madame de Rémusat tegen Napoleon zou hebben gespeeld. Maar pas in de negentiende en twintigste eeuw doen de vrouwen weer van zich spreken. Prachtige foto's tonen keurig gekapte, statige vrouwen die op 22 juni 1897 in Londen het eerste internationale vrouwentoernooi speelden. In de jaren dertig van de twintigste eeuw leverde Vera Mencik (geboren 1906 in Moskou) als eerste vrouw het bewijs de strijd met mannen aan te kunnen. ,,Zij was een fenomeen, hoewel ze in echt sterke toernooien toch meestal laag eindigde', zegt Hans Bouwmeester, de schaker die in de jaren zeventig als eerste trainingen verzorgde. ,,Later kregen we in Nederland Fenny Heemskerk. Zij speelde op het niveau van een redelijke hoofdklasser, maar maakte bij de dames furore.'

Vervolg op pagina 13

Vervolg van pagina 11

Hoewel de anekdotes van de tentoonstelling illustreren dat vrouwen al lang meespelen, geven Scholten en Bouwmeester aan hoe langzaam het vrouwenschaak op gang kwam. En hedendaagse cijfers geven een minder romantisch beeld. In 1999 was van de 27105 leden van de Koninklijke Nederlandse Schaakbond (KNSB) slechts vijf procent vrouw. Hoe komt dat? ,,Vrouwen neigen er naar zich met betekenisvolle activiteiten bezig te houden', opperde Jan Timman, in navolging van oud-wereldkampioen Max Euwe die in 1946 iets soortgelijks antwoordde. Beide heren hielden zich met die opmerking beschaafd op de vlakte. Collega's oordeelden soms veel harder, tonen vele handgeschreven briefjes en boeken van verscheidene beroemde schakers in de vitrines. Legendarisch is bijvoorbeeld de stelling van grootmeester Jan Hein Donner dat vrouwen überhaupt niets kunnen en dus ook hun schaakpogingen bij voorbaat hopeloos zijn. Gari Kasparov omzeilde een analyse met de opmerking dat het gebrek aan schakende vrouwen ,,een feit van het leven is, elke gedetailleerde verklaring maakt teveel mensen ongelukkig'.

De meest voor de hand liggende verklaring, die Scholten ook noemt, luidt dat vrouwen in de negentiende eeuw als chef huishouding geen tijd hadden om zich de sport eigen te maken en amper deelnamen aan het openbare (verenigings) leven. Gevoegd bij de vrouwelijke opvoeding tot verzorgster groeide uit die gewoonte een rolmodel, waaraan in volgende decennia werd vastgehouden. Uit een onderzoek uit 1989 bleek dat zowel jongens als meisjes nog steeds van mening waren dat vooral het rollenpatroon voor meisjes een belemmering vormde.

Toch geeft deze traditionele, veel gehoorde opvatting geen antwoord op de vraag waarom vrouwen ook minder presteren. Juist bij schaken waarbij voor het lagere niveau van de vrouwen, in tegenstelling tot sporten als voetbal of volleybal, geen enkele fysieke reden is aan te wijzen. (Al dacht schaakster Maya Ciburdanidze er anders over: schaken is dan wel een sport van de geest, zes uur in opperste concentratie op een stoel doorbrengen vergt zoveel inspanning dat mannen toch winnen.)

Bouwmeester en Scholten zijn eensgezind: vrouwen hebben tijd en veel training nodig om de opgelopen achterstand in te halen. Onder de titel 'visies' presenteert ook 'Dame aan zet' een aantal interessante en grappige theorieën over het tekort aan vrouwelijke (top)speelsters. De meest geaccepteerde op dit gladde terrein is van statistische aard. Max Euwe, alweer hij, hanteerde dertig jaar geleden de statistiek als uitgangspunt. Hoe minder speelsters, hoe kleiner het aantal toppers, was zijn logische redenering. Eens in de twintig generaties staat volgens Euwes becijfering een topschaakster op. Scholten onderschrijft dit idee. ,,Ik geloof niet dat vrouwen minder goed zouden zijn. Het is een kwestie van aantallen. Slechts één op de zoveel schakers is echt goed.'

Er zijn dus te weinig speelsters. Dat leidt tot de vraag waarom vrouwen, zelfs nu gebrek aan tijd geen rol meer speelt, minder belangstelling tonen voor het spel. Scholten heeft wel een vermoeden. ,,Het lijkt misschien niet zo, maar schaken is een enorm agressief spel. En dat trekt mannen meer aan dan vrouwen. Onderzoeken tonen aan dat het mannelijk hormoon testosteron agressie bevordert. En ook in de geschiedenis zie je dat mannen agressiever zijn dan vrouwen. Schaken is voor mannen een uitlaatklep van hun agressiviteit.'

Een aantal vitrines bevat boeken met speculaties waarin Freud onvermijdelijk opduikt. De psycho-analytische verklaring: De man wil zijn vader, in het spel de koning, vermoorden en kan daarom de drang niet weerstaan de koning mat te zetten. ,,Volslagen onzin', vindt Bouwmeester. ,,Als je op hoog niveau speelt, denk je niet aan zulke zaken. Ik denk dat het een kwestie is van evolutie en groei. Honderd jaar terug wisten mannen ook veel minder van schaak. Pas de laatste jaren, met de Polgarzusjes, doen vrouwen echt mee. Dat komt doordat ze heel goed getraind zijn. Judit Polgar heeft op haar 25ste meer gespeeld dan ik in mijn hele leven. Zij is de allereerste speelster van wereldklasse.'

Desmond Morris geeft in zijn documentaire 'De andere sekse', waarvan een klein deel op de tentoonstelling te zien is, een evolutionaire verklaring voor het sekseverschil. Volgens hem hebben mannen een aangeboren oerdrift om complexe (jacht)strategieën te ontwikkelen. En laat schaken nu net om strategisch denken befaamd zijn. Een keur aan hobby's heeft de functie van de jacht in het moderne leven overgenomen. Discutabeler en nogal stereotiep is Morris' opvatting dat mannen het spel serieuzer nemen en ,,beter kunnen zwijgen met dingen, terwijl vrouwen goed verbaal omgaan met mensen'. In een ander tentoongesteld boek suggereert David Spanier dat mannen geconcentreerder zijn dan vrouwen die elk moment alert moeten zijn op impulsen van buiten, zoals huilende babies.

Lachwekkend of aanstootgevend, geen van de visies biedt uitkomst. Een laatste, zeer gevoelige mogelijkheid ligt op het gebied van verschil in hersenopbouw. Maar neurologen willen hun vingers niet branden aan dit netelige onderwerp, laat staan erover praten. De enkeling die eens een serieuze slag deed naar mogelijke verbanden tussen hersenhelften, hormonen en schaakvaardigheid werd met hoon en woede overladen.

Voor de ervaren Bouwmeester is het duidelijk. ,,Schaken is altijd een harde mannenwereld geweest. Dat verandert langzaam. Professionele trainingen voor vrouwen zijn recent. Maar laatst speelden we met veteranen tegen 's werelds beste vrouwen. We verloren.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden