Er was uitsluitend belangstelling voor kant-en-klare, voorgekookte ideeen

De auteur is beleidsmedewerkster jeugdzaken en volksontwikkeling bij de gemeente Amsterdam. Zij heeft dit artikel geschreven mede namens Moustapha Mejjati, coordinator van het opvanghuis voor Marokkaanse jongens Darna in Amsterdam, en Hassan El Yousfi, ex-contactfunctionaris preventieproject Marokkaanse jongeren in Amersfoort.

In grote lijnen is de boodschap van het rapport dat allochtonen niet meer als zorgcategorie moeten worden behandeld; de overheid mag allochtonen niet meer met fluwelen handschoenen aanpakken; het wordt tijd dat allochtonen hun plichten weten, 'inburgeringscontracten' en harde aanpak bieden de oplossing voor het minderhedenvraagstuk.

Ten onrechte werd bij de presentatie van het rapport de indruk gewekt dat de conclusies uit de werkconferenties voortvloeiden en dat alle aanwezigen het unaniem eens waren.

Wij willen graag in dit artikel onze mening geven over dit rapport en de wijze waarop het tot stand kwam. Aangezien wij alleen de werkconferentie 'jongeren en veiligheid' hebben bijgewoond heeft dit artikel alleen betrekking op dit onderdeel van het rapport.

De discussie zou aanvankelijk gaan over probleemdefiniering, pro-

bleemanalyse en mogelijke aanbevelingen/oplossingen. Al tijdens het eerste deel van de werkconferentie werd gesteld dat hierover al overeenstemming was en dat de problemen van allochtone jongeren vooral in de thuissituatie lagen.

Veiligheid

Hun sociaal-economische positie zou volgens de aanwezige deskundigen weinig of nauwelijks van invloed zijn op delinquent gedrag. Men wilde een mening horen die sec betrekking had op veiligheid. Voor ons was het niet mogelijk om alleen naar het aspect veiligheid te kijken, los van de positie van jongeren binnen het onderwijs, op de arbeidsmarkt, thuis en op straat.

Van het begin af aan bleek dat een aantal ideeen al kant en klaar waren; er werd steeds verwezen naar voorgaande werkconferenties over onderwijs en arbeid. Deze ideeen werden verkondigd door een aantal deelnemers die kennelijk de voorkeur van de voorzitter genoten en steeds door hem aan het woord werden gelaten. Anderen, onder wie de allochtone deelnemers, werden systematisch buiten de discussie gehouden. Met veel moeite slechts lukte het af en toe erdoor heen te komen.

De kernideeen die door de aanwezige allochtonen werden ingebracht zijn (behalve die van Chan Choenni, politicoloog, verbonden aan de rijksuniversiteit van Utrecht) nergens in het rapport terug te vinden. Dit betreft overigens niet alleen de inbreng van de allochtonen. Ook de opmerkingen van autochtone deelnemers die er een andere mening op nahielden zijn spoorloos verdwenen.

Het onderdeel 'jongeren en veiligheid' is daarmee een eenzijdige weergave geworden van de ideeen van sommige deelnemers, toevallig ook de voorbereiders van deze werkconferentie; niet afkomstig uit de praktijk, zoals in het rapport wordt beweerd, maar uit de ministeries binnenlandse zaken en justitie en uit kringen van macro-theoretici.

Toch wordt beweerd dat allochtonen de aanbevelingen ondersteunen en in sommige gevallen zelf erom hebben gevraagd, waar het gaat om handhavingsbeleid en inburgeringscontracten. Wij hebben uitdrukkelijk in de werkconferentie protest geuit tegen deze maatregelen en gewaarschuwd voor de gevolgen ervan.

In het rapport worden tien aanbevelingen voor beleid gepresenteerd die kort samengevat op het volgende neerkomen: registratie, criminaliteit van allochtone jongeren als apart probleem beschouwen en behandelen, inburgeringscontracten, een strengere, gedifferentieerde aanpak bij strafmaatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met de etnische achtergrond. Dit alles houdt in dat het beleid ten aanzien van allochtone jongeren repressief, hard en discriminerend wordt.

Citaat uit het rapport: "Het verrichten van strafbare feiten met name geweldsdelicten leidt tot de constatering dat het contract is geschonden. Dit moet dan ook worden vastgesteld. Naast consequenties in de strafbare sfeer kan dit leiden tot sancties in de sfeer van uitkeringen, vestigingsvergunning, naturalisatie en indien mogelijk in ernstige gevallen tot terugzending naar het land van herkomst." Verbazingwekkend is dat bijna alle aanbevelingen zich in de strafsfeer bevonden. Er wordt met geen enkele zin gerept over preventie en evenmin over de juridische toelaatbaarheid van deze maatregelen.

Het rapport-Van der Zwan wil kennelijk een alternatief zijn voor het WRR-rapport dat in de la is verdwenen. De filosofie achter het WRRrapport was integratie door middel van onderwijs en arbeid, de belangrijkste instrumenten tot integratie. Het beleid moet geactiveerd worden ten aanzien van de minderheden, meer aandacht voor de problematiek van het onderwijs, het creeren van arbeidsplaatsen voor allochtonen. Wat dit laatste betreft heeft het WRR-rapport wettelijke maatregelen ten aanzien van werkgevers niet uitgesloten.

Het verschil tussen het WRR-rapport en het rapport-Van der Zwan is dat het WRR-rapport van mening was dat de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid heeft in het veranderen en beinvloeden van de achterstandspositie waarin veel allochtonen verkeren, en te investeren in deze allochtone groepspopulatie. Het rapport-Van der Zwan legt de verantwoordelijkheid bij de 'burger', de allochtonen zelf, en heeft dwang en sancties als sleutelwoorden.

Eenzijdige dwang

Het inburgeringscontract is dwingend voor de burger, maar niet voor de overheid. Wanneer het gedrag van de allochtoon als ongewenst wordt gezien, wordt het contract als geschonden beschouwd en volgen strafmaatregelen die zelfs kunnen leiden tot verwijdering uit het land. Hier komt het in feite op neer.

Zoals gezegd wordt in het rapport gesteld dat het probleem van criminaliteit als een apart probleem moet worden erkend en apart moet worden aangepakt, het zogenaamde 'geeigende handhavingsbeleid'. De consequentie hiervan is dat het behoren tot een etnische groep van invloed kan zijn op de graad van straf. Er zou niet meer naar het individu en de zaak worden gekeken, maar naar de groep waartoe de verdachte behoort.

Men veronderstelt dat hardere straffen van invloed kunnen zijn op delinquent gedrag. Door hardere straffen zou het percentage criminaliteit afnemen. Dit is nooit een uitgangspunt geweest, noch voor de wetgever, noch voor criminologen. De ervaring leert dat in landen waar hardere straffen worden toegepast zich eveneens criminialiteit voordoet. Die landen laten zien dat er geen verband bestaat tussen de graad van strafmaatregelen en de graad van crimineel gedrag.

Het zou bovendien niet alleen moeten gaan over maatregelen met betrekking tot de aard en de vorm van straf, maar, nog belangrijker, ook over maatregelen in de preventiesfeer, en over de reclassering.

In de allochtone gemeenschap werd gedacht dat het minderhedendebat nieuwe perspectieven zou bieden voor het verbeteren van de maatschappelijke positie. Het eerste antwoord echter bestaat uit dwang en straf. Als drie Marokkaanse 'deskundigen' willen wij ons distantieren van het rapport-Van der Zwan, zowel wat betreft de wijze waarop het tot stand kwam als van de inhoud.

Als het de bedoeling van het minderhedendebat is een draagvlak te zoeken voor voorgekookte ideeen, als legitimering voor een beleid, dan willen wij hieraan geen enkele bijdrage meer leveren. Wij blijven echter wel bereid om 'nuchter', samen met andere instellingen, deskundigen, organisaties, een bijdrage te leveren aan het scheppen van betere perspectieven, leidend tot een betere positie van allochtonen en een betere toekomst voor de gehele samenleving.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden