Er staan veel bomen in het bos van Birnam

Vierhonderd jaar geleden ging Shakespeare’s kortste tragedie ’Macbeth’ in première. ’Het Schotse stuk’ bijgenaamd. Zelf bezocht Shakespeare Schotland nooit, maar aan Schotse duidingen ontbreekt het in ’Macbeth’ allerminst. Shakespeare baseerde zich losjes op de historische en rechtschapen koning Macbeth, die Schotland regeerde van 1040 tot 1057.

Wachten op de bus naar Glamis in de Schotse Laaglanden is lastiger dan het lijkt. Vooral als je niet weet hoe laat het is en wanneer de bus zal komen. Eerst vergeefs aan een voorbijgangster de tijd gevraagd, die na haar bezoek aan de Sparwinkel naar het bushokje terugkeert en alsnog de tijd meebrengt.

In het bushokje aan de overkant van de weg wachten al een tijdje twee vrouwen. Plotseling steekt een van de Schottinnen de weg over, en vraagt aan de vreemdeling bij het andere bushokje waar die naar toe moet. ’Naar Glamis? Dan staat u hier goed. De bus komt over drie kwartier.’

Hmm. Drie Schotse vrouwen die onaangekondigd je pad kruisen.

Op die zesde dag van de zesde maand van 2006 (060606) ligt het gehucht er loom-landelijk bij. Birnam, vanuit Edinburgh twee uur noordwaarts treinen, is niet veel meer dan een bocht in de weg naar de Schotse Hooglanden. Het is er zo stil, dat je het riviertje de Tay ginds beneden in het woud kunt horen murmelen.

Hoewel woud wat al te veel eer is voor het bos dat zich langs de oevers uitstrekt. Maar, dat moet gezegd: er staan veel bomen in het bos van Birnam en daaromtrent. Met echte takken en bladeren bovendien. Ooit was hier wel degelijk een woud, en heette dat niet voor niets het Woud van Birnam. Of van Braonan, op z’n Schots.

Soldaten camoufleerden zich met stammen, takken en gebladerte uit het Woud van Birnam om zo naar het naburige kasteel van koning Macbeth te kunnen oprukken. Volgens Shakespeare althans (in de vertaling van H.J. de Roy van Zuydewijn):

„Bode: Genadig heer, ik moet u melden wat ik heb gezien, maar weet niet hoe.

Macbeth: Wel, man, zeg op.

Bode: Waar ik op wacht stond, boven op de heuvel, keek ik naar Birnam en opeens, dacht ik, begon het bos te lopen.

Macbeth: Leugens, schoft!

Bode: Laat mij uw woede voelen, als ’t niet waar is. Op drie mijl afstand kun je het zien komen. Een lopend bos, zeg ik.

Macbeth: Wanneer je liegt, hang ik je levend aan de eerste boom op.”

Birnam is nog steeds trots op z’n eigen woud. En houdt tot vandaag de dag staande dat een negenhonderdjarige eik aan de oever van de Tay de enige overgebleven boom uit Shakespeare’s ’Macbeth’ is. Het is een weelderige, wijd vertakkende eik die met palen wordt gestut om niet aan z’n gewicht te bezwijken.

Shakespeare laat zijn Schotse veldheer en koning in een handomdraai alle uithoeken van Schotland zien. In afstanden en tijdsbestek die de authentieke koning Macbeth in de verste verte niet had kunnen bijbenen. Shakespeare’s ’Macbeth’ is vierhonderd jaar oud, de echte koning Macbeth regeerde van 1040 tot 1057 over Schotland.

Ook de middeleeuwse Macbeth had een vrouw, Gruoch genaamd, maar dat was een onopvallende Schotse koningin en geen statusbelust loeder als Shakespeare’s Lady Macbeth.

Ten noorden van Dundee en verscholen achter torenhoge bomen openbaart zich het kasteel van Glamis (spreek uit: glàhms) met zijn atletische welvingen. Het doet er nu even niet toe dat de Britse koningin-moeder er opgroeide en prinses Margaret er werd geboren. Wel dat het kasteel van Glamis nog steeds de achterkant van het Schotse 10-pondbiljet siert.

In het kleine verspiedersvertrek annex wapenkamer ’Duncans Hall’ genaamd, schippert de kasteelgids behendig tussen feit en fictie. „Dit is de ’traditionele plek’ waar Macbeth zijn koning Duncan vermoordde, ook al vond de feitelijke moord in het noorderlijker Elgin bij Inverness plaats.”

Zeker is, weet de gids, dat Shakespeare zijn Schotse tragedie voor koning James I schreef. James was gefascineerd door hekserij en publiceerde daar ook over. Niet alleen koning James, maar heel Schotland was geboeid door goed en kwaad wisselende heksachtigen, die zich in allerlei gedaantes, hoedanigheden en vooral onverhoeds aandienden (hags, nymphs, weird sisters, fairies of vermomd als drie vuilnismannen in een voortreffelijke BBC-bewerking.). Edinburgh plaatste een fontein op de plek waar tot 1722 heksachtige vrouwen werden verbrand.

Om hun kinderen tot de orde te roepen, verwijzen hedendaagse Schotten nog steeds naar hekserij als ze zeggen: „Will ye wheest, ya wee besom.” (’Nou even koest, jij kleuterbezempje’.)En als je in een Schotse winkel iets koopt dat ingepakt wordt, kan de verkoopster je in volle ernst vragen of het vervolgens ook nog ’gezegend’ moet worden. („Da ya wan-it blèèsh-itt?”)

Al in het begin van de tragedie zetten Shakespeare’s heksen Schotland uit het lood. En verkondigen meteen hun particuliere complottheorie: In de vertaling van Willy Courteaux):

„Goed is kwaad en kwaad is goed. Door mist en nevel ons gespoed. (-) Noodlotszusters, hand in hand, dwalend over zee en land, draaien, draaien, altijd rond. Drie keer ’t uwe, drie keer ’t mijn. Nog eens drie, ’t moet negen zijn. Stil! De toverkring is rond.”

Op het schilderij ’Macbeth’ van de Engelsman John Martin uit omstreeks 1820 staan noch zitten de drie ’spookvrouwen van midnacht en zwarte kunst’, maar zweven ze in een wervelkolom boven de grond. Zijn ze letterlijk ’niet van de aarde’. Al verbond de schilder hen met een curieus ankertje annex blikseminslag met de Schotse hei. En hoewel ze vrouwelijke borsten bezitten, dragen ze tevens mannenbaarden.

Voor zover het niet is uitgeleend (het reist regelmatig de wereld rond) hangt het struwelig gepenseelde doek nonchalant temidden van Schotse, Vlaamse en Nederlandse meesters in de National Gallery van Edinburgh.

Shakespeare baseerde zijn ’Macbeth’ op de ’Cronicles of England, Scotlande and Irelande’ van Raphael Holinshed uit 1577.

Net als de theatrale Macbeth doodt de historische Macbeth zijn koning Duncan. Maar dat was zo rond 1040 eerder regel dan uitzondering. Het had aanvankelijk niet zozeer met machtshonger naar de troon te maken, dat was een bijkomstigheid. Eerder waren die tweegevechten met doorgaans dodelijke afloop een proeve van kracht en doorzettingsvermogen. Zoals nu nog steeds van heinde en verre gespierde jonge Schotten op de jaarlijkse Highland Games afkomen, om zich daar met elkaar te meten in het werpen van dubbelbladige bijlen, gewichten en boomstammen.

In tegenstelling tot Shakespeare’s Macbeth, was de historische Macbeth (= son of life) een rechtschapen heerser, die aan arme onderdanen geld schonk, tijdens zijn Schotse koningschap van 1040 tot 1057 voor voorspoed zorgde en ondertussen een pelgrimstocht naar Rome maakte.

Op zijn beurt wordt de 52-jarige Macbeth in 1057 door de jongere en sterkere Malcolm Canmore (bij Shakespeare doet Macduff dat) vermoord in Lumphanan.

Volgens chroniqueur Holinshed was Macbeths vriend Banquo medeplichtig aan de koningsmoord. Bij Shakespeare is Banquo juist een onraad ruikend slachtoffer. Verder maakte Shakespeare zijn koning Duncan ouder, wijzer, milder en ronduit voortreffelijker dan de historische koning Duncan was. (Daarom kunnen er bij de theatrale Macbeth ook even schuldgevoelens boven komen.)

Maar eerst moet Macbeth zijn voorzegde tweede titel nog krijgen: die van hertog van Cawdor. Het vloertapijt van Cawdor Castle, ten noordoosten van Inverness, bestaat uit de clankleuren van de huidige Cawdors. Die willen niets met Macbeth te maken hebben. Met de historische Macbeth noch met de theatrale Macbeth, al lenen ze hun tuin wel voor zomerse openluchtuitvoeringen van ’Macbeth’. Het Cawdortapijt oogt voornaam, maar is bij lange na niet zo sierlijk elegant als het geruite blauwgeelgroenrood van de Macbethclan, dat elke Schotse tartanwinkel voorradig heeft.

Inhoudelijk willen de Cawdors niks met het stuk te maken hebben omdat Macbeth zijn Cawdor-titel verkrijgt door het verraad van de vroegere hertog van Cawdor.

En met de liaison tussen de historische Macbeth en hun eigen kasteel maken de Cawdors korte metten: hoe kan Macbeth er hebben geresideerd als Cawdor Castle pas ruim 300 jaar na zijn dood werd gebouwd? Maar daar hebben de kasteelbezoekers geen oren naar. Allicht willen die de authentieke keuken uit 1640 zien, en allicht dat Lady Macbeth daar eigenhandig wel eens een pannetje op het vuur zal hebben gezet.

Voor de historische Macbeth komt het moment van nooit-meer-slapen in 1057, en in het gehucht Lumphanan ten zuidwesten van Aberdeen. Een episch centrum valt Lumphanan bepaald niet te noemen. Het is een agrarisch dorpje van niks, met foeilelijke bungalowwoningen alom.

Maar De Brink heet zoals die daar heten moet: ’Macbeth Place’. In de tot perkje omgebouwde vluchtheuvel slierten wat miezerige plantjes, maar pas peilloos verdrietig is het boompje – nou ja; Macbethpleintwijgje – dat zich daarin staande probeert te houden.

Op ’Macbeth Place’ vestigden zich postkantoor annex kruidenier en het ’Macbeth Arms Hotel’. In het postkantoortje ontstaat opschudding als je naar de plek vraagt waar koning Macbeth precies gedood werd. Klanten bemoeien zich met de uitleg van de postvrouw (’bij die aarde-ring net buiten het dorp viel Macbeth van z’n paard’) en wijzen verschillende windrichtingen aan.

Niet langer gedraald nu: op naar die aarde-ring, heksenkring of elfjescirkel. Het is een in de heuvelhelling verzonken vijver zonder water, een krater, waarin drie forse bomen zwijgend staan te volharden. Een ’cairn’ (Keltisch gedenkteken) en - tel je zegeningen - tevens ’hag’: zowel helleveeg, feeks, heks, toverkol, oud wijf als ’zachte plek in de heide’ én ’harde plek in moeras’. Goed is kwaad, en kwaad is goed - zo is het maar net.

Zolang de ronddrentelende schapen en fiere Aberdeen Angusstieren door blijven grazen in plaats van mekkerend te loeien en zodra die uitgekiende Hooglandse wind opsteekt die meteen onheilspellend gaat tollen, vallen daar de terug- en vooruitblikkende fluisteringen van de theatrale Macbeth te horen. (Zie kader).

De theatrale Macbeth leeft in schouwburg, filmzaal en operahuis tot het eind der tijden onsterfelijk voort. Voor de historische Macbeth zou Edinburgh de juiste rustplaats zijn. Tegenover de National Gallery, verzonken op de bodem van wat ooit drie aaneengesloten lochs waren. Het schoonste kerkhof van Schotland, dat van de St Cuthbertparochie. De rechtopstaande en fors meer dan manshoge gedenkstenen fungeren tevens als omheining; de enorme zerken omarmen het kerkhof letterlijk. Maar daar ligt Macbeth niet.

Nadat hij zijn einde in Lumphanan vond, werden zijn overblijfselen naar de andere kust van Schotland gebracht, naar het gewijde eilandje Iona. Daar moet hij rusten. Te midden van de eerdere en latere Schotse koningen Kenneth, Duncan, Malcolm, Edgar, Donald, Alexander, James.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden