Er moet altijd harmonie zijn Henny Vrienten

Henny Vrienten (Hilvarenbeek, 1948) is componist, bassist en zanger. Hij werd vooral bekend als de voorman van Doe Maar. Deze week verscheen 'Alles is anders', zijn tweede solo-album dit jaar. Op 1 oktober start een tournee langs diverse schouwburgen in het land.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

"Aan het einde van de lagere schooltijd vroeg de frater ons wat wij later wilden worden. Pietje zei timmerman, Jantje riep straaljagerpiloot. Ik was een slijmbal en zei dat ik graag als missionaris in Afrika zou gaan werken. Het leverde mij in ieder geval een setje kleurpotloden op.

Mijn ouders vonden het helemaal niet leuk dat ik naar het seminarie van de Witte Paters ging en ik kreeg zelf zo rond mijn dertiende ook in de gaten dat ik daar helemaal verkeerd zat. Ik zou mij nooit aan het celibaat kunnen houden en ik begon ernstig te twijfelen aan aan het bestaan van God. Ik wilde echt aangeraakt worden, ik heb geprobeerd te geloven, maar het lukte mij niet.

Op een dag heb ik het lichaam en bloed van Jezus Christus, een hosti, in een leeg luciferdoosje gestopt. Je mocht zo'n ding niet eens met je tanden aanraken hè? Het moest smelten op je tong en daarna in diepe devotie doorgeslikt worden. Ik wilde weten of Jezus kwaad op mij zou worden als ik hem een paar weken in dat doosje liet zitten. Er gebeurde niets, of ja: hij beschimmelde. Daarna heb ik hem maar weggegooid. Op vragen over God kreeg ik nooit een goed antwoord. Echt nooit. Het is nog een wonder - als we daar in dit verband over mogen spreken - dat deze tien geboden wel zijn ingebed in onze westerse maatschappij. De meeste weldenkenden geloven inmiddels niet meer in God, maar 'Zijn' regels draagt iedereen nog altijd met zich mee."

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

"Waarom zou ik dat doen? Ik heb er geen behoefte aan om wie dan ook te kwetsen. Voor veel mensen is - in die lullige wereld waarin ze leven - het geloof een baken om zich aan vast te houden. Voor hen is het leven goed, want het staat in dienst van God. Met godsdienst wordt het iets ingewikkelder... Kijk, de katholieke kerk heeft ons eerbied voor het leven en begrippen zoals naastenliefde bijgebracht. Als we niet voor de zwakkeren zorgen, wordt het een puinhoop in de wereld. Die joods-christelijke moraal is een uitstekende basis om op door te gaan, daar valt niets op af te dingen. Maar... ik ben niet voor niets een afvallige: het instituut heeft ook Joden in de oorlog uitgeleverd, homofobie gepredikt, een anti-abortus campagne gevoerd en in tijden van aids het condoomgebruik verboden - om maar een paar dingen te noemen. Dat is niet een club waar ik graag bij wil horen."

III Gij zult de dag des Heren heiligen

"Een jaar of tien geleden was het in één keer afgelopen: ik zat op de bank en kwam niet meer in beweging. Natuurlijk voelde ik het aankomen, maar zoiets wil je niet zien, je denkt dat je onkwetsbaar bent, dat je alles aankunt... Ik werkte altijd. Doordeweeks, in het weekend, tijdens de vakanties: non-stop. Eerst werden alle afspraken afgezegd, daarna ben ik het langzaamaan weer gaan opbouwen. Voortaan heb ik alle vakanties vrij en ook in het weekend doe ik niets. Ik kan je vertellen: mijn leven is er enorm op vooruitgegaan, enórm! Dus ja, als je het breder trekt ben ik er helemaal voor om minstens één keer per week een dag rust te nemen, maar ik zou iedereen aanraden om die zondag voor zichzelf te gebruiken. Niet om drie keer naar de kerk te gaan. Ik kom er nog wel hoor, graag zelfs. Ik houd van het gregoriaans, van de geur van wierook, de romantiek van het gezinnetje rondom de kerstboom enzo, maar ik loop toch altijd naar buiten met de gedachte: fijn dat ik daaraan ben ontsnapt."

IV Eer uw vader en uw moeder

"Op een zondagochtend, heel vroeg, stond mijn vader ineens bij mijn bed. 'Opstaan.' Ja pa. Ik volgde hem naar boven, naar het platje - zonder leuningen, belangrijk detail voor dit verhaal - waar zijn duivenhokken stonden. Een van zijn duiven was uit Perpignan terug naar huis gevlogen met een winkelhaak in zijn borst. Het was een prijsduif, dus die wilde hij graag repareren. Ik moest het beest op een bepaalde manier vasthouden, met die gewonde borst naar boven, zodat mijn vader met naald en draad aan de slag kon. Terwijl ik naar dat lillende, paarsrode duivenvlees stond te kijken, dacht ik: straks ga ik flauwvallen. En ik wist ook dat ik achterover van het plat naar beneden zou donderen, zo op het beton van de timmermanswerkplaats van mijn vader. Hij zou voor zijn duif kiezen, niet voor mij.

Even later kwam ik bij. Ik lag inderdaad beneden, maar wel in de armen van mijn vader. Hij had de duif losgelaten, mij opgevangen en naar zijn werkplaats gedragen. De duif waarmee hij zoveel prijzen had gewonnen, vonden we later terug tussen de sprieten van een dakantenne; de draad had hem van boven naar beneden opengetrokken. Het was een belangrijk moment in mijn leven, ook al drong dat destijds niet zo tot mij door. Doordat mijn vader een nogal zwijgzame, norse man was geweest, begon ik mij, toen hij oud en ziek werd, af te vragen wanneer hij had laten merken hoeveel hij van mij hield. Toen, dus. En helemaal op het eind, toen de ziekte van Kahler hem klein en kwetsbaar had gemaakt. Ik mocht hem vasthouden en knuffelen. Het was, hoe gek dat ook klinkt, een feest om die man in het ziekenhuis op te zoeken. Op een dag was zijn kamer leeg. Ik holde naar de verpleegster, vroeg haar waar mijn vader was. Ze zei: 'Die zit waarschijnlijk in de kapel'. De kapel? Mijn vader? Hij had zich een leven lang verzet tegen alles wat met religie te maken had. Ik liep naar de kapel en zag hem net in een rolstoeltje naar buiten komen. 'Maar pa', zei ik, 'u gelooft toch helemaal niet in God?' Hij keek mij een beetje schalks aan en antwoordde: 'Ge wit mar nooit'.

Mijn vader zweeg, mijn moeder babbelde. Ze was was heel toegankelijk, zorgzaam. Ze maakte de heerlijkste gerechten, onze kleren waren altijd fris en schoon. Een moeke, een Brabants moeke, bij wie ik met al mijn problemen terecht kon. Ze stierf pas toen ik vijfenzestig was. Ik had er vrede mee, natuurlijk, maar toch heb ik mij ook een beetje ontheemd gevoeld. Het plafond was weg. Ineens stond er niemand meer tussen mij en... ja, ik wijs nu naar boven, maar je begrijpt inmiddels wel dat ik niet geloof dat er na de dood nog iets komt. Mijn ouders leven nog voor mij, in mijn liedjes. Dat klinkt misschien zweverig, maar ik vind het heel vanzelfsprekend om mensen bij je te blijven dragen: je bent pas weg als de laatste die jou heeft gekend verdwenen is."

V Gij zult niet doden

"Ik ben een vredelievend man... nee, laat ik het zo zeggen: ik gedij niet in conflictsituaties. Als ik onenigheid heb met iemand, existeer ik minder soepel. Dus weg ermee. Er moet altijd harmonie zijn. Natuurlijk doe ik mezelf wel eens tekort en als ik dan eindelijk een keer uit mijn slof schiet heb ik tóch nog het idee dat ík degene ben die onredelijk was. Door mijn schuld, mijn grote, grote schuld - ach jongen, ik ben expert in schuld! Dat is de vrucht van mijn katholieke opvoeding. Zal ik je daar nog iets meer over vertellen?"

VI Gij zult geen onkuisheid doen

"Tot mijn twaalfde, dertiende ging ik biechten. In zo'n donker, muf ruikend hokje. Als het ijzeren luikje openging, zag je het silhouet van een oude man die je dan vroeg of je nog onkuisheid had bedreven. Ik wist exact waar hij op aanstuurde - ik was nergens anders mee bezig in die tijd - maar ik verzon liever dat ik suikerklontjes had gepikt. Daar stond een boetedoening tegenover; drie Weesgegroetjes, zes Onze Vaders of zoiets. Onkuis zijn, daarover liegen, boete doen voor dingen die je helemaal niet hebt gedaan; daar ligt het begin van de rare gewetensboekhouding die ik met name in mijn puberjaren heb gevoerd, maar waarvan je nog altijd sporen in mijn dagelijks leven terug kunt vinden. Laatst vroeg Typhoon mij of ik tijdens een van zijn optredens een nummer wilde komen meezingen. Ik zei ja, maar kwam er later achter dat ik op die dag al een afspraak had staan. Dus moest ik hem afzeggen. Ik kan je niet vertellen hoe rottig ik mij daaronder heb gevoeld. Meteen sms'en: je hebt er één van mij te goed! Mea culpa. Boete doen. Steeds weer."

VII Gij zult niet stelen

"Jaren geleden kreeg ik een tape van een bandje met het verzoek hun plaat te produceren. Ze hadden van een regel uit één van mijn liedjes de titel van een eigen, Doe Maar-achtig, nummer gemaakt. Aardige jongens hoor, maar het was natuurlijk wel diefstal. Ik mailde dat ik niet zou meewerken omdat ik zoiets al een keer had geproduceerd. Ik ben er nooit zo voor om namen te noemen, maar misschien moet ik voor dit geval een uitzondering maken. Die band heette namelijk Luie Hond... Weet je dat ik mij nu alweer schuldig voel? Terwijl ik niets verkeerd doe, nee. Nou goed, laat dan maar staan."

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

"Een goede vriend zei ooit: 'Ik lees natuurlijk alle interviews met jou, en weet je wat mij opvalt? Je zegt nooit iets'. Dat had hij goed gezien. De toon in die gesprekken was altijd ironisch, sarcastisch, tongue in cheek. Ik vond dat niemand iets te maken had met mijn innerlijke drijfveren; ik liet niet zien wie ik werkelijk was. Niet dat ik oneerlijk was of zo, en kennelijk leverde ik toch verhalen die de moeite waard waren want ze bléven mij vragen voor interviews, maar toch... ik vond dat er één ding voorop moest staan en dat was mijn werk. Op een banale manier: de kost verdienen.

"En het wonderlijke is dat er pas toen ik de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte een last van mijn schouders viel; dat ik de noodzaak om mezelf af te schermen niet langer inzag. Ik heb dat bedrag helemaal niet nodig en ik krijg nog altijd honderd keer meer werk aangeboden dan ik aankan, maar de diepe onzekerheid die je als freelancer voelt - morgen vragen ze mij niet meer! - verdween. Het is volbracht. Als ze mij nu niet meer bellen, is dat helemaal niet zo gek.

"Ik ben namelijk gepensioneerd. En ondertussen werk ik natuurlijk harder dan ooit. Ik sta nog lang niet buiten de tijd - zie mij hier zitten, met veertig jonge rappers, bij een platenlabel dat kantoor houdt in Quartier Putain, midden op de Wallen - maar als het gaat gebeuren, als ze mij willen opschuiven, dan zal ik mij niet verzetten."

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

"Voor mij is het belangrijk om elkaar huwelijkse trouw te beloven maar... luister, ik denk dat iedereen het in zijn leven wat dit aangaat op een of andere manier wel een keer voor zijn kiezen krijgt. Of, zoals mijn moeder het zou zeggen: ieder huisje heeft zijn kruisje. Ik heb twee huwelijken achter de rug. De eerste keer ben ik er na zeventien jaar uitgestapt. Dat doe je niet zomaar, zeker niet als je samen ook nog drie kinderen hebt.

"Als ik één ding heb geleerd is het dat er altijd meerdere verhalen zijn, dat iedereen zijn eigen drijfveren en regels heeft en dat het nooit de schuld van één persoon is. Maar goed, ik heb er desalniettemin heel lang krom onder gelopen. Ik ben behalve die schuld-expert uiteindelijk toch - dat herhaal ik hier nog maar een keer - ook de man van het harmoniemodel. Hoe klef en burgerlijk dat ook klinkt."

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

"Laatst hoorde ik op televisie iemand zeggen dat hij bang was dat 'al de vluchtelingen die hier naartoe komen' van plan waren om 'alles van ons af te pakken'. Hij is niet de enige die last heeft van deze fobie. Dertig procent van alle Nederlanders wil niet dat er nog vreemdelingen worden opgenomen. En veel landelijke politici durven zich, bang om stemmen te verliezen, niet meer uit te spreken, of beslissingen te nemen. Stelletje lafbekken. Ze geven liever anderen - ik zal geen namen noemen - de ruimte om die idiote angst aan te wakkeren. Hoe kom je erbij te denken dat zij hier iets komen hálen? Ze komen juist iets brengen - als wij hun de kans geven. Deze vluchtelingen zijn vaak wel tien keer geletterder en beschaafder dan de lui die hen uit alle macht buiten de deur willen houden.

"Ik ben geen grote voorvechter, niet iemand die op de barricaden klimt, maar ik wil wel laten horen dat wij ons meer van onze menselijke kant moeten laten zien. Toen ik met één van de leuke, jonge medewerkers van mijn platenmaatschappij de mogelijkheden besprak om alle opbrengsten van het nummer 'Hier is het goed' aan Stichting Vluchteling te schenken zei hij: 'Ben je niet bang dat ze jou van windowdressing zullen betichten? Dat ze zullen zeggen: die Henny Vrienten heeft makkelijk praten met z'n grachtenpand en z'n buitenhuis in Twente?' Het antwoord is: ja. Aan de andere kant: als ik moet kiezen tussen iets en niets doen, kies ik liever voor iets.

Wat ik hiermee wil zeggen is dat ik vind dat wij, als beschaafd land, verplicht zijn om mensen in nood te helpen. Is dat de missionaris in mij? Nee, hou eens op zeg. Ik vind dat we het begrip naastenliefde moeten herwaarderen, maar verder zijn mijn drijfveren toch een stuk prozaïscher: ik wil niet per se goed doen, ik ben vooral op zoek naar het goede in dit leven. Of klinkt dat te zelfgenoegzaam?"

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden