Er komt nog een luguber feestje

De laatste, postume, bundel van Gerrit Komrij

Het manuscript was af, maar nog niet helemaal. Gerrit Komrij overleed afgelopen zomer te vroeg om 'Boemerang' te kunnen voltooien. Toch ligt de bundel er nu. Gelukkig. Want de bijna tachtig gedichten, enkele voltooide reeksen en een aantal losse gedichten met aantekeningen en varianten, zijn een aangrijpend sluitstuk van een oeuvre dat in 1968 (officieel) begon met 'Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten'.

"Eer zal men kakken in zijn hoed/ dan dat ik u mijn ziel blootleg", vatte Komrij ooit even treffend als aansprekend zijn poëtica samen. Hij was de vormvaste dichter van de maskerade, wars van op poëzie lijkende persoonlijke zieleroerselen of zweverige mijmerijen. En zijn ziel blootleggen, dat doet hij ook in deze postume bundel niet.

Hoewel geen van de gedichten in de bundel van een jaartal is voorzien, kan het bijna niet anders of het merendeel ervan werd geschreven in de wetenschap dat de dood niet ver weg meer was. Want dat thema is vanaf de eerste regels pregnanter dan ooit aanwezig, evenals de angst voor een 'luguber feestje' dat komen gaat. 'Boemerang' is een terugblik op de tijd die voorbijgeschoten is 'Tussen twee geluiden', tussen de knal van de geboorte en de plof in de kist. Melancholieke herinneringen en oude jongensdromen worden afgewisseld met paniek en scherts om de imperfecties van een leven en een schrijverschap. Het masker van de ironie heeft Komrij nog niet afgelegd, maar daarachter schemert de verlatenheid door van iemand wiens beschermengelen 'op de loop' zijn en plaats hebben gemaakt voor de engel des doods die als een 'prins of sultan uit een damesblad' op zijn ziekenhuisbed zat.

Een van de hoogtepunten is de laatste reeks van de bundel, 'Luchtdicht verpakt', waarin alle zekerheden aan het wankelen worden gebracht. De maskers gaan af, tevoorschijn komt 'de gewone man': "Zo bloot dat verder niets valt te ontbloten." Maar ook in het aangezicht van het 'witte niets' of het 'gelukkig niets', in een van de kaalste reeksen die hij schreef, blijft hij zijn paradoxen trouw: "En zelf sta ik gesluierd in het midden." Al beseft ook de dichter dat zijn wapen niet bestand is tegen de dood : "Het roer moet om. Dit is het laatste uur./ De tijd is rijp. Ik moet niet langer slapen./ Ik gooi mijn pen en inktpot in het vuur."

Komrij zou Komrij niet zijn als hij niet bij 'het slurpen van het putje' nog een paar flinke sneren zou uitdelen. Naar de politicus die tegen 'zijn eigen leegte zit te praten', naar de burgermaatschappij ('ze zijn een volle neef van de machine') en naar Nederland.

Hij woonde er allang niet meer, nu neemt de hekeldichter definitief afscheid met de wens: "Verzink, lief land, ik ben al uitgezwaaid." De poëzie van dat landje moet het vanaf nu zonder hem stellen. Een groot verlies.

Gerrit Komrij: Boemerang. De Bezige Bij, Amsterdam; 112 blz. € 19,90

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden