Er komt een nieuwe godsdienstoorlog

'Morgen kan letterlijk de Sint Pieter worden opgeblazen. Morgen kan Versailles letterlijk van de aardbodem worden geveegd. Morgen kan Israël definitief ontploffen.' De theoloog Matthias Smalbrugge meent dat een oorlog tussen het christendom en de fundamentalistische islam niet te vermijden is. 'De cruciale vraag is waarvoor het christendom zou willen vechten.' Volgens Smalbrugge is dat een houding van permanente zelfkritiek en confrontatie met de veranderende cultuur en tijdgeest. Is een religie, zoals het islamitisch fundamentalisme, tot zo'n confrontatie niet in staat, 'dan moet een cultuur zo'n godsdienst geen ruimte geven en de oorlog niet schuwen.

Grondwetsartikelen zijn niet bedoeld om een voedingsbodem voor extremisme vrij spel te laten. De Terreur hoeft niet terug te komen.' Eén jaar voor de Franse Revolutie, 1788. In het park van Versailles legt Richard Mique, lievelingsarchitect van Marie Antoinette, de laatste hand aan een boerderijtje voor zijn vorstin. Marie Antoinette, de ijdele, schrandere en naïeve vrouw van Lodewijk XVI, die met overgave allerlei kostbare festiviteiten (Madame Déficit) organiseerde, maar bij tijd en wijle wilde kunnen wegdromen in een eenvoudig optrekje dat zo goed mogelijk de ambiance van een pastorale idylle zou nabootsen. Even niet denken aan staatszaken, even niet het constante gekerm horen van hongerig volk aan de paleishekken, even je als gefantaseerde boerin hullen in een ander bestaan.

Het is de ultieme vlucht uit de werkelijkheid en het is een droom die met gemak schavot en revolutie overleefde. Want wat is er ook nu -in onze tijd -heerlijker dan je terugtrekken in een huisje in Frankrijk, op vijf uur rijden van je kantoor, waar je alle problemen kunt vergeten, waar je kunt mijmeren over de verrukkelijke eenvoud van een vers gebakken croissant en waar de eenvoudige landwijn grotere bekoring heeft dan de grand cru die thuis verantwoord wordt geproefd en gekeurd.

Als we iets van het Ancien Régime hebben overgehouden, dan is het wel het betere toneelspel en de hogere naïviteit. Marie Antoinette en Richard Mique bouwen nog steeds verder in onze ziel en onze dromen. Dat het in hun geval een jaar later allemaal afgelopen zou zijn, dat die idyllische droom zou eindigen in de nachtmerrie van het schavot, het deert ons niet. De geschiedenis herhaalt zich toch niet en als ze dat wel doet, dan op onherkenbare wijze vermomd. De Terreur komt niet meer terug en wij zijn geen Ancien Régime. Oh nee? Maken wij niet al deel uit van een verleden waar alleen de muren nog van overeind staan? Om eens iets te noemen. In 1788 was het duidelijk dat de verschillende standen allang geen garantie meer waren voor cohesie en wederzijdse steun. Integendeel, standen waren nog slechts een rechtvaardiging van het eigen belang. We zouden die focus op het eigenbelang nog eens kunnen uitleggen aan de huidige adel, de topmensen uit het bedrijfsleven die ons zo graag willen laten geloven dat stijging van het inkomen geen kwestie van hebzucht is maar van internationale druk, dat het om ons gemeenschappelijk belang gaat en niet om hun eigenbelang. Hetzelfde geldt voor de structureel voorkomende fraude binnen het bedrijfsleven. Nee, zegt men dan, dat is niet structureel maar incidenteel. De meerderheid heeft een vlekkeloos blazoen. Je zou ze graag een paar deeltjes van de Mémoires van Saint-Simon geven. Of de Maximes van La Rochefoucauld.

Of neem die andere stand uit het Ancien Régime, de kerk. Die is op dit moment in zichzelf verdeeld, gericht op de mainstream en steeds verder afglijdend naar moralisering als kern van het geloof. Protestanten die zo graag naastenliefde praktiseren en zich omturnen in een christelijk filiaal van Amnesty of Greenpeace. Katholieken die zich concentreren op het juiste nuttigen van de hoogheilige hostie, dan wel de verering van een meisje dat een beter lot had verdiend en in onze tijd ongetwijfeld liever in 'Idols'had gestaan dan in de leerboeken der dogmatiek.

En toch, morgen kan letterlijk de Sint Pieter worden opgeblazen en wat baten ons dan hostie en Greenpeace? Morgen kan Versailles letterlijk van de aardbodem worden geveegd en wat zeggen we dan in onze boerderijtjes? Morgen kan Israël definitief ontploffen en dan zullen wij onze handen in onschuld wassen, want dan hadden die Israëliërs maar een andere premier dan Sjaron moeten kiezen.

Morgen kan het begin zijn van een totaal andere maatschappij, uit haar voegen gerukt door desintegratie van binnen en aanvallen van buiten. Maar zolang het pensioen waardevast is, moet iedereen maar op zijn eigen wijze zalig worden. Tijd dus voor wat stellingen.

Eerste stelling: Godsdienstoorlog is niet te vermijden Dat klinkt boud en afschrikwekkend. Verstandigemensen zullen bovendien zeggen dat je het zeker zo niet moet formuleren want dat je je aan nodeloze polarisatie schuldig maakt, dan wel aan een zichzelf waarmakende voorspelling. Zeg hooguit dat het tijd wordt dat we eens met elkaar in debat gaan. Dat we de mening van de ander graag vernemen, het daarmee oneens willen kunnen zijn, maar tegelijkertijd altijd het recht van de ander zullen verdedigen het met ons oneens te zijn. Een nobel en zeer liberaal standpunt.

Het is echter ook een naïef standpunt, want religie gaat niet alleen over gevoelens en opvattingen, maar ook over macht. En om macht moet je kunnen vechten. Dat gevecht is niet te vermijden en dat gevecht kan niet anders worden genoemd dan een godsdienstoorlog. Een godsdienstoorlog tussen christendom en islamitisch fundamentalisme. Let wel, niet met de hele islam, alleen met dat, overigens groeiende deel, van de islam.

De cruciale vraag daarbij is wat het christendom voor elementen heeft die zo'n confrontatie zouden veroorzaken en waar het zelf voor zou willen vechten. Of het tot dat laatste nog bereid is, moeten we afwachten.

Het neemt niet weg dat de huidige situatie om een scherpe definiëring en afbakening van de identiteit vraagt. Wat is die identiteit? Die kan beter in historische termen beschreven worden dan in dogmatische. Het heeft in dit kader niet zoveel zin een zoveelste beschrijving van de Heilige Drievuldigheid te geven. Beter is het de historische gestalte als een deel van de vormentaal (de vormen én de taal) van onze cultuur te beschouwen. Waar ging het om in de geschiedenis? We beginnen bij de eerste eeuwen.

De weg naar identiteit en macht Een van de vragen van de geschiedschrijving is de kwestie van het uiteindelijke succes van het christendom. Want het christendom komt op in een cultuur die doordrenkt is van religie. Atheïsme bestaat niet, secularisatie moet nog worden uitgevonden. Het christendom moet zich een plaats veroveren op een verzadigde markt. Hoe word je dan, als nieuw merk, een marktleider? Hoe word je op een verzadigde markt de Coca-Cola onder de religies? Een markt bovendien die zoiets als merkentrouw niet kent. Want je kunt in die oude tijden aanhanger zowel van de ene religie als de andere zijn. Zowel Mithras, de Perzische zonnegod, vereren als een mysteriecultus aanhangen. Er is niet één ware religie en er is dus ook geen orthodoxie in de zin van de rechte en ware leer. Wat allen aanbidden, dat is een 'zo groot geheimenis dat het niet langs één weg kan worden bereikt', zei de oude Romeinse senator Symmachus nog in 386. Eén religieuze waarheid voor iedereen? Geen denken aan, de markt vraagt diversificatie.

Daar begint dan ook de rol van het christendom. De markt vraagt diverse zaken. Bijvoorbeeld sociale bescherming. Welnu, dat kan het christendom al vrij snel bieden. Zo is het in de derde eeuw al mogelijk dat christenen hun dorps-en geloofsgenoten die bij invallen waren weggevoerd met het doel als slaven verkocht te worden, terugkochten op de slavenmarkt. In diezelfde eeuw proberen christenen ook al de nood te lenigen bij hongersnood. Of zoeken zij zieken op als er een pestepidemie uitbreekt en onderhouden in Rome in 251 al meer dan 1500 weduwen.

Dat zegt meteen ook iets over de omvang van het benodigde kapitaal en over de aanhang van het christendom. Dat kunnen onmogelijk alleen maar paupers zijn geweest. Sociale bescherming blijkt een effectief wervingsmiddel en geeft aan dat je op die wijze een bepaald marktaandeel kunt verwerven, want uiteindelijk biedt zo'n christelijke gemeenschap dus betere bescherming dan het Romeins staatsburgerschap.

Het tweede element is de rol van de vrouwen. Vrouwen hadden het in de antieke maatschappij niet altijd gemakkelijk. Een huwelijksleeftijd van elf jaar, zeer ruwe seksuele mores, weduwen die niet meer meetellen, meisjes die mochten worden gedood bij de geboorte als legitiem middel van geboortebeperking. Het christendom gaat al vóór de derde eeuw fungeren als een sociaal instituut met andere mores. Een hogere huwelijksleeftijd, aanzien voor weduwen, en het verbod op infanticide als geoorloofd geboortebeperkingsmiddel. Kortom, in zekere zin wordt de christelijke religie een blijf-vanmijn-lijf-constructie.

VERVOLG OP PAGINA 38

VERVOLG VAN PAGINA 37 Ook die gewijzigde rol van de vrouw is een element dat meespeelt bij de opkomst van het christendom. Toch verlenen beide elementen het christendom niet meer dan een klein marktaandeel en aan het eind van de derde eeuw is het nog steeds slechts een geringe minderheid in het Romeinse Rijk die zich christen noemt.

De overgang van keizer Constantijn de Grote in 312 naar het christendom is daarom een factor van ongehoord belang en die factor moet ergens in het politieke en intellectuele domein gesitueerd worden.

Debat en assimilatie Vanaf de tweede eeuw ervaren christenen steeds sterker de noodzaak om de inhoud van het geloof nader te definiëren. Extern is er de noodzaak zich te verdedigen tegen verwijten van atheïsme, staatsverraad en roddel over bijvoorbeeld de viering van de gedachtenismaaltijd. Intern moet er het hoofd geboden worden aan benaderingen die óf een extreme richting uitgaan óf juist een zo ruime bedding zoeken dat er nauwelijks meer sprake is van een eigen identiteit. Van dat eerste is het montanisme een voorbeeld, een stroming gekenmerkt door een extatische en rigoristische verwachting van een duizendjarig rijk. Een voorbeeld van het tweede is de gnostiek die, rijk aan symboliek en verhalen, het christendom versmalt tot een innerlijke beleving van bevrijding en verlichting. Wil je echter, intern en extern, die uitdaging aankunnen, dan zul je daar het intellectuele begrippenapparaat voor moeten hebben. Je zult bovendien bereid moeten zijn een intern debat te voeren over de kwintessens van je geloof.

Dat debat zal dan op den duur leiden tot het definiëren van een orthodoxie (let wel, er is dus eerst veelheid van stromingen, heterodoxie, en juist die heterodoxie noodzaakt tot het definiëren van orthodoxie; niet omgekeerd), maar die formulering van zo'n orthodoxie vergt een langdurig en scherp debat. Anders gezegd, zonder wijsgerige invloed en assimilatie van de omringende cultuur kan er geen orthodoxie ontstaan, want dan zou het debat sowieso niet kunnen worden gevoerd.

Het christendom is dus vanaf het allereerste begin (Paulus) gericht op definiëring van het geloofsgoed aan de hand van een intern debat. Paulus kan zeggen dat de kern van het geloof de opstanding is, maar moet dan tegelijkertijd constateren dat zoiets in de oren van zijn Griekse toehoorders nonsens is. Hij roept de hoon op van zijn toehoorders en zo zal het nog vaker gaan. Celsus en Porphyrius zullen het christendom de intellectuele levieten lezen.

In een dergelijke situatie kun je ofwel je verongelijkt terugtrekken in een slachtofferrol, ofwel de handschoen opnemen en je geloof opnieuw verwoorden. Dat doet Paulus al meteen en hij herformuleert zijn opstandingsgeloof in termen van een begrijpelijke Griekse kosmologie, zodat hij 'de Grieken een Griek' wordt. Zo komt de brief aan de Kolossenzen (rond 80) tot stand, zo zullen later Tertullianus, Origenes en Augustinus zich weren.

De Griekse kerkvader Origenes (185-±255) zal daarbij een definitieve stap zetten door uit te leggen dat de Schrift op verschillende manieren gelezen kan worden en aldus het principe van interne kritiek te integreren. Augustinus (354-430) zal met raffinement de meanders van de ziel in kaart brengen en die tegelijkertijd verbinden met onze voorstellingen van God. Kortom, het christendom is nooit een religie geweest van eenvoudige boeren en vissers, zoals de geromantiseerde geschiedschrijving het graag ziet, maar een religie die vanaf de eerste fase gewikkeld is in een constant proces van omschrijving van het geloofsgoed, assimilatie, verdere verfijning van het begrippenapparaat, zodat het uiteindelijk de meest succesvollevariant van die oude cultuur is geworden. Het heeft die cultuur en haar geloof nooit verslagen, maar het is er de meest adequate vorm van geworden. (Zie Danny Praet, 'De God der goden, De christianisering van het Romeinse Rijk', Kapellen, 1997.)

Dat proces van definiëring van de eigen identiteit maakt het christendom uiteindelijk geschikt om het Romeinse Rijk, op het moment dat centrifugale krachten het onder spanning zetten, te voorzien van een dragende ideologie. Anderzijds helpt de bestuursstructuur van dat Rijk het christendom om zich adequaat te organiseren en de al bestaande verspreiding uit te bouwen. Dat Constantijn vervolgens overgaat naar het christendom, is een fortuinlijke ontwikkeling. Het zij nog maar eens gezegd, de samenwerking van staat en christendom is bepaald niet de 'zondeval' van het christendom, de verloochening van zijn principes; het is de ultieme consequentie en het succes van zijn oorspronkelijke opstelling.

Vrijheid en afgrenzing Wat heeft het christendom te verdedigen als historische identiteit? Een discipline (leer én proces) die staat en valt met de constante noodzaak met de eigen cultuur in gesprek te blijven. Er bestaat geen christelijke identiteit die buiten het denken van een bepaald tijdvak kan worden weergegeven. Wezenlijk is de dialoog, hoe vaak het christendom ook heeft geprobeerd zijn eigen gelijk op te leggen aan de cultuur. Zelfs in de Middeleeuwen gaat het debat verder, bijvoorbeeld tussen Abélard (1079-1142) en Bernardus van Clairvaux (1090-1153). De eerste is een voorstander van het kritisch vergelijken van stellingen, standpunten en teksten, een Origenist als het ware, de tweede is een conservatief poëet die op allerlei manieren zal proberen deze nieuwe school (de scholastiek) de voet dwars te zetten.Of een Anselmus van Canterbury (1033-1109) die duidelijk maakt dat alle denken over God begint met de negatie van diezelfde God. Je moet denken 'alsof God niet bestaat', dus afstand kunnen nemen van de eigen denkbeelden.

Het gaat verder in de Barok als de katholieke kerk zichzelf, na de Reformatie, hervindt en de kunst de ruimte geeft die je op andere vlakken niet altijd zult aantreffen. Zelfs het absolutisme van de 16de en 17de eeuw wordt gerelativeerd door Pascal, Montaigne en La Rochefoucauld. Om, later, van Voltaire nog maar niet te spreken. Kortom, de scherpe dialoog waar kunst, wijsbegeerte en literatuur uit voortkomen, is de erfenis van het christendom. Datzelfde christendom perverteert daar waar het teksten letterlijk neemt, en daarmee fundamentalistisch, dwangmatig en onmenselijk wordt. Toegegeven, dat is vaak gebeurd, maar er zijn telkens tegenstemmen die kerk en theologie dwingen zich te herdefiniëren. Het beste voorbeeld van dat eeuwige va-etvient tussen geloof en cultuur is het dogma van de Drie-eenheid dat in de vierde eeuw zijn definitieve omschrijving vond. Dat wil zeggen het geloof dat God één van wezen (substantie) is, maar dat wij hem kennen in drie gestalten, Vader, Zoon en H. Geest.

Juist omdat die substantie uiteindelijk niet wordt omschreven, wordt er ruimte gecreëerd voor verdere reflectie. Anders gezegd, juist in de kern van het godsbeeld schuilt enerzijds strakke omlijning, anderzijds immense vrijheid, ontleend aan de wijsbegeerte.

Vrijheid gecombineerd met strakke omlijning. Dat is geen holle frase, maar een proces dat in eeuwen geschiedenis vorm heeft gekregen en dat bijzonder kostbaar is. Een geloof dat in wezen de Aufklürung al in zich draagt, als het zich tenminste niet versmalt tot primitieve aanbidding van letterlijkheid, tot moralisme en halleluja-gezang. Denk bijvoorbeeld in de recente geschiedenis aan het seksuele moralisme van de rkkerk, dat haar veel kwaad heeft gedaan en zich uiteindelijk wreekte in de eigen organisatie. Wat er tussen de lakens van gelovigen gebeurde, bleek minder kwaad dan wat priesters uithaalden. Verabsoluteer iets en het richt zich tegen je. Opnieuw blijkt dat het geloof slechts functioneert in wisselwerking met de tijdgeest en slechts dan een passende scherpte ontwikkelt. Op welke punten zal die scherpte blijken? Op het punt van tekstomgang in de zin van Origenes en Abélard, op het punt van ambt, sacramenten en kerkbegrip. Waarbij die elementen ten opzichte van elkaar als interne kritiek zullen fungeren.

Is een religie tot zo'n confrontatie met de cultuur niet in staat en kan zij slechts fundamentalistisch en moralistisch reageren, dan moet een cultuur zo'n godsdienst geen ruimte geven en de oorlog niet schuwen. Dat merkte het christendom zelf ten tijde van de Reformatie. Maar kan dat nu nog, een godsdienst inperken, in een maatschappij die zweert bij het grondwetsartikel dat godsdienstvrijheid garandeert? Ja dat kan, want grondwetsartikelen zijn niet bedoeld om een voedingsbodem voor extremisme vrij spel te laten. De Terreur hoeft niet terug te komen.

Tweede stelling: Het protestantisme heeft zijn historische rol vervuld en kan terug naar Rome De voortdurende herdefiniëring van de christelijke identiteit heeft steeds een interne en een externe noodzaak gehad. In onze tijd is de externe noodzaak duidelijk: in verzet komen tegen een religie die het spel met een cultuur niet wil spelen maar deze wil vernietigen. De huidige interne noodzaak is dat het christendom zijn verdeeldheid moet overwinnen. In concreto: het protestantisme kan terug naar de moederkerk. Want op het moment dat we ons in een religieus 1788 bevinden, wordt het tijd enkele prioriteiten te stellen.

Het protestantisme is een protestbeweging die voor een deel een uit de hand gelopen bedrijfsongeval is. Sinds de Middeleeuwen klonk al in vele hoeken van de kerk de roep om hervorming. Die hervorming zou dan zowel leer als organisatie moeten betreffen. In de eeuwen voorafgaand aan de Reformatie waren er vele tendensen geweest die de tijd rijp hadden gemaakt voor een uitbarsting. Zo waren concilie en paus in een langdurig conflict gewikkeld geweest over de uiteindelijke zeggenschap in de kerk. Het pausdom had die strijd gewonnen, maar de victorie omgezet in een pausschap dat slechts het eigenbelang in beperkte zin op het oog had (nepotisme, verrijking, etc.). Nationalistische tendensen hadden in landen als Frankrijk en Engeland de kop opgestoken en de eenheid van de kerk onder grote druk gezet. De van origine zo creatieve scholastiek tenslotte, was tot zijn eigen karikatuur verworden. Voeg daarbij het opkomend humanisme dat juist om een onbevangen kijk op instituties en teksten vroeg, en ook de rol die leken -zelfbewuste stedelingen -wilden spelen en de spanning zal duidelijk zijn.

Het conflict barst dan uit over de vraag hoe een mens in de juiste verhouding tot God komt te staan. In de juiste verhouding, versta daaronder hoe hij een eigen omgang met God kan creëren, maar ook hoe hij als gebroken en feilbaar mens weer tot een directe omgang met God kan komen. Het klassieke antwoord was geweest dat moraal en kerk de paden weer schoon konden vegenen bruggen konden herstellen. De kerk schonk in Gods naam genade, vereiste gedrag dat daarmee in overeenstemming was, maar had daardoor ook een monopolie. Anders gezegd, het individuele leven krijgt slechts de juiste dimensie als het in gemeenschapsverband wordt geplaatst. Je kunt individueel zondaar zijn, maar de gebroken bruggen kunnen pas in gemeenschapsverband, namelijk dat van de kerk, hersteld worden. De omgang met God wordt daardoor au fond een zaak waar de enkeling geen zeggenschap over heeft, geen bijdrage aan kan leveren tenzij door zich aan te sluiten bij die gemeenschap. Maar dan is hij ook de zeggenschap over de eigen individualiteit kwijt. De grootsheid van de Reformatie schuilt er nu in dat zij de mens als individu weer handelingsbekwaam maakte en hem het recht verschafte de omgang met God in eigen hand te nemen. De mens wordt subject, maar vanaf dat moment raakt het geloof ook gesubjectiveerd.Subjectivering en destructie Een subjectivering met positieve kenmerken, maar ook grote nadelen. Mensen gaan zelf de bijbel lezen en zijn zelf in staat troost en inspiratie te putten uit de oude woorden. Mooi, maar de omgang met oude teksten is een complexere zaak dan menigeen in de gaten heeft. Enerzijds ontstaat er al snel een kritische bijbelwetenschap, anderzijds is er de Sirenenzang van fundamentalisme en het letterlijk nemen van de teksten. De Reformatie kon weliswaar bij herhaling Paulus citeren dat het niet ging om de letter maar om de geest, men bleef schipperen tussen de Scylla van wetenschappelijke fragmentatie en de Charybdis van letterlijkheid. Die tweespalt wordt door geen enkele kracht meer beheerst. De kerk als gezagvolle gemeenschap was geschrapt en beheerst de spanning niet meer. Het gevolg was dat twaalf jaar na het begin van de Reformatie (1517) de breuken in de verschillende interpretatie van de gedachtenismaaltijd van Jezus al niet meer te lijmen zijn. Een sacrament dat toch de kern van de gemeenschap moest verbeelden, althans zichtbaar maken. Maar in 1529 spat het in Marburg uit elkaar, de gemeenschap breekt in stukken en wordt nooit meer geheeld. Het is een proces dat nog steeds door gaat. Schrijft bijvoorbeeld een theoloog als Kuitert over de bijbel, dan zal hij op oerprotestantse wijze alles net zo lang ontleden en analyseren totdat hij de samenstellende delen heeft gevonden. Zijn conclusie is dan dat de samenstellende delen van god en geloof menselijke voorstellingen zijn. Anderzijds zal de orthodoxie in datzelfde protestantisme zich vastklampen aan de heiligheid van de teksten en bijvoorbeeld het geloof in de opstanding als waterscheiding hanteren tussen echte en onechte gelovigen. Het is een verscheurend proces dat nergens wordt geremd door een kerkbegrip dat de spanning creatief weet te beheersen.

Anders gezegd, er schuilt een groot destructief element in de hele geschiedenis van de Reformatie. Een zelfdestructief element dat begon met de beeldenstorm, die afgrijselijke vernietiging van alle kunst waar het protestantisme zich schuldig aan heeft gemaakt. Het woekert nog steeds voort bij gebrek aan elementen die de subjectivering en zelfdestructie een halt kunnen toeroepen. Er is geen gemeenschappelijke beleving of interpretatie van de gedachtenismaaltijd, geen gemeenschappelijke interpretatie van de rol van voorgangers, etc. Er is alleen maar vrees voor hiërarchie à la Rome. Met als gevolg dat alle werkelijke machtsstrijd, die natuurlijk aanwezig is, versluierd plaatsvindt. Men heeft geen paus en acht dat een voordeel. Maar het feit dat de machtsuitoefening van de paus zichtbaar geschiedt in plaats van versluierd zoals in de protestantse kerken, ziet men over het hoofd. Bovendien heeft het protestantisme geen enkele bijdrage geleverd aan architectuur, kunst of liturgie. Zijn bijdrage aan de cultuurgeschiedenis is daarom een tijdelijke, afgedwongen door de reële vragen en noden van een bepaalde tijd, maar het protestantisme heeft nu zijn tijd gehad. Elke gelovige kan nu een eigen omgang creëren met God, wetenschap voert allang een dialoog met geloof en ketters worden niet meer verbrand. Bovendien, over grote stukken van de theologie (bisschopsambt, gedachtenismaaltijd, etc.) bestaat tussen katholieke en reformatorische theologen allang overeenstemming; het is alleen niet opportuun daarover te spreken. Zelfs voor het pausschap is een modus te vinden.

Kort gezegd, de erfenis van Origenes, het kritisch kunnen kijken naar eigen traditie, geschiedenis en heilige schriften, is veiliggesteld, tijd dus om te verdwijnen van het theater van de geschiedenis, op straffe van te blijven wonen in een boerderijtje terwijl Versailles brandt.

Derde stelling: De erfenis van het christendom is niet God maar de gemeenschap Dus laten protestanten zich weer invoegen bij de Romana. Maar waarom zou je dat doen? Omdat de tijden veranderen en wij die tijden zelf zijn en dus ook moeten veranderen. Omdat het in een tijd van komende conflicten niet voldoende is om te wijzen op de gevaren van de tegenstander. Er moet naar eigen structuren worden gekeken en die moeten worden aangepast. Christendom in de 21ste eeuw heeft er baat bij opnieuw als eenheid te kunnen fungerenen continuïteit te kunnen uitstralen. Continuïteit die zowel nieuwe vormen moet kunnen voortbrengen, als de erfenis van Origenes en Augustinus veiligstellen. Immers, gezien zijn oorsprong en ontwikkeling moet je constateren dat de grootste erfenis van het christendom niet het theïsme (= het geloof in een persoonlijke God) is, niet het godsbegrip, maar de vorming van een krachtige gemeenschap. Een krachtig kerkbegrip gecombineerd met vrijheid van denken -dat is wat we nodig hebben. Het debat gaat niet om de vraag of er een God is en wie Hij is, maar binnen welke gemeenschap we vrijheid hebben om daarover te denken. Op het moment dat de Europese gemeenschap zoekt naar iets meer bindmiddel dan een euro en nieuwe lidstaten wel opneemt maar nauwelijks duldt, wordt het tijd dat de eigen geestelijke structuur weer zijn oorspronkelijke slagkracht hervindt. Want het gaat niet om anti-islamisme, het gaat erom duidelijk te maken dat onze cultuur vrijheid en identiteit tot een historisch samenspel heeft weten te smeden dat een onopgeefbaar goed is. Geen religie zou Europa mogen betreden die dat samenspel niet wezenlijk wil integreren zoals ook het christendom dat zelf heeft moeten leren.

Europa, dat was ooit een meisje dat geroofd werd door Zeus uit Phoenicië. Zij bracht het alfabet mee, dus kennis en wetenschap. Maria kreeg een kind dat opstond uit de dood. Beide vrouwen ervoeren dat hun bestemming niet lag in de beslotenheid van de eigen geschiedenis, maar school buiten de eigen horizon. Die vrouwen moesten nog maar even de beelddragers van onze cultuur blijven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden