Er klopt een hart in dit werk

Gevraagd naar haar talent voor heldenverering neemt filosofe Désanne van Brederode het in de tweede aflevering van deze reeks op voor de anti-held. ,,Alleen wie weigert van stenen brood te maken, terwijl dit kunstje wel in zijn vermogen ligt, is een held.”

Désanne van Brederode

In de rubriek Zelfportret van het weekblad HP/De Tijd antwoorden min of meer bekende Nederlanders op de vraag ’Wie zijn uw helden?’ doorgaans met de namen van bekende sporters, schrijvers, artiesten en politieke vrijheidsstrijders. Blijkens de toelichtingen wordt heldendom geassocieerd met overwonnen tegenslag. Met onverschrokkenheid, optimisme, (zelf)vertrouwen, vasthoudendheid en doelgerichtheid, maar evenzeer met een open blik, overgave en offerbereidheid. Kenmerkend aan een held is dat hij een balans bewaart tussen trouw aan zijn eigen roeping en de moed tot ontrouw – opgevat als de flexibiliteit die nodig is om op toevalligheden adequaat en eventueel creatief te reageren. „Bereik ik mijn doel niet rechtsom, dan linksom.”

Toch worden in de rubriek hoofdzakelijk one-issue-bekendheden opgevoerd, terwijl de pragmatische types schitteren door afwezigheid. Geloofwaardigheid gaat boven alles. Evita Peron en Prinses Diana, die hun positie en populariteit gebruikten om goed werk te doen, zijn minder heldin-fühig dan Moeder Teresa en Majoor Bosshardt; gewone, sterke vrouwen die zich uit overtuiging een leven lang inzetten voor minderbedeelden. Logisch: rond de liefdadigheidswerken van de eerste twee hing die penetrante geur van opportunisme. Ook Live Aid-organisator Bob Geldof wordt geregeld op achterdocht getrakteerd: „Ach, als je weet dat je als popster eigenlijk niet geslaagd bent en toch graag in de schijnwerpers wilt staan, dan ga je herrie maken over de honger in Afrika.” En een echte held? Die springt nooit in een niche, dat is te makkelijk. Er moeten offers gebracht.

Chapeau voor de topsporters, filmsterren, politici en muzikanten die eerlijk toegeven dat ze al jaren geen feestje meer hebben bezocht, niet weten wat het is om languit op de bank te liggen zappen, die geen tijd hebben voor hun gezin, de nieuwste modes niet kennen omdat ze zelden een winkel van binnen zien en nooit voor de vuist weg over het web surfen. Die types ontzeggen zich veel voor hun passie!

Ik betwijfel dat het hier werkelijk om offervaardigheid gaat. Zouden de beroemdheden namelijk wel geregeld een feestje bezoeken, televisiekijken of shoppen, dan zouden ze na een uur al somber denken: „Dit gaat nergens over. Mag ik alsjeblieft weer terug naar waar ik mee bezig was?” Een enkeling vermeldt ook dit eerlijk. Tevergeefs. Interviewer en publiek willen horen dat de held lijdt of heeft geleden – dat verhoogt de eerbied.

Daarnaast mogen helden best een spoor van vernielingen achterlaten. Indien het resultaat van hun levenswandel een imposant oeuvre is, een sportprestatie of een minstens zo belangwekkende politieke aardverschuiving, vergeven we hun de misstappen moeiteloos. Je bent een kniesoor als je het de grote anti-racismedominee Martin Luther King kwalijk neemt dat hij er in zijn privéleven een rotzooi van maakte, omdat hij het rokkenjagen niet kon laten – vinden ook mensen die zich doorgaans veroordelend uitlaten over promiscuïteit en huwelijksbedrog. Wat de buurman niet mag, mag de held wel; zijn wandaden leggen het immers af tegen zijn uitzonderlijke prestaties.

Helaas wordt de redenering geregeld omgedraaid en worden sommigen eerder beroemd door hun woeste, onconventionele levensstijl dan door hun werk.

Ook ikzelf meende in mijn puberteit dat het volgen van mijn driften en het telkens weer opzoeken van heftige confrontaties mijn toekomstige schrijverschap alleen maar ten goede zouden komen. „Bedenk wel dat hij die faalde in ’t grote, meer zij dan hij die uit angst steeds bij het kleine bleef”, de slotregel uit een gedicht van Adama van Scheltema, werd mijn motto. Dus faalde ik hartstochtelijk in het grote. Bovendien pasten alle klappen die ik in mijn jeugd van klasgenoten had ontvangen, en alle pesterijen perfect in de wordingsgeschiedenis van een held. „Wacht maar”, dacht ik als ik tegen de grond werd gewerkt; „mijn tijd komt nog wel.” Niet dat deze wraakgedachte de pijn verzachtte, maar ze gaf die wel een glans van noodzakelijkheid. Eigenlijk bevond ik me in een initiatie-rite, om daarna... Hoe clichématig.

Trouwens, net als voetballers, acteurs en het merendeel van de politici, kunnen schrijvers hooguit idolen worden, geen helden. Het enige dat al deze mensen namelijk doen, is het perfectioneren van hun talenten, binnen een reeds bestaande context waarvan iedereen weet dat er roem in is te behalen. Was Johan Cruyff met een ongewoon knikkertalent geboren, dan had hij evengoed fanatiek kunnen trainen, spelen en winnen, zonder daarvoor zelfs maar een compliment van de bakker te krijgen. De doelpunten die Cruyff heeft gemaakt kenden geen precedent en zijn onherhaalbaar, maar toch: we kunnen de man alleen prijzen omdat er voetbal bestaat, omdat er over geschreven en gesproken wordt, omdat miljoenen mensen dankzij de televisie naar wedstrijden kunnen kijken.

Hetzelfde geldt voor de romankunst.

Niettemin noemde ik, toen HP/De Tijd ook mij vroeg naar mijn helden, Graham Greene, Etty Hillesum en Charlotte Salomon. Alledrie doen in hun werk aan radicaal zelfonderzoek. Ik had er nog aan moeten toevoegen dat zij de lessen, getrokken uit dit onderzoek, ook direct in praktijk brachten. Als lezer ben je getuige van een razendsnelle innerlijke ontwikkeling – iets wat veel oeuvres van andere grootheden ontberen. En dit wellicht weer omdat de meesten al bij leven bekendheid genoten en, gestimuleerd door de reacties van de buitenwereld, trouw bleven aan hun temperament, hun onderwerpen en stijl. Aan de dwingende eis van herkenbaarheid en geloofwaardigheid, inderdaad.

Het pakket autobiografische gouaches dat Charlotte Salomon een kennis in bewaring gaf voordat ze door de nazi’s werd opgepakt en vermoord (’Bewaar het goed, dit is mijn hele leven’), was wellicht gemaakt voor de excentrieke muziekpedagoog met wie ze ooit een verhouding had. Niet voor ons. Ook Hillesum hield haar dagboeken niet bij met het oog op publicatie. Er hoefde geen sympathiek imago te worden opgebouwd. Van onbewuste zelfcensuur lijkt evenmin sprake. Hoewel anoniem, waren Salomon en Hillesum echter geen amateurs die ’op gevoel’ te werk gingen; daarvoor was hun eerbied voor kunst en literatuur in het algemeen te groot. De vrouwen onderwierpen zich aan hun eigen strenge criteria. Misschien wel daarom doen deze werken bijna pijn van schoonheid.

Er klopt een hart in, er stroomt bloed door; juist omdat er niet door een redacteur een rode pen is gehanteerd. Geen ander mens heeft suggesties gedaan teneinde het verhaal coherenter, mooier – of juist vervreemdender en rauwer te maken. Als beschouwer krijg je de volledige persoon, zonder dat er plastische chirurgie is toegepast.

Wie hún werk kent, kan de tentoongestelde slaapkamergeheimenissen van Tracy Emin alleen nog maar als nihilistisch, kinderachtig exhibitionisme zien. Een pervertering van de gulheid waarmee Salomon en Hillesum zichzelf meedeelden in hun werk.

Ik zal me daarom altijd blijven verzetten tegen mensen die het genoemde werk roemen omdat de maaksters ervan Joods waren en omkwamen in concentratiekampen. Die tragiek geeft het werk niet zijn glans. Sterker: door de werken louter op te vatten als Holocaustdocumenten, ga je voorbij aan de artistieke en filosofische kwaliteit ervan. Je negeert de (voor die tijd onvrouwelijke, want vrijmoedige) aspiraties van de vrouwen, hun begeerte, jaloezie, worstelingen en extatische momenten. Kortom al die emoties en gedachten die ze ook hadden gehad indien er geen oorlog was geweest en geen jodenvervolging.

Charlotte Salomons vondst om haar levensverhaal te gieten in een ’zangspel’ van een vastgesteld aantal bedrijven, om op een enkele bladzijde soms meerdere kamers of momenten weer te geven, is fenomenaal. Dat geldt ook haar keuze om de verschillende episoden hun eigen basiskleur te geven en om de portretten van haar hoofdpersonen weer te geven in bijna ritmische reeksen, met steeds wisselende gelaatsuitdrukkingen en uitgeschreven gedachten daaromheen. Zelden was schilderkunst zo dynamisch, alsof het werk een antwoord wil zijn op alle zelfdodingen in Charlotte’s familie van moeders kant, en op de zelfdestructieve trekken in haar eigen karakter.

Toch trof ik haar boek zelden aan bij in kunst en literatuur geïnteresseerde leeftijdgenoten. Wel vaak bij oudere echtparen, naast het werk van Lou de Jong, Martin Buber en Chaim Potok. Keurige geëngageerde mensen, lid van Amnesty en Pax Christi, maar te degelijk om opgewonden te kunnen raken van deze naar de diepste diepten en hoogste hoogten reikende ziel. Nooit las ik een beschouwing over de moed en humor waarmee Salomon het taboe op zelfmoord durfde te doorbreken. Over de bijzondere kleur- en vormkeuze houden ook kunstkenners hun mond; stel je voor dat het lijkt alsof je de oorlog slechts als een omgevingsfactor opvat

Helaas is het omgekeerde eveneens waar: zonder de oorlog hadden we hun werk waarschijnlijk nooit gekend. Wellicht hadden de vrouwen inderdaad niet met zoveel ijver en eigenzinnigheid doorgewerkt – of ze hadden wel gemaakt wat ze wilden maken, maar daar later spijt van gehad en het werk vernietigd. Wat zouden ze nog hebben gemaakt als ze hadden overleefd? Waren ze dan ook bekend geworden? We zullen het nooit weten.

De belangrijkste, meest veronachtzaamde componenten in ieder ’heldenleven’ zijn toeval en noodlot. De fabrieksarbeider die van de ene dag op de andere een held wordt omdat hij op zomaar een maandagmorgen een gezin uit een brandend pand redt, was zonder dit vuur tot aan zijn dood een anonieme persoon gebleven. En, even gechargeerd als cynisch: zonder de terreur van het communisme hadden we geen inspirerende dissidente schrijvers gekend, geen vrijheidsstrijders als Vaclav Havel en Lech Walesa. Zonder apartheid geen Desmond Tutu en geen Nelson Mandela. Dit betekent uiteraard niet dat je mag zeggen: „Dan zijn die rampen dus toch nog ergens goed voor geweest”, laat staan dat je mag hopen dat zich gauw iets gruwelijks voordoet, opdat jijzelf ook kunt laten zien wat je waard bent.

Geen enkele heldenbiografie kan worden gebruikt als scenario dat je slechts hoeft na te spelen om zelf een held te worden. Na Majoor Bosshardts overlijden zijn er nog genoeg verslaafden en prostituees op de Wallen over; haar levenswerk laat zich eventueel imiteren. Hetzelfde geldt voor Moeder Teresa’s werk voor de leprozen in Calcutta. Ook haar taak is over te nemen. Heldenstatus verzekerd? Nee. Want al verricht de navolger minstens zoveel werk, de vraag ’lijk ik wel genoeg op mijn held?’ zal steeds als een donkere schaduw tussen de gever en de vrager-in-nood in staan.

Hierdoor wordt de laatste, of hij dit merkt of niet, bejegend als middel om de ander een held te laten worden – niet als doel in zichzelf. Je kunt je hierbij zelfs afvragen hoe nobel het is om anderen te helpen, als je dit in de eerste plaats voor Jezus Christus doet, of om zoveel mogelijk op Hem te lijken. Persoonlijk zou ik me gebruikt voelen als ik wist dat iemand die voor mij in de bres springt dit niet doet omdat mijn mensenleven telt, maar omdat hij meent dat hij daarmee zijn grote voorbeeld een dienst bewijst. Ik zou me gebruikt voelen, al ben ik zelf ook christelijk. Maar hoe voorkom ik dat ik zelf mijn medemensen gebruik?

Deze vraag brengt me bij Graham Greene, die gezien het bovenstaande het minste in het rijtje thuis hoort. Meedogenloos fileerde hij zijn duistere kanten in zijn romans, doorgaans bij personages die wat betreft geloof, rechtvaardigheidsgevoel, twijfel en seksuele ontrouw op hun schepper leken. Maar hij speelde wel op het veld van de romankunst en was dus verzekerd van publiek.

Hoe radicaal eerlijk kun je in je werk nog zijn, als je al een bepaald beeld van jezelf de wereld hebt ingestuurd? Als er in interviews al is gehengeld naar het autobiografische gehalte van je romans?

Zeker, het kunstzinnig omwerken van je eigen ’zonden’ en je schuldgevoel daarover kan nobel zijn; het kan lezers aanzetten tot even radicale zelfreflectie, of tot begrip en vergeving van door de communis opinio reeds veroordeelde ’zondaars’ in hun eigen omgeving. Maar is het voor de reële slachtoffers van je reële wandaden, van je leugens en je bedrog, wel zo aangenaam om een intieme, pijnlijke geschiedenis in literaire fictie hergebruikt te zien worden? En te merken dat de auteur wordt geprezen om zijn eerlijkheid, dat hij er aan verdient en met verfilmingen en prijzen wordt geëerd?

Ook met deze vragen heeft Greene onafgebroken geworsteld, blijkens de scrupules waardoor hij zich, naarmate hij ouder werd, meer en meer liet leiden. Dat ik hem nog steeds een held noem, heeft vooral te maken met bewondering voor zijn moed om de verleiding te weerstaan die elke schrijver kent, namelijk om uit vriendschap of liefde dierbaren te ontzien. Misschien is het nee-zeggen tegen dergelijke verleidingen zelfs een groter offer dan, na behaald succes, door te gaan met het plunderen van je eigen psyche. Greene kende zijn streken beter dan wie ook en molk ze niet uit, maar bestreed ze. Zonder uiterlijk vertoon.

Mijn helden willen niet alleen dag na dag beter in hun vak worden, nee, ze willen hun betere ik worden. Als ik mijzelf al schrijvende diepe inzichten aanreik en later mijn lezers, ben ik ook zelf de eerste die iets met die inzichten moet doen; mijn woorden zijn niets waard als ik er niet zelf naar leef. Zoiets. En dit zonder collega’s dezelfde maatstaven op te leggen, want ook dat kan een verleiding zijn. Het moge duidelijk zijn dat ze hierin verschillen van de helden die in het openbaar opereren en objectief beschouwd de top in hun vakgebied hebben behaald of anders objectief waarneembaar ’bergen hebben verzet’. Die iets hebben gedaan wat door iedereen wordt aangemerkt als verrijkend en zinvol.

Uit dit soort uiterlijk heldendom kan een coach nog een handvol wijze lessen peuren. Ook auteurs van cursusboeken en managementtrainers deinzen er niet voor terug om heldenlevens op te delen in stappen op weg naar charismatisch, succesvol leiderschap; jij bent de meester, de kunstenaar, de held van je eigen leven heet het dan, iedere dag is een avontuur, iedere ontmoeting een ’uitdaging’. De Griekse mythologie, de Parcival-legende, Goethes ’Faust’ en Dante’s ’Goddelijke Komedie’ worden gebruikt om iemand de winnaar in zichzelf te laten ontdekken. Je zou de massa’s die hier in trappen (alleen al om ze geld te laten besparen) soms willen toeroepen: ’Doe het niet!’ en ze wijzen op de studie van Joseph Campbell naar de treffende overeenkomsten in heldenverhalen uit de hele wereld en uit alle tijden. Alle helden uit de grote mythen zijn, wat hun Werdegang betreft, volkomen inwisselbaar.

Ze hebben niets specifieks. Niets waar je je aan kunt ergeren, en niets waar je jarenlang verliefd op blijft. Geen wonder. Ze maken in de buitenwereld van alles mee, maar hebben geen innerlijk leven. Ze zijn bedoeld als vehikels om mensen deugden te leren en ze te leren reizen door het weerbarstige landschap van hun eigen ziel.

En daar begint arbeid pas. Daar moet je het stellen zonder voorbeeld, zonder oordelen van het publiek, zonder hun hoongelach, maar ook zonder gejuich. Daar is onverschrokkenheid geen vereiste, moed echter wel. Wie onverschrokken is, gaat recht op zijn doel af, is niet bang voor fysiek geweld en tegenslag van buiten. Maar een werkelijk moedig persoon durft de kwaliteiten die hem uitzonderlijk maken te offeren. Zijn deugden, talenten, oordelen en opinies – zijn zelfbeeld en het imago dat hij reeds heeft opgebouwd.

De grootste strijd speelt zich af in het verborgene, zijn tegenstander is hijzelf. Aan niemand kan hij zijn worstelingen uitbesteden en nergens zal hij waardering vinden voor zijn inspanningen. Geen vriend kan voor hem beoordelen met welke trekken uitgerekend hij in het reine moet komen. Ook zelf weet hij niet wat het resultaat is van zijn strijd. Is dat dwaas? Onredelijk? Zonde van al die uitzonderlijke talenten? Absoluut.

Toch, in mijn ogen is alleen iemand die het aandurft een anti-held te worden, een held. Wie weigert van stenen brood te maken, terwijl dit kunstje wel in zijn vermogen ligt, is een held. Zo iemand wil geen hongerigen gebruiken ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Nee, hij wil zelf bruikbaar zijn, en niet dusdanig in zijn missie opgaan, dat hij onderweg geen hulpgeroep meer hoort. Hij bekommert zich niet om zijn eigen geloofwaardigheid, maar wendt al zijn krachten aan om te blijven geloven dat ieder mens een unieke roeping heeft en onvervangbaar is. Omdat dit moet van zijn geweten. Desnoods tegen beter weten in. Mijn helden hadden juist niet op alles een antwoord, maar durfden te vragen ‘Wie ben ik?’

Vreemd, maar de echo klinkt als: ‘Wie ben jij?’ En jij. En jij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden