'Er is natuurlijk wel wat gebeurd'

Bert van Marwijk leidde Oranje naar de WK-finale, zoals Rinus Michels in 1974 en Ernst Happel in 1978. Hij koestert de romantiek van toen en wil voor zichzelf de beste psycholoog zijn.

Daags tevoren is de bondscoach van Oranje verkozen tot Nederlands coach van het jaar. Of hij dat nog nodig had, is dan toch de onvermijdelijke vraag: de bevestiging, de genoegdoening, na de kritiek die er ook is geweest op zijn Oranje, de op een na beste ploeg toch van het WK 2010? „Niet meer”, zegt Bert van Marwijk. „Maar dat heb ik wel gehad–toen Alex Ferguson zich afvroeg of ze gek waren geworden in Nederland.”

Die boodschap van de nestor der voetbalcoaches werd hem in september overgebracht door Stuart Baxter, toen nog de Schotse bondscoach van Finland. Oranje was in bepaalde kringen hard en, meer nog, saai spel verweten. „Ik heb het idee dat men er langzamerhand anders tegenaan kijkt”, zegt Van Marwijk nu. „De mensen kennen de kritiek, maar of ze het ermee eens zijn betwijfel ik. Het kan geen toeval zijn dat je twaalf kwalificatiewedstrijden op rij wint, dat je bijna geen wedstrijd verliest, dat je het best scorende team bent van 2010, dat je hebt laten zien dat je mooi kunt voetballen. Iedereen begint nu ook wel te begrijpen dat we altijd aanvallende intenties hebben gehad, maar dat het niet altijd kán. Ik heb er geen behoefte aan mijn gelijk te halen. Het heeft zich vanzelf opgelost, denk ik.”

Zijn eigen evaluatie van het WK, met vertraging op gang gekomen, lijkt nog voort te duren. De band met de finale tegen Spanje liet Van Marwijk lang in de kast liggen. Pas vorige maand begon hij plots openlijk te filosoferen, over de mentale houding vooral na het bereiken van de finale. Waren hij of de spelers toen misschien dan toch iets losser geweest dan daarvóór, toen ze elkaar wedstrijd na wedstrijd tot scherpte hadden verplicht? En de wisseling van hotel, in de dagen voor de eindstrijd, wat was dáárvan het effect geweest? „Tegelijkertijd denk ik: als Robben die bal er inschiet, waar hebben we het dan nog over? Zo snel kan ik ook relativeren, je moet het niet te zwaar inzien.”

„Geloof me: ik lig geen seconde wakker van de WK-finale. Maar als je ermee wordt geconfronteerd, als je er vragen over krijgt, dán ga je denken: verdorie, we waren er dichtbij. Ik heb het gevoel gehad dat Spanje in fases vele malen beter was, maar zo veel beter als ik dacht bleken ze niet geweest te zijn. Om een wereldprestatie te leveren moet je een goede dag hebben. Kijk naar individuele sporters: Mark Tuitert, zo knap, alles gericht op het koningsnummer van de Spelen, dáár moest hij er zijn. Als vier, vijf spelers dat bij ons hadden gehad–dat denk ik dan wél.”

„Het zijn als-dingen, en in principe heb ik daar een hekel aan. Maar ze kunnen, naar het EK, een aanvulling zijn op ons draaiboek waarin we volgens mij twee jaar lang alles goed hebben gedaan. Er waren geen regels, we zijn na mijn aanstelling met de staf gewoon met een kop koffie bij elkaar gaan zitten. Binnen de spontaniteit is een aantal regels ontstaan. Dat is mijn filosofie: ik hou van natuurlijke discipline, niet van gemaakte.”

Zo is deze bondscoach van Oranje: ongecompliceerd, wars van interessantdoenerij–specifieker: van mentale hulp, van boekenwijsheden. Het zou de onhandigheid kunnen verklaren in zijn post-WK-overwegingen. Ze zijn overtrokken overgekomen, vindt Van Marwijk, bijvoorbeeld door zijn ontboezeming dat hij na het toernooi tijdens zijn vakantie voornamelijk heeft geslapen. „Als mensen na een jaar verzuchten dat ze aan vakantie toe zijn, kijk ik m’n vrouw altijd aan: flauwekul. Maar dit is wel van een onvergelijkbare intensiteit geweest. Kijk naar de topclubs, hoe spelers de naweeën ondervinden van het WK: geblesseerd, uit vorm, vermoeid. Ik moet niet overdrijven, maar men moet het ook niet bagatelliseren: er is natuurlijk wel wat gebeurd.”

En dat alles wil Van Marwijk dan op eigen houtje ordenen. Eigenwijs is hij altijd geweest. „Ik schaam me ervoor dat ik nooit bij grote coaches in de keuken heb gekeken, en tegelijkertijd denk ik: ik hoef daar niets van te leren, ik kan het zelf ook wel.” Maar toen oud-PSV’er Anton Janssen hem na een voordracht op de trainerscursus vroeg of hij toch niet iets aan een sportpsycholoog zou hebben gehad, vond hij dat geen gekke vraag. Het was gegaan over de eerste helft tegen Brazilië, in de kwartfinale, en het begin tegen Spanje. In beide gevallen was Oranje zichzelf niet geweest, oordeelde Van Marwijk destijds. Niets geleerd nog in die korte tijd, zou de conclusie kunnen zijn.

De bondscoach nu: „Achteraf wel, ja. Tegen Brazilië was ik verbaasd, in de rust tegen Spanje was ik kwaad. Juist door de eerdere ervaring had ik niet verwacht dat het ons nog eens zou overkomen. En toch: er zijn allerlei psychologische foefjes te verzinnen, maar wat kunnen ze nog waard zijn als je zo’n stadion binnenkomt, Shakira heeft net gespeeld, de hele wereld kijkt, twaalfenhalf miljoen mensen in Nederland? Dat moet je meegemaakt hebben. Dezelfde staf, dezelfde spelers–het zal ons niet nog eens gebeuren, zo’n begin als tegen Spanje. We moeten zelf onze beste psycholoog zijn.”

Op zijn manier was Van Marwijk dat geweest bij het programmeren van de campagne. Nooit was een Nederlands voetbalteam langer bijeen, bijna twee maanden, maar de ook door de bondscoach gevreesde verveling sloeg zelden toe. De onderlinge band was wellicht al aangetrokken in de eerste dagen van het voorbereidende trainingskamp in Oostenrijk, toen de vrouwen en kinderen erbij mochten zijn.

„Als ik dat doe, had ik bedacht, gaan de dames elkaar beter kennen”, zegt Van Marwijk. „Ze zullen telefoonnummers uitwisselen, ze hebben het gevoel erbij te horen. Dan hebben ze er meer begrip voor dat die spelers straks lang weg zijn. Wij moesten topprestaties leveren. Dan moet de relatie tussen huis en daar, in Zuid-Afrika, goed zijn. Voor vrouwen, maar dat moet je op een lieve manier opschrijven, kan het moeilijk zijn. Dat ze dat laten merken kun je niet altijd voorkomen, maar ik dacht: hierdoor kan ik een hoop wegnemen.”

Hier lijkt zowaar een vleugje door te klinken van Louis van Gaal, in zijn hang naar alomvattende controle een tegenpool, die zich erop liet voorstaan ook de verjaardagen van spelersvrouwen te kennen. Van Marwijk: „Ik ben geen familieman in de zin dat ik zoiets weet. Dat interesseert me eerlijk gezegd ook niet. Maar ik denk achteraf dat het heel belangrijk is geweest. Dat het begrip veel groter is geworden, ook naar mij toe. Het is opvallend dat spelers graag voor Oranje bijeenkomen. Ik vergelijk het altijd met het amateurvoetbal. Dan verzucht zo’n trainer dat hij er geen zin meer in heeft: er komt bijna niemand trainen. Maar wiens schuld is dat? Bij mij kwam bijna altijd iedereen trainen.”

Zegt de voormalige amateurtrainer van FC Herderen, RKVCL en SV Meerssen, die nu de nationale eregalerij bevolkt met Rinus Michels en Ernst Happel, de bondscoaches die Oranje eerder, in 1974 en 1978, naar een WK-finale leidden. „Ik heb niet het idee dat ik iets bijzonders doe. En dan zie ik bij het sportgala mijn grote kop op het scherm. Mijn dochters en mijn vrouw staan volledig achter me, maar altijd ingetogen. Maar mijn dochter had het gezien en nu was ze toch wel heel trots. Op sommige momenten word ik eraan herinnerd dat het toch wel speciaal is.”

In Zuid-Afrika had Van Marwijk parallellen met Michels en Happel beschroomd weggewimpeld–bijna bang ogenschijnlijk voor vergelijkingen met dat door hem als voetballer zo gekoesterde tijdvak. „Daar zit wel iets in”, erkent hij. „Het voetbal zal er anders uitzien als je het nu gaat terugzien, maar voor mij was het een geweldige tijd, mijn generatie. De romantiek van ’74 en ’78 wil ik graag behouden. Ik kan me er geen voorstelling van maken dat ik in één adem word genoemd met die mensen. Ik zal eraan moeten wennen dat ik nu op één lijn sta. Ik heb moeite om me daarin te profileren, misschien moet ik wel hoger van de toren blazen. Maar dan stel ik daar onmiddellijk zelf tegenover dat de weg der geleidelijkheid toch mijn manier is.”

„Als ze me vragen wat me het meest is bijgebleven: natuurlijk de winst op Brazilië, het halen van de finale en alles eromheen en het winnen van de Uefa Cup met Feyenoord. Maar óók kampioen worden met RKVCL, en misschien nog wel meer dat we ons het jaar daarna handhaafden na twee beslissingswedstrijden. De eerste was gelijk, de tweede wonnen we in de verlenging met tien man. We versloegen de van oudsher belangrijkste club van Maastricht. De huldiging van Oranje was geweldig, zij het niet mijn wereld, maar ook de huilende gezichten van toen zie ik nog voor me.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden