Er is geen sprake meer van terug

Vanaf deze zaterdag verschijnt in Letter & Geest maandelijks een essay van schrijver Willem Jan Otten. Onder het motto ’Tijdeigen’ buigt hij zich over de kwestie-Laura, oftewel: de verdwijnzucht van een dertienjarige. „Het is niet goed voor te stellen hoe een mens zichzelf zou kunnen realiseren zónder dit verlangen.”

Voorbij is de eerste zomer van de Crisis, waarvan velen, tegen beter weten in, hopen dat die de Krimp genoemd zou kunnen worden. De nieuwe tijd waarin de mensheid met minder toe kon en het toch redde.

Waar ik woon vlogen vooral ’s morgens beduidend minder vliegtuigen over, wat zeggen wil dat ik méér dan eens wakker heb kunnen worden van iets anders dan hoge straalmotoren. Van iets ouderwets: een eerste, matineuze gedachte, opwellend uit dat wat ik gemakshalve maar ’mezelf’ zal noemen. Dan vroeg ik me bijvoorbeeld af: hoeveel werkloosheid is deze stilte waard?

Ik heb, kortom, gedaan wat een staatssecretaris ons had gezegd, ’vakantie in eigen land’. De grootste afstand die ik dit jaar heb afgelegd was met de heggeschaar een reis om de buxusbol halverwege de tuin.

De tocht van mijn zomer was naar binnen: ik heb eindelijk Anna Karenina gelezen – een boek dat al eveneens huiswaarts beweegt, althans, Tolstoj laat de liefde van één van de twee paren, Kitty en Lewin, naar een voorouderlijk landgoed leiden, in het hart van Rusland. Daar wordt, met hangen en wurgen, geleerd om het leven te aanvaarden zoals het is – aandachtig, eenvoudig, gehoorzaam aan de seizoenen.

Het is een moeilijk en hard proces – rigoureuzer, zo lijkt het soms, dan de tragische wegloopliefde van Anna Karenina en Vronsky, die, zo lijkt Tolstoj te willen zeggen, wel tot passie maar niet tot groei leidt.

Het boek maakte me en passant duidelijk dat de Russische literatuur van de negentiende eeuw geen zeegat kent, geen horizon waarachter het Onbekende de hoofdpersonen wacht, geen Nederlands-Indië waarheen je kunt verdwijnen, geen Finistère ook. De Russische held ontwikkelt zich tijdens een tocht landinwaarts.

Deze gedachte drong zich op omdat uitgerekend deze zomer, die ons had moeten kluisteren aan de eigen camping, de kwestie Laura ontbrandde.

Het was een columnistensprookje.

Een kind van dertien wil in een boot van nog geen negen meter om de wereld zeilen. Haar vader vindt het goed. Haar moeder, sinds de scheiding geen opvoeder meer, zwijgt lange tijd. Poppen aan het dansen. De leerplicht! De sociale ontwikkeling! De eenzaamheid op zee! De ontaarde vader! Onze Rouvoet die op vakantie zijt, grijp in!

Sinds Jeanne d’Arc is er niet zo hartstochtelijk geredetwist over een tomboy, het was alsof de Kinderkruistocht alsnog ongedaan kon worden gedacht. Het had iets archetypisch, de maagd, de boot, de menigte dorpelingen op de rede roepend kom terug! Hier was een Vliegende Hollander van dertien in de maak, en wij waren met z’n allen medeplichtig aan haar verdoemde einde.

Er waren dan ook niet veel stukjesschrijvers die vonden dat Laura maar moest gaan – en zo ja, dan werd ze meestal met turnsters of schaaksters vergeleken, of anderszins topsporters die heel jong weten wat ze willen en zich al disciplinerend ontwikkelen tot vroeg volwassen mensen. Uit zulke vergelijkingen bleek dat de schrijver niet wist wat zeezeilen inhoudt. Of, breder: wat de wijde wereld ingaan betekent. Of, nog preciezer: wat weglopen is.

Want dat leek mij de kern. Een kind wil weg. Echt helemaal weg, zoals een zeezeiler betaamt.

Maar in plaats van te verdwijnen belandde ze in de namaakstorm van het Publieke Debat. Er werd al naar haar gezocht vóór ze vermist was – zelfs de vierjarige Wim, uit het onvergetelijke Gouden Boekje ’Wim is weg’, kon op zijn driewieler verder komen dan zij.

Laura’s lot deed onweerstaanbaar denken aan dat van Truman, in de film ’The Truman Show’. Truman ontdekt dat zijn leven, van zijn geboorte af, een Big Brother-show is geweest. Hij heeft zonder het te weten in een immense studio geleefd, dagelijks bekeken door een wereld waar hij geen benul van kon hebben. Tijdens zijn poging om te ontsnappen – met een houten kajuitjachtje met een boegspriet – laat de regisseur van de show een studiostorm opsteken. Als Truman (gespeeld door Jim Carrey) murw is gebeukt en bijna verdronken laat de regisseur de storm liggen en dan stuit, met een soort droge kloink, de boegspriet tegen een muur aan. Een witte, zorgvuldig gepleisterde studio-muur.

Deze kloink is in mijn ogen één van de, zeg, zeven zeer aangrijpende ogenblikken die de filmkunst tijdens mijn leven heeft gecreëerd.

Dit is het einde van Trumans wereld.

Of: dit is het begin van Trumans leven. Want leven, dat is door deze muur moeten.

De maakbare samenleving kan niet anders dan een studio zijn, waar geen ontsnappen is aan de blik van degene ’die het beste met je voor hebben’, en waar ontsnappingen geregeld worden, waar zelfmoorden bij wet worden gelegitimeerd, waar woestijnervaringen een kwestie van toerisme zijn.

Laura’s vader lijkt, ondanks dat hij zelf zeezeiler is, de radicaliteit van de verdwijnzucht van zijn dochter niet goed aangevoeld te hebben.

Het is leerzaam om ’The Truman Show’ deze winter, als Laura haar huiswerk heeft gedaan, eens uit de te videotheek halen om te bestuderen hoe Jim Carrey tóch aan de greep van zijn jaloerse god ontkomt. Het gaat hoe dan ook om een daad die roekelozer is dan alles wat Truman tot op dat moment heeft gedaan, wanhopig en dapper tegelijk, het is een sprong de realiteit in. Eén die hij alleen maar kan maken na een geweldige crisis waarin de ’vader’, de regisseur, van geen wijken weet.

Het is een sprong die je niet ’samen’ kunt maken, in overleg, met toestemming van de wetgever, de inspectie, de jaloerse goden van de verzorgingsstaat. Zo lang je je vertrek aankondigt en de medewerking van ouders en onderwijsinstanties nodig hebt, ben je niet aan het ware weglopen toe, en, wat erger is: zal het je niets opleveren – hooguit een vermelding in het Guinness Book of Records – dat massagraf van binnen gebleven Trumans.

Er is intussen geen enkele reden om het verdwijnverlangen van een rijk dertienjarig meisje lager aan te slaan dan dat van een modale zestienjarige die zich met voorbedachten rade een delirium zuipt in de keet, of van een studentenbeursafhankelijke negentienjarige die na zijn eerste studiejaar gerugzakt down under gaat, of van de veertiger die plotseling wijnboer wordt, of rooms-katholiek, of van de oude koning, die, nadat hij troonsafstand heeft gedaan, over de Shakespeareaanse heide gaat zwerven. Op ieder moment in een leven kan er een hevig en niet te stuiten verlangen ontbranden om uit het verband te vallen, het einde van de wereld te bereiken, om ’het’, de wereld zoals hij je vasthoudt en in zijn mal houdt, te negeren en achter te laten.

Het is gebruikelijk om hier te psychologiseren: Laura, of de zuipkeetzoekende puber, of de godzoekende veertiger, of Koning Lear willen ergens vandaan – uit respectievelijk de scheiding van de ouders, de stress van geen meisje maar wel hormonen, de stagnerende loopbaan, de liefdeloze bemoeizucht van de dochters. Hoe geruststellend zou het leven zijn als het hier alleen maar om een vlucht ging.

Maar het is niet alleen een negatieve reactie, het is vooral ook een verlangen. Op het moment dat de ’Guppy’ het zeegat bereikt en los van de laatste vaargeulboei raakt, of dat de zestienjarige op vrijdagavond de stampende oceaan van de disco bereikt, of Lear de oneindige heide, is er sprake van iets extatisch’. Je bent alleen! Echt helemaal alleen – en los. Er is geen sprake meer van terug – simpelweg ondenkbaar. Niets weet je van wat voor je ligt, en toch is het oneindig méér dan wat je verlaat.

Deze belevenis heeft, als het erop aan komt, niet met ’achterlaten’ of breken te maken. Alles is betreden, binnengaan, de Zone in, zelfs al speelt het zich nog zo buiten af.

Het is misschien wel de ervaring bij uitstek die bij groeien hoort – een proces dat, zo wil ik met mijn voorbeelden beweren, niet is voorbehouden aan dertienjarigen of adolescenten. Ik herinner me een eerste sensatie van losraken en in iets tuimelend nieuws belanden en dat weten, van toen ik zeven was en het einde van de wereld bereikte, op een woensdagmiddag, in zijn hoedanigheid van de Ringdijk in Amsterdam Zuid. Maar ik herinner het me ook van veel later, vermoedelijk in 1970, lang voor het Web, van voor het eerst porno willen kopen en de winkel met zijn zee van schappen betreden.

Ik wil maar zeggen – Laura staat voor mij symbool voor de zone-lust, of, filosofischer gezegd: voor het verlangen naar transcendentie. De mens is een schepsel behept met het bewustzijn van horizon, van een begin na het einde. Het is niet goed voor te stellen hoe een mens zichzelf zou kunnen realiseren zónder dit verlangen – volwassen worden is een levenslange reeks passages, het huis uit, het ’eigen’ leven in, het moeder/vaderschap of juist: het kinderloze leven in, de werkkring of juist de stilte van een contemplatiever bestaan in, de toewijding aan het religieuze of juist het leven zónder kerkse binding in, het leven ná de kinderen in, het loslaten van de stervenden en gestorvenen in, er is geen leeftijd waarop er geen nieuwe muur verrijst waardoorheen moet worden geleefd. Een passage gaat met crisis en angst gepaard, dat kan niet anders, zekerheid wordt verruild met onzekerheid, met toekomst die nog moet blijken. Er wordt gestorven, ’duizend doden’, maar, zegt Kierkegaard: „niet sterven is ’s mensen zwaarste taak, maar leven, dat namelijk het ogenblik aanbreekt waarop het er echt op aan komt met leven te beginnen”.

Het ogenblik waarop het er echt op aankomt met leven te beginnen – daarover gaat een kunstwerk dat zeldzaam zuiver en dus zeldzaam verontrustend Laura’s verlangen dramatiseert. Het gaat om een film van Sean Penn. Hij heet ’Into the wild’. Het verhaal is snel verteld, eigenlijk is het verhaal één en al afloop: een jongen uit Atlanta verlaat na zijn eindexamen huis en haard en wordt twee jaar later dood gevonden in de bevroren wildernis van Alaska. Hij heet Chris mcCandless.

De film begint met een hartbrekende scène: een vijftigjarige vrouw schiet ’s nachts naast haar man overeind. Ze schreeuwt dat ze Chris gehoord heeft. Dit herhaalt ze enkele malen, ze heeft Chris’ stem gehoord. Je begrijpt dat dit onmogelijk is. Chris is al jaren weg.

Daarna zie je in een besneeuwd landschap een zwaar bepakte jongen afscheid nemen van een onbekende die hem een lift heeft gegeven. Het beeld is breed, de scène is recht van boven gefilmd, links in beeld zie je de motorkap, tegen dat wat ’het laatste hek van de bewoonde wereld’ zal blijken te zijn, en na het afscheid loopt een jongen zonder omkijken rechts de sneeuw in. Hij trekt het eerste spoor.

Die camera recht van boven is raadselachtig. We beseffen dat we iets zien wat niemand heeft gezien toen de echte Chris (de film is in feite een documentaire, een reconstructie van een waar verhaal) in 1992 de beschaafde wereld verliet – wat in onze tijd, en zeker in een film, boven alles betekent dat hij juist onder ’onze’ blik vandaan probeerde te komen.

De afspraak is intussen duidelijk: we volgen iemand op zijn laatste tocht, of beter: regisseur Sean Penn laat zijn acteur, Emile Hirsch, letterlijk in de voetsporen van de ware Chris treden. Dit stukje eerste wildernis is exact hetzelfde als waar het begonnen is.

Het effect van deze blik, pal na de schreeuw van de moeder, is, zonder dat je het beseft, overweldigend. Wie ben je, dat je dit ziet? Niet de moeder, want dit is niet haar droom. Dit is zoals het gegaan is, maar dat kan niet, want toen het gebeurde wist werkelijk niemand waar Chris was. Als er ooit iemand vermist, totaal en onherroepelijk vermist is geweest, dan hij. Hij heeft onderweg niemand verteld hoe hij heette. Hij heeft nooit een levensteken naar huis gestuurd.

Daar ging moeders schreeuw over. En later in de film zal William Hurt, die de vader van Chris speelt, van louter missen midden op straat in elkaar zakken.

We beseffen dat Chris zijn dood tegemoet loopt. Hij zal na een dagenlange tocht op een verlaten bus stuiten. Die wordt zijn bivak, en zijn einde van de wereld. Een zomer lang, 79 dagen, zal hij er uit vrije wil blijven. Daarna wordt hij ziek en kan niet meer terug, rond de honderdtwintigste dag sterft hij. Nog weer later is hij gevonden achterin de bus, waar hij zo is gaan liggen dat hij door een raampje naar de hemel kon kijken.

Hoe zijn verhaal anders had kunnen aflopen dan met dood door vermissing is niet duidelijk – maar daar is het niet om te doen. In flashbacks wordt Chris’ tocht gereconstrueerd, de twee jaar durende lussen dwars door Amerika en Canada. Het is een reeks laatste scènes: steeds neemt hij afscheid van mensen die op hem gesteld zijn geraakt, en hij ook op hen. Vaak zijn ook zij drop-outs, de film is een gemeenschap van eenzamen, oorspronkelijk zou hij ’Alive are the lonely’ heten. Hartverscheurend is halverwege het afscheid van een hippiemeisje, iets ouder dan Laura, waarmee hij niet naar bed is geweest. Altijd moet hij door – naar het onbekende dat hij kent en dat eruit bestaat dat hij er alleen zal zijn, eindelijk helemaal alleen en oog in oog met

Want dat is toch wat ik steeds sterker begon te denken, tijdens deze opeenvolging van meesterlijke, ambigue, vaak woordenloze ’laatste scènes’: hij loopt niet alleen weg, hij loopt werkelijk ergens heen, hij wordt als door een magneet naar het Noorden getrokken, letterlijk, het is alsof hem iets wacht, of iemand – een ontmoeting.

Zulke dingen worden niet hardop gezegd, Sean Penn is een meester in het heel houden van het raadsel, hij laat de kern van Chris met een soort mystieke wijsheid onberoerd, althans, zo komt het de thuisblijvende vader, met tot alle verlorenheid en horizon geneigde zonen, die ik hoe dan ook ben, voor.

Het is een grote belevenis, om én het verdriet, het niet te lessen missen van de achterblijvers (ouders, zus, vrienden en passanten onderweg) mee te maken, én tegelijkertijd te begrijpen hoezeer de zoon niet verloren ging, integendeel: op weg was, alsof hem in het hart van de wildernis iets wachtte.

’He died alive’, was het motto waaronder de film werd uitgebracht vorig jaar, en het is waar: Chris’ sterven is het laatste wat we mee maken, en het brengt hem wat hij zocht. Dit is uiteraard niet ’documentair’ meer, al is het inzicht waar het om gaat als notitie aangetroffen in de kantlijn van een boek dat Chris op het eind gelezen heeft: ’happiness is only real when shared’.

Raadselwoorden. Penn laat zien wat Chris uit zijn busraampje gezien moet hebben met zijn laatste oogopslagen: de lucht, beweeglijke wolken, de verblindende zon daardoorheen. Telkens als het licht je verblindt monteert Penn de beelden van een hereniging van Chris met zijn ouders, voor het ouderlijk huis, erdoorheen. Gefilmd als een slotscène uit een Kodakcolor melodrama uit de jaren vijftig. Uitzinnig, uiterst gedurfd. En steeds ook kijk je, uit dezelfde hoogte als tijdens het aanvangsshot, naar zijn gezicht. En dan weer naar de wolken. En Chris’ stem zegt, voice-over: „Zouden zij, als ik nu het tuinpad kwam opgelopen, hetzelfde zien als ik nu?”

Geluk is alleen echt als het gedeeld wordt. Er gaat een grote kracht uit van deze ongeveer laatste aantekening van de onherroepelijke wegloper. De film doet wat hij zelf niet heeft gekund: hem met ons delen. En het is alsof hij het alsnog gekund heeft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden