ER IS GEEN RESPET BINNEN HET KONINKRIJK

Waarom gaat het soms toch zo fout tussen de drie landen van het koninkrijk? Willen Aruba en de Antillen niet of zijn de Nederlanders te bemoeizuchtig? Regelmatig bliksemen de emoties over de oceaan. Dan heeft een Nederlander zijn falta di respet (gebrek aan respect) weer eens tentoongespreid. En daarmee krijg je de rijksgenoten overzee flink woedend.

Dat de helft van de Antillianen en Arubanen vindt dat Nederland te weinig respet toont en onvoldoende oog heeft voor de andere cultuur die op de eilanden heerst (volgens een recent onderzoek naar de visie van Antillianen en Arubanen over het Koninkrijk der Nederlanden, Ki sorto di Reino), is ernstiger dan het lijkt. Juist omdat de banden tussen de koninkrijksdelen de laatste jaren eerder strakker dan losser worden, ligt in dit onbegrepen falta di respet de kiem van conflicten, menen de onderzoekers.

De grote vraag is dus wat respet eigenlijk is. Minister Joris Voorhoeve, die vier jaar lang Aruba en de Nederlandse Antillen in zijn portefeuille heeft gehad, geeft de volgende definitie: “Respect betekent dat je de ander in zijn waarde laat en hem niet onnodig gezichtsverlies laat lijden. Naast respect voor de ander is natuurlijk ook respect voor de werkelijkheid nodig, dus eerlijkheid in het bespreken van problemen die moeten worden opgelost. Soms zijn beide vormen van respect strijdig met elkaar. Die spanning is met vriendelijke uitleg en geduld meestal wel te verminderen.”

“Mee eens”, zegt de in Nederland woonachtige Antilliaan Gilbert Wawoe, lid van de Raad van State. “Alleen zijn de twee vormen van respect in de Antillen niet strijdig met elkaar. Je kunt hartstikke eerlijk zijn en de ander toch het gevoel geven dat het in orde is. Wij zien in iemand altijd de mens als wezen, als schepsel van God, als je het christelijk wilt zeggen. Wij schuiven niks onder tafel, zoals vaak wordt gezegd, maar zeggen iemand zo de waarheid dat je daarna nog met elkaar om kunt gaan. Dat is bij ons cultureel bepaald; we leven immers op een klein eiland en moeten na een groot conflict weer verder.”

Dat is volgens Wawoe (die respet overigens liever met 'beschaving' dan met 'eerbied' vertaalt) het verschil met Nederland. “Hier is wel sprake van strijdigheid, omdat men de dingen die mis zijn gegaan op de mens schuift, niet op zijn handelen. Als een Nederlandse ambtenaar in een vergadering op Sint Maarten zegt: 'Tenslotte betalen wij, dus laten we het nou maar zo doen', dan degradeert hij de Antilliaan daarmee tot bedelaar. Die is dan aangetast in zijn waardigheid.”

Dignidat dus, een tweede begrip dat niet alleen op de eilanden, maar in het hele Zuid-Amerikaanse continent een grote rol speelt, zegt prof. Harry Hoetink. Hij heeft ruim twintig jaar op Curacao gewoond en uitvoerig over het Caribisch gebied en Zuid-Amerika gepubliceerd. “Eigenlijk zijn Nederlanders de afwijking van het normale. Het is maar in weinig culturen gebruikelijk om elkaar zo recht voor z'n raap aan te spreken als Nederlanders doen. In de West vermijdt men de harde confrontatie.”

Een definitie geven van het begrip respet heeft volgens Hoetink geen zin, omdat de invulling daarvan nu juist cultureel bepaald is. “Waar je in een andere cultuur het territoir van de persoonlijke integriteit betreedt, is moeilijk te bepalen. Dat leer je niet uit een boek, daarvoor moet je in de cultuur zijn ondergedompeld. Je moet er wel enigermate rekening mee houden.

Dus zouden bewindspersonen van alle drie landen zich moeten omringen door mensen die wel in die andere cultuur hebben gewoond.” De gevolmachtigde minister van Aruba, Mito Croes, noemt rüspüt net als Voorhoeve 'de ander in zijn eigen waarde laten'. “Dat betekent niet dat de normen voor ons lager zijn.

Alleen kan de invulling anders zijn. Het is arrogant om te denken dat de Nederlandse oplossing per definitie goed is voor Aruba. Het gaat om het eindresultaat. Dat moet hetzelfde zijn, maar de instrumenten mogen verschillen. Daar hebben we jarenlang met Nederland over gediscussieerd en dan krijgen we te horen: 'Jullie willen niet en staan onder invloed van de mafia'.''

Falta di respet heeft volgens Croes niets te maken met elkaar de waarheid niet willen zeggen. “Integendeel. Jarenlang hoorde je alleen geruchten over onze regering en de mafia. Daarom hebben wij aangedrongen op de commissie-De Ruiter, zodat de waarheid boven tafel kwam. En de aanbevelingen van de commissie hebben we uitgevoerd.”

Zijn collega van de Antillen, Carel de Haseth, denkt dat in Voorhoeves definitie een element ontbreekt. “Om te beginnen moet je open kunnen praten over de definitie van een probleem. Het gebeurt nog te vaak dat Nederland bepaalt wat ons probleem is. Natuurlijk moet je elkaar de waarheid kunnen zeggen, maar het gaat om de manier waarop. Het hoeft niet altijd met negatieve epitheta: 'Ach, jullie daar op de Antillen'.

Een lid van het paarse kabinet somde eens het bekende rijtje vooroordelen op over witwas-praktijken op Curaáao. Ik vroeg hem toen waar dat witwassen eigenlijk gebeurt: 'Bij banken als ABN-Amro, ING en al die andere vlaggenschepen van de Nederlandse handel en industrie die op Curaáao zijn gevestigd? Ik ga ervan uit dat daar geen enge dingen gebeuren'. Hij keek mij aan en zei toen: 'Zo moet je ons vaker de waarheid zeggen'.''

In het zicht van zijn afscheid hield Carel de Haseth deze week zijn emoties niet langer binnen de omheining van zijn tanden. Een studie van twee Nederlandse onderzoekers naar de mening van Antillianen en Arubanen over het Koninkrijk (Ki sorto di Reino?) heeft hem de afgelopen dagen in de gordijnen gejaagd.

Op een studiecongres in een Wassenaars kasteel, waar het kabinet voor de Nederlandse Antillen en Aruba van minister Voorhoeve het rapport aan een goudschip van topambtenaren aanbood (waarvan de uitkomsten al in maart bekend werden), verstoorde De Haseth dinsdag het deftige sfeertje met knetterende kritiek op het onderzoek. De sherry smaakte na afloop droger dan anders.

De constatering dat de meeste eilandbewoners niet erg te spreken zijn over de bekwaamheid van hun politici en bestuurders maakte hem woest. Hij noemde de vraagstelling in de enquàte soms niet-wetenschappelijk en zelfs tendentieus. “Ik erger me aan de woordkeuze en de ja/nee antwoorden. De ge-nterviewde wordt geen tussenweg geboden. Ik vind het al raar dat je de regering niet informeert, wanneer je anderhalf procent van haar bevolking gaat ondervragen.

Maar vooruit. Als het dan nog wetenschappelijk en onpartijdig gebeurt, maar dat is naar mijn idee niet het geval. Het onderzoeksrapport is heel opvallend vlak voor de Kamerverkiezingen gepland. Dat vind ik onzindelijk. Laten we elkaar geen mietje noemen: hier zitten verborgen motieven achter, hier lees je pagina voor pagina vooronderstellingen.

Daar is in de woordkeuze naar toe gewerkt. 'De resulaten van dit onderzoeken bevestigen dat de Antilliaanse en Arubaanse burgers een sterke betrokkenheid van Nederland verwelkomen', schrijven de onderzoekers. Verder 'lijken de eilandbewoners bereid een stukje autonomie af te staan in ruil voor bescherming tegen ongewenst bestuurlijk handelen'. Dit is geen onderzoek naar wat er werkelijk onder Antillianen en Arubanen leeft, dit is bedoeld om de Nederlandse politiek te beinvloeden - zo van: er moet duidelijk ingegrepen worden op de Antillen. 'Als zelfs de Antillianen geen vertrouwen meer in hun bestuurders hebben!' Zodra je in twijfel gaat trekken of de politici en bestuurders nog wel de juiste gesprekspartners zijn, ondermijn je de democratie.''

“Ook de vraagstelling is niet genuanceerd: 'Vindt u dat Nederland zich te veel bemoeit met het bestuur van ons land?' Antwoord: ja/nee/weet niet. Waarom daar geen middenweg: 'soms wel, soms niet'?”

Het leek begin deze week voor Carel de Haseth even heel anders te lopen. In zijn ambtswoning naast het Antillenhuis aan de Haagse Badhuisweg volgde zijn gezin de formatieperikelen op de eilanden met spanning. De komst van een nieuwe regering onder Suzy Romer hield immers ook een wisseling in op de Antilliaanse voorpost in Nederland. De Haseth zou plaats moeten maken voor een gevolmachtigd minister van Rîmers Nationale Volkspartij (PNP).

Maar nog voor het nieuwe kabinet was beedigd, struikelde het al over een kandidaat-minister die mogelijk bij een fraudezaak betrokken is en daardoor in een antecedenten- onderzoek van de veiligheidsdienst door de mand was gevallen. De afwijzing van Nelson Monte van de Frente Obrero Liberashon (FOL) leidde tot een knallende ruzie binnen de kersverse coalitie. Als Monte niet deugde, wisten ze bij de FOL ook nog wel iets over kandidaten van de PNP en over Romer zelf.

Uiteindelijk is de zaak gesust, voor Monte komt een ander, de regering wordt een dezer dagen ge-nstalleerd en De Haseth kan toch de koffers gaan pakken - tot vreugde van zijn vrouw die op Curacao een leuke baan had en zich in Den Haag voornamelijk voor ceremoniâle taken beschikbaar moest houden, maar tot verdriet van hun zoon die in drie VWO zit en hier in vrijheid-blijheid opgroeit.

Carel de Haseth (47) was geen politicus toen hij in 1994 door de Partido Antia Restruktur- (PAR) als gevolmachtigde minister naar Den Haag werd gestuurd. Hij heeft in Leiden farmacie gestudeerd en was hoofd van de apotheek van het St. Elisabeth Hospitaal op Curaáao. In zijn vrije tijd schreef hij gedichten en publiceerde hij in Antilliaanse bladen. In 1977 liet hij zich op verzoek van PNP-leider en premier 'Juancho' Evertsz op de kandidatenlijst van de PNP zetten. In het kielzog van dezelfde Evertsz brak hij in 1980 met de Volkspartij.

“Van dat avontuurtje heb ik geleerd hoe te verliezen. Evertsz hield me een belangrijk ding in de politiek voor dat je moet leren: omgaan met teleurstellingen. Daarom heb ik nu geen kater dat ik mijn post in Den Haag moet verlaten”, zegt De Haseth. “Het volk heeft die keuze in alle vrijheid gemaakt, dat gebeurt nu eenmaal in de politiek.”

De Haseth hoopt wel dat de mensen die de PAR nu de rug hebben toegekeerd, geleerd hebben dat er op de Antillen 'een andere way of life' mogelijk is - “Dat er ook open en eerlijk kan worden bestuurd, zonder dat je naam steeds in verband wordt gebracht met schandalen. Toen de PAR in 1994 in de regering kwam, hebben wij afgesproken dat iedere kandidaat-minister zou worden gescreend. Wij werden uitgemaakt voor padvinders, maar binnen drie maanden lag er een rapport van de accountant over de vermogenspositie van bewindslieden. En straks zal de accountant, binnen drie maanden na het defungeren van de oude regering, opnieuw onderzoek doen.”

Voor de partijen die de nieuwe coalitie vormen, was dat volgens De Haseth vier jaar geleden ondenkbaar. “Nu doen ze het zelf ook, kijk naar wat er met de kandidaat van de FOL is gebeurd. Vorig jaar is een gedeputeerde van de MAN opgepakt wegens corruptie en uiteindelijk veroordeeld. Afschuwelijk natuurlijk, maar tegelijk ook fantastisch dat het nu wel gebeurt als het moet. Dat is winst, een goede basis voor de toekomst. Ik ben ook niet bang dat het onder de nieuwe regering teniet wordt gedaan. Binnen de gemeenschap zijn corrigerende krachten genoeg. En ook Nederland zal niet conditieloos een regering steunen die een dergelijke afspraak aan haar laars lapt.”

Er is dus wel degelijk puingeruimd in vier jaar tijd, vindt De Haseth. Alleen niet genoeg. De sanering heeft onvoldoende resultaat gehad, de staatsschuld loopt nog steeds in de miljarden, aan te veel Antillianen gaat de welvaart voorbij en het onderwijs is er al even beroerd aan toe. “We hebben de situatie te optimistisch beoordeeld. Er lag veel meer puin dan gedacht. Daar kwam na een jaar de orkaan nog overheen. De economische opleving die voor 1997 was voorspeld, viel tegen. Ja, Nederland had, denk ik, wel meer voor ons kunnen doen. Die intentie was er ook, maar Nederland had het idee dat wij onze afspraken niet nakwamen. We hebben ons te hoge eisen gesteld. Toen de resultaten tegenvielen, riep Nederland dat we ons niet aan onze afspraken hielden. Misschien zijn we wel slachtoffer van onszelf geworden. Je moet de schuld niet altijd bij de ander leggen.”

Carel de Haseth was bij zijn aantreden in Den Haag een groentje. Vooral dankzij de Poolse ambassadeur, die een vaderrol vervulde, heeft hij zijn weg in het wereldje kunnen vinden. Nederlandse ministers noemde hij in een interview eens 'aardig maar bikkelhard', er viel goed mee te praten 'maar als je niet oppast, word je op je dossierkennis afgerekend'.

Tegenover zijn gesprekspartners in de rijksministerraad probeerde hij 'een soort oprechtheid' uit te stralen. “Dat kan ontwapenend zijn.” Hij paste geen trucjes toe, want die beheerst hij niet. Hij liegt niet, zegt hij, omdat hij daarvoor te gemakzuchtig is: “Anders moet ik continu blijven onthouden wat ik vorige keer gezegd heb.”

Hij zag zichzelf als middelaar, verbindingsman tussen de regering van de Antillen en die van Nederland. “Ik zat hier om het thuisfront te vertellen: zo en zo wordt er in Nederland gedacht. Maar ook andersom probeerde ik de Nederlandse regering uit te leggen wat er op de Antillen gebeurde. Toen ik hier aantrad, merkte ik dat men elkaar over en weer op veel punten niet verstond. De manier waarop in Nederland gepraat wordt, is niet de spreektaal aan de overkant. Wat hier een vraag is, wordt daar als een eis gezien. Er wordt vaak op elkaars woorden gereageerd zonder dat men weet wat er precies is gezegd en bedoeld. Als je dan in mijn functie de vertaalslag kunt maken, voorkom je een hoop misverstanden.”

Hij noemt het geschil rond de Kustwacht als voorbeeld. Nederland en de overzeese rijksdelen bestreden elkaar in 1994 tot bij de Raad van State over de vraag of de verantwoordelijkheid bij de Koninkrijksregering (zeg maar: Nederland) kwam te liggen of in samenwerking zou worden gedragen. “Een enorme ruzie”, zegt De Haseth. “Ik herinner me dat de motie van de Antilliaanse Staten 's nachts over de fax binnenkwam; zij bliezen het overleg op.

Premier Kok zou twee dagen later naar Washington gaan voor overleg met Clinton en was bepaald niet blij. Het ging er niet om dat de Antillen geen Kustwacht wilden, maar wel een eigen inbreng. We hebben er veel over gesproken. Uiteindelijk kwam de Kustwacht er, iedereen is happy en wat in 1994 speelde, is nu vergeten.'' Er zijn meer strubbelingen op die manier weggewerkt, zegt De Haseth. Alleen aan het conflict over de beperking van rijst- en suikerimport die Nederland eind '97 in Europees verband aan de Antillen en Aruba oplegde, heeft hij een nare smaak overgehouden.

De houding van het paarse kabinet in deze kwestie was voor hem een 'emotioneel dieptepunt': tegen het machtswoord van Nederland, dat in Europa in de pas wilde blijven, hadden de koninkrijkspartners van overzee niets in te brengen. “Wij hebben altijd het gevoel gehad dat Kok zich als voorzitter van de rijksministerraad heeft gedragen, maar uiteindelijk heeft hij het Nederlandse standpunt ingenomen en werden we overruled. Dat was een pijnlijk moment, zeker als je overtuigd bent van je eigen gelijk.”

Desondanks zijn de eilanden behoorlijk gelijkwaardige partners binnen het Koninkrijk, denkt De Haseth. “We worden steeds meer gehoord en er is ruimte voor discussie. Dat hangt ook van jezelf af. Als je zegt hoe je het wilt en je je aan je afspraken houdt, bouw je aan je eigen gelijkwaardigheid.” Trouwens, zegt hij er vergoelijkend bij: “Het is pas voor het eerst sinds het Koninkrijksstatuut (uit 1954) bestaat, dat zoiets gebeurt.”

Of hij de Nederlandse ministers nog wel in de ogen kan kijken? De Haseth denkt langer na dan anders, slikt dan en knikt. “Het grappige is dat staatssecretaris Patijn van buitenlandse zaken in deze kwestie mijn grootste tegenstander was, maar als persoon kon ik het best met hem opschieten. Dat is misschien het Stockholm-syndroom, de relatie die vaak ontstaat tussen gijzelnemers en gegijzelden.”

Volgens De Haseth worden hij en zijn medewerkers in een veel vroeger stadium bij allerlei zaken betrokken. Dat is soms maar goed ook: “Neem het OPCW-verdrag over chemische wapens, waarvan Nederland graag de zetel in Den Haag wil hebben. Op een zeker moment komt men tot de ontdekking dat er allerlei lokale wetgeving voor moet worden aangepast. Voor de Antillen is het verdrag niet echt prioriteit nummer een, maar ook daar zijn wetswijzigingen nodig. Dan blijkt dat het Koninkrijk niet kan tekenen, omdat twee rijksdelen hun wetgeving nog niet rond hebben. Nou, erg veel gebeld en gefaxt naar de overkant en toch op tijd rondgekregen. Het blijft buiten de publiciteit, maar het toont wel aan dat er veel minder problemen zijn als je er veel eerder bij wordt betrokken.”

En toch, dan is er opeens weer dat onderzoek onder de eilandbewoners. “Het heeft z'n uitwerking al gehad, ik merk het in uitlatingen over de nieuwe regering. 'Die mensen zijn toch niet te vertrouwen. Ze missen waarschijnlijk ook de steun van hun achterban'. Dit onderzoek getuigt niet van respect voor de Nederlandse Antillen. Dat gebeurt regelmatig. Daarom heb ik een open brief geschreven naar de Volkskrant na een artikel waarin premier Suzy Romer een upperclass bitch wordt genoemd. Ik heb me afgevraagd of de Nederlandse media dezelfde woorden zouden gebruiken om mevrouw Borst of mevrouw Sorgdrager te typeren. Het sterkt mij in het gevoel dat het nieuws over de Antillen niet wordt geschreven met het fijne penseel waarmee binnenlands nieuws wordt behandeld, maar met de grove kwast die voor het buitenland wordt bewaard.”

“Nederland is een raar land. Gastvrij, vriendelijke mensen, maar het is tegelijkertijd zo vanzelfsprekend om denigrerend over een ander land te spreken. Als er hier een vleesfraude is, wordt die als 'Zuid-Amerikaanse' toestanden aangeduid. Voorzover ik weet, gaat het om Nederlandse boeren. Dat valt niet alleen een Antilliaan op, maar iedere buitenlander die ik erover spreek, zegt het. Er is een heel zwart-wit beeld van het buitenland.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden