'Er gaat niets boven de zwarte kunst'

Wie is de ware liefhebber van kunst? De beroeps die veertig keer om den brode hetzelfde stuk speelt? Of de amateur die weliswaar gedijt bij publieke aandacht, maar die genoegen neemt met een expositie in de plaatselijke bibliotheek? De Tweede Kamer wil meer aandacht voor de beoefening van amateurkunst, en staatssecretaris Aad Nuis is het daarmee eens. Maar waarom, omdat de amateur, soms 'de kunstzinnige burger' genoemd, een intensieve bezoeker van professionele kunst blijkt? Of vanwege de eigen merites van de amateur? Deze weken onderneemt Trouw een speurtocht naar de oprechte liefhebber. Vandaag: Jacques de Coo, drukker.

PETER SIERKSMA

Naast zijn werk als secretaris bij het Centrum Arbeidsvoorwaardenoverleg voor Overheidspersoneel (sector: Defensie), drukt Jacques de Coo al meer dan 25 jaar boekjes in de marge. Hoeveel boekjes hij gedrukt heeft, weet hij niet meer. Het moeten er honderden zijn. En aangezien al die boekjes een oplage hebben die variëert van vijf tot ongeveer 125, heeft zijn arm duizenden malen de hendel van de drukpers overgehaald. Hij heeft er overigens twee. Eentje staat bij hem thuis, een tweede - mooier en groter - staat in Museum Meermanno Westreenianum van het Boek aan de Haagse Koninginnegracht. Deze laatste pers heeft hij in bruikleen gegeven. Zo nu en dan geeft hij een kleine demonstratie voor het publiek.

De Coo is een echte ambachtsman. “Als zo'n boekje op de pers ligt, is voor mij de lol er af”, zegt hij terwijl hij een shaggie rolt. “Het plezier is om de dingen op papier te krijgen, zoals je dat voor ogen staat. Drukken? Iedere sufferd zou het kunnen. Dat is de kunst niet. De aardigheid zit 'em in het spelen met de letters en de letterformaties, in het positioneren. Dat is de oergedachte van het drukken. Het gaat mij ook altijd om het geheel. Ik zie een tekst of een afbeelding waarbij ik een tekst zoek, en dan probeer ik een voorstelling van het geheel te maken. Wat voor lettertype moet het worden? Wat voor papier? Wat voor rug of bandje? Daar gaat het om. Nogmaals: het drukken zelf is niet zo interessant.”

De liefde voor het ambacht leerde De Coo thuis. Zijn vader Jan werkte bij een aantal grote drukkerijen in Utrecht. Onder meer bij Van Boekhoven aan de Breedstraat. Hij was hand- en machinezetter. Na de oorlog kwam hij als bedrijfsleider op de produktie-afdeling terecht bij De Volkskrant in Amsterdam en weer later vertrok hij naar Het (Haagse) Binnenhof. “Er werd thuis veel over het vak gesproken. Nederland heeft van oudsher een goede naam. Toen ik nog thuis woonde had je mensen als Van Krimpen en De Roos, dat waren de smaakmakers. Tegen de tijd dat ik naar de grafische school ging, zo begin jaren zestig, was het Zwitserse lettertype spraakmakend. De Gil bijvoorbeeld. Schreefloze letters waren dat. Zulke dingen waar Trouw zich nu ook aan bezondigt.”

“Mis? Nee, dat hoor je mij niet zeggen. Ik zeg niet dat er iets mis is met die letters. Maar voor ons zijn ze minder geschikt als drager. Waarom? Omdat de schreefloze letter in het algemeen te koel en te zakelijk is. Het past althans niet bij het werk dat ik uitgeef.”

Om te illustreren wat hij bij zijn eigen Clipeus Pers wel uitgeeft, laat De Coo een stapeltje boekjes zien. Er zit een bijzonder, kartonnen, boek met ringband met twaalf gedichten van Armando bij, maar ook een fraai gebonden boek over de Tsjechische componist Martin°u ('dat zijn de details hè; dat je zo'n Tsjechisch 'ootje' boven de 'u' van Martin°u in een bepaald lettercorps hebt - daar doe je het voor') en een piepklein boekje van 2,5 bij 2,5 inch - de kleinste maat die er is. Het laatste boekje is een grapje: “Het is een fragment van de Italiaanse schrijver Giovanni Papini en heet ook 'De schrijver'. Het is gedrukt in de Times, in een vijf-puntslettertje. Echt een pietepeuterig lettertje, kleiner kon niet. Zo klein als het is, is het werkje tot in de puntjes verzorgd. Kam-marmerenkaftje, leren ruggetje, ja zelfs de titel staat in het miniruggetje gedrukt.

De Coo: “In de jaren zeventig ontdekten we al dat de traditionele hoogdruk, het drukken in lood, gedoemd was het onderspit te delven. Voor mij was dat een reden om te kijken of ik dat mede in stand kon houden. Want, redeneer ik dan, het zou toch heel jammer zijn wanneer dat oude ambacht zou verdwijnen. Er zit ook een cultuur-aspect aan: “Meer dan vierhonderd jaar heeft men zo gewerkt. Het leeuwedeel van onze bibliotheken en archieven staat er vol mee, en dat zou dan verloren moeten gaan? Nee, daar is het vak te mooi voor.”

Op de vraag of het eeuwig in de marge werken hem niet stoort, zegt hij volmondig nee. Niets is lekkerder dan ongestoord prutsen met die lettertjes. Wat hem wel stoort is dat de klassieke typografie tegenwoordig met voeten wordt getreden. En niet alleen door goedkope offset-drukkerijen, daar kun je het van verwachten, maar nee, ook door de grote uitgevers. Met een zekere minachting zegt hij, wanneer hij de rook na een flinke haal van zijn shaggie uitblaast: “Er zijn natuurlijk wel duidelijke oorzaken voor aan te geven. De commercie, dat is een, maar het lijkt ook wel alsof die moderne ontwerpers gewoon niet meer op de hoogte zijn van de regels van de klassieke typografie. Ze spugen maar wat uit hun computer. Je moet de ruggen van de paparbacks ongeveer openbreken, wil je de hele tekst kunnen lezen. Veel te smalle marges. En verder zijn de letters vaak veel te klein en het papier te wit.”

Een mooi boekje vindt hij 'Het eiland' van Ko Stoutjesdijk, emeritus-predikant van de Nieuwe kerk van Breda. “Dat 'eiland' slaat op Tholen. Zo begint het eerste, gelijknamige gedicht dan ook. Lees maar: 'Een dijk verbindt zes dorpen en hun kleine stad...' Kijk, het is een eenheid. Een ruime marge. Mooie rode inkt voor de titelletter. Ik heb hier voor een cursieve letter gekozen. De Bembo. Een cursieve letter lijkt een beetje op een geschreven letter en leest ook zo. Dat vond ik in dit geval aardig.” Met zijn hand glijdt De Coo over de bladspiegel van het inmiddels opengeslagen boekje: “Voel je? Dat is het kenmerk van de echte hoogdruk. Normaal gesproken heeft een letter twee dimensies: de hoogte en de breedte. Maar bij hoogdruk is er ook een derde - de diepte. Dat is het verschil met offset, waarbij elke letter plat op het papier zit.”

Nog een boekje: 'Meester' heet het. Het is groter van formaat dan het vorige boekje, maar dunner kan niet. Een felrood omslagblad van 22,5x16 cm en daarin, wat kleiner een gevouwen velletje handgeschept lompenpapier. En toch is het een volwaardig boekje met vier bladzijden: titelblad, één gedicht en tenslotte een colofon. De Coo leest het voor en lacht. “Ik zit ook nog in de politiek moet je weten. Een eenmansfractie, in de Leidse gemeenteraad; 'Leiden weer gezellig'. Ik werk veel samen met de Groenen. En zo ken ik ook weer Manuel Kneepkens, de dichter. Hij zit voor de Groenen in de Rotterdamse raad. Afgelopen vrijdag was hij nog op de radio. In verband met het afblazen van de stadsprovincie. Op de radio citeerde hij dit gedicht nog, het is een voorpublicatie van een nieuwe bundel die de Arbeiderspers gaat uitgeven:

Meester, Meester van de kleine letter moeizaam is je vak op aarde de kunst recht te doen

De Coo: “Gedrukt in de Centaur. Mooi lettertje. En zelf gemaakt papier hè. Hoe je dat doet? Nou, gewoon, papje, schepraampje en drogen. Dat is in het kort waar het op neer komt.” Na een korte stilte: “Ja, het is mooi werk. Er gaat niets boven de zwarte kunst.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden