Er broeden uilen aan de Gaasperplas

Morgen vieren de Vrienden van het Gaasperplaspark van 10 tot 16 uur hun tienjarig bestaan met allerlei evenementen, een groene markt en excursies. Het park is gemakkelijk te bereiken: van Amsterdam CS met de metro tot eindstation Gaasperplas. De ingang is nauwelijks honderd meter van de stopplaats.

De geschiedenis van dat park gaat terug tot 1969, toen de meters dikke zandlaag onder de Oost Bijlmerpolder werd weggezogen voor de aanleg van de toekomstige Amsterdamse wijken Holendrecht, Gein en Reigersbos. In 1972 was het werk gedaan en daar lag de plas dan. De oevers kregen een recreatieve bestemming, maar daar kwam weinig van terecht, omdat ze als gronddepot werden gebruikt.

Dat veranderde plotseling, toen het 55 hectaren grote terrein werd gekozen voor de Floriade 1982. Na afloop zou een park overblijven van een hogere kwaliteit dan met alleen gemeentelijke middelen mogelijk was. Tuinarchitect J.W. van der Meeren liet meteen bomen neerzetten die al een jaar of vijftien oud waren. Daarom maakt het Gaasperplaspark nu de indruk veel ouder te zijn dan de veertien jaren die het telt.

TUINACHTIG

Als je door het park wandelt, ervaar je nog de oorspronkelijke Floriade. Veel ziet er tuinachtig uit, met geschoren hagen en zitvlonders aan het water. Het minst misschien nog de heidetuin, die net opnieuw is beplant met struikhei tussen de jeneverbessen en meer op een Nederlandse heide zal gaan lijken dan in het verleden.

Met het rosarium, de azaleatuin en de coniferentuin was deze heidetuin een genereuze schenking van Floriade-exposanten, waarmee de gemeente behoorlijk in haar maag zat. De onderhoudskosten drukten te zwaar op de begroting. En dat gold evenzeer voor andere tuinelementen en zaken als de bewegwijzering.

Het park werd overgedaan aan de stichting Groengebied Amstelland, die ook niet genoeg geld had om het park op de oude voet te handhaven.

Versimpeling van het onderhoud dreigde en daarmee verpaupering in een stadsdeel dat daar al genoeg mee te maken had. Omwonenden pikten het niet en richtten tien jaar geleden de Vereniging Vrienden van het Gaasperplaspark op. “We worden door Groengebied Amstelland overal bij betrokken”, zegt voorzitter A.H. van der Weide van de jubilerende vereniging, met wie ik een rondgang door het park in lentetooi maak. “We oefenen echt invloed uit op het beleid. Er wordt rekening gehouden met de wensen en voorstellen van de gebruikers van het park.”

De regen heeft een vroegtijdig eind gemaakt aan de witte bloei van de krentenboompjes, die een week geleden grote delen van het park bepaalde. Nu zijn het vogelkers en wilde kriek, die zorgen voor feestelijke witte accenten in het landschappelijk aangelegde park. Ook de meidoorns beginnen zich in sneeuwwitte bloesem te hullen.

Er zijn lieflijke natuurlijke plekjes ontstaan. Een zomereik aan de voet van een met klimop bedekte heuvel komt net in lichtgroen blad. Daartussen hangen de onooglijke stuifmeelkatjes. Naar de stamperbloemen, waar later de eikels uit groeien, moet je zoeken. Die zitten aan dezelfde takken als de hangende katjes, op korte stelen.

Onder die eik ziet de bodem blauw van de lipbloempjes van hondsdraf. Paarse dovenetel staat in volle bloei aan de rand van dat veldje. Bruine akkerhommels werken de ene dovenetel na de andere af bij het inzamelen van nectar. We kijken uit naar de wespachtig geel met donkerbruine roodhoornkoekoeksbijen en naar de goudbruin behaarde metselbijtjes, maar die zijn er vandaag niet. Het is ze niet zonnig genoeg. Daarom vliegen er ook weinig andere insecten. Een enkel witje hangt aan een bloeiende koolzaadplant. Aders van grijze schubjes tekenen zijn dichtgeklapte wieken.

De ijzertijdboerderij uit de Floriadetijd is afgebroken, omdat die te aantrekkelijk was voor pyromanen. Daar kun je in een stadspark op wachten. Maar de griend, de knotwilgen, de tjaskermolen en goudgele velden van bloeiende dotters zijn er nog. Een groene kikker kwaakt even tussen de dotters. Een tuinfluiter babbelt in de griend, die al ondoorzichtig is door het snel groeiende blad. In een moerasrandje bij de tjasker staat het vol rietorchissen, die over een paar weken zullen bloeien met roodpaarse orchideeënbloemen.

De wilgen zijn geknot. Vlieren, lijsterbessen en een jonge es, die wortel schoten in de vermolmde koppen, zijn door de knotters gespaard en zitten vol blad, terwijl de wilgen jonge takken vormen voor een nieuwe kroon.

“De griend en de knotwilgen worden onderhouden door vrijwilligers van het IVN en de vereniging De Ruige Hof. Alternatief gestraften zorgen voor het onderhoud van de rest van het park. In het begin stond ik daar nogal sceptisch tegenover. Maar het blijkt dat deze werkers bijna zonder uitzondering erg gemotiveerd zijn”, zegt Van der Weide.

BOSKRUIDEN

Lopend door het bos valt de grote verscheidenheid aan boskruiden op. In nog geen vijftien jaar tijd heeft zich in de gebruikelijke kruidenlaag van een jong bos - grote brandnetel, speenkruid, kleefkruid, witte dovenetel, zevenblad en fluitekruid - een stinzenflora ontwikkeld, waar menig oud landgoed jaloers op kan zijn. De Italiaanse aronskelk bloeit naast de gevlekte aronskelk op een steenworp afstand van grote groepen nu uitbloeiende narcissen onder als donkere zuilen oprijzende, dicht in klimop gepakte bomen. Hier en daar staat gele keizerskroon, die een lucht verspreidt als Artis' vroegere kleine roofdierenhuis. Gele dovenetel, daslook, gewoon salomonszegel, lelietje-van-dalen, gulden sleutelbloem, judaspenning en lievevrouwebedstro bloeien allemaal in mei. Naast deze erfenis van de tuinbouwtentoonstelling vind je veel planten van wat oudere voedselrijke loofbossen zoals robertskruid, geel nagelkruid, dagkoekoeksbloem, look-zonder-look en stinkende gouwe. Het heeft vijftig jaar geduurd voordat het Amsterdamse Bos zich kon beroemen op een enigszins vergelijkbare bodemflora.

De vogelwereld is al even gevarieerd. De roep van de koekoek vergezelt je de hele dag. Er broeden boomkruipers en grote bonte spechten. In de vroege morgenuren schalt het park van het gezang van merel, zanglijster, roodborst, kool- en pimpelmees, winterkoning, putter, groenling, fitis, tjiftjaf, braamsluiper en zwartkop.

“Kijk eens wat schattig!” zegt een mevrouw, die haar hondje uitlaat. Ze wijst omhoog in een meidoorn. Daar zit een donzig uiltje, vlak bij een oud eksternest. Uit zijn zwarte gezichtje staren fel oranje ogen ons aan. Ze volgen ons als we verder lopen. Ransuilen broeden aan de Gaasperplas. En wie weet, misschien nog elders in de Bijlmer.

Natuur deze week

De eerste jonge mussen zijn uitgevlogen. Ze worden niet alleen naar het leven gestaan door katten, maar evenzeer door kraaien, eksters, kauwen en torenvalken, die tussen de huizen jagen op mussen die niet snel kunnen wegkomen. - De merels zijn aan hun tweede legsel begonnen. - De nachtegaal zingt druk in dichte bosjes, zoals de meidoorns in de duinen en in bosranden. Het nest wordt op de grond gemaakt tussen dichte plantengroei, bij voorkeur brandnetels. - Er zitten nog honderden rotganzen op de Waddenkust. Ze vertrekken pas volgende week naar Spitsbergen en Groenland. - Het is een drukte van belang in de kolonies van kok-, storm- en zilvermeeuwen, waar bijna alle paren op de eieren zitten. Stormmeeuwen broeden op verschillende plaatsen in de duinen, vaak samen met zilvermeeuwen, die ook kolonies hebben in de kwelders. Kokmeeuwen nestelen gewoonlijk verder van zee. Er is een flinke kolonie op het verkeersknooppunt Holendrecht van A2 en A9, waar geen mens komt en dat ook voor vossen onbereikbaar is. Dat laatste is geen fictie: er leefde een vos aan de A9 bij Ouderkerk aan de Amstel op een steenworp afstand, die op 18 maart van dit jaar werd doodgereden. - Fluiters zijn vogels van de beukenbossen. Ze vliegen zingend rond tussen de onderste takken. Hun triller is ook elders te horen, tot in stadsparken, waar ze een dag of wat op doortrek verblijven. - Kleine zwarte vliegjes treden nu massaal op. Je vindt ze op het raam, maar vooral op de platte bloemtrossen van de lijsterbes. Het zijn geen vliegen, maar haarmuggen, net als de veel grotere harige 'Maartse vliegen', die traag om de struiken zweven of in hele kluiten aan de takken hangen. - Ook de elzenvlieg is geen vlieg, maar een netvleugelig insect, waarvan de larve in de slootmodder leeft. De elzenvliegen zijn traag en zwaar gebouwd, met donker getinte, grof geaderde vleugels. Ze vliegen nu en leggen hun donkerbruine eieren in plakkaten op het groeiende blad van lis, kalmoes en lisdodde. - Aan de waterkant en in bosranden zweven de eerste blauwe waterjuffertjes rond. - De daslook bloeit volop in Zuid-Limburg en als stinzenplant in de duinen onder meer bij de Ruïne van Brederode. - Heel veel planten staan nu in volle bloei: aan dijken fluitekruid en heksenmelk, in niet al te droge en zwaar bemeste weilanden paardebloemen, pinksterbloemen en boterbloemen, in de duinen witte winterpostelein, paashaver en hondsviooltje, op de natte heide tormentil. In de duinen zijn net de eerste duinroosjes en muizeoren open gegaan. Daar bloeien ook de wilde eenstijlige meidoorns met tuilen van witte bloesems. - Morieljes zijn karakteristieke lentepaddestoelen. Ze zijn vooral te vinden in duinbosjes en parken aan de binnenduinrand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden