Er bestaat geen waarheid over Ischa

Sinds Ischa Meijer 'Brief aan mijn moeder' publiceerde in 1974 is mijn moeder als de dood dat ik over haar net zo'n boek zal schrijven. Haar angst is niet onterecht. In september 1992 gaf ik de Abel Herzberg-lezing in De Rode Hoed. Ischa was mijn co-referent. Mijn moeder was aanwezig, Ischa zag haar en stelde de retorische vraag: “Waarom heb jij nog geen 'Brief aan mijn moeder' geschreven?” “Moet dat dan?” Hij knikte. Geen opdracht waaraan ik me zal kunnen onttrekken. Maar als ik ooit het boek schrijf waartoe Ischa me zo ongeveer sommeerde, hoe moet dat dan met de publicatie? Moet mijn moeder het nog kunnen lezen? Of juist niet? En zal dr. Henriëtte Boas (zie 'Ischa & Connie', Trouw 21 februari) er geen schande van spreken, of al mijn moeders vrienden en kennissen? Of zal het wel meevallen?

Mijn angst is niet onterecht. Want wat er nu van op papier staat is 'te erg'. Het valt allemaal in de categorie 'dat kun je toch niet schrijven over je moeder/ouders', hetzelfde verwijt dat Ischa indertijd werd gemaakt. Het is niet 'te erg' omdat mijn moeder 'te erg' is, maar om wat een kind over ouders kan vertellen 'erg' kan zijn, zelfs 'te erg'. Kinderen hebben hun eigen observaties over het leven van hun ouders en over wat zij meemaken met de ouders; kinderen hebben hun eigen herinneringen aan de tijd dat ze overgeleverd waren aan de zorg van die ouders; voor sommige kinderen valt de herinnering aan 'de zorg' weg en blijft er alleen het 'overgeleverd zijn aan' over. Ischa's boek was een poging te achterhalen waar dat 'overgeleverd zijn aan' toch in Godsnaam over ging.

Als eerste zette hij op papier hoe die rotoorlog doorgevreten had in de relatie van de ouders Meijer met hun kinderen. Onvoorstelbaar knap was dat hij bij zijn analyse probeerde te onderscheiden wat werkelijk was toe te schrijven aan de vervolging en de Grote Moord op de Joden en wat op het conto moest worden geschreven van de persoonlijkheden van Liesje en Jaap Meijer en op de interactie binnen hun huwelijk en binnen hun beider families. Maar het werd hem niet in dank afgenomen.

De ouders - bijna alle Joodse ouders - toen (en niet weinigen van de generatie der kinderen), hielden in 1974 nog krampachtig vast aan de illusie dat de kinderen niet met hun oorlogservaringen waren opgezadeld. Het bewijs daarvoor, vonden zij, was dat ze er zo weinig over hadden gesproken. Dat de oorlog (en de Sjoa) op veel geniepiger wijze in ons bestaan was doorgedrongen - in het bestaan van ouders én kinderen - was nog geen gemeengoed.

Ischa verstoorde de illusie dat de ouders - alle Joodse ouders - de draad na de oorlog weer 'gewoon' hadden opgepakt. Alhoewel er veel was dat voor die illusie pleitte. Immers, onze ouders zijn niet gek geworden na de oorlog toen ze hoorden wie er allemaal vermoord waren, wat opmerkelijk is. Er zijn er maar weinigen die uit wanhoop zelfmoord hebben gepleegd. Er zijn er maar weinigen die uiteindelijk in een psychiatrische inrichting zijn beland. De meesten van onze ouders hebben met de moed der wanhoop geprobeerd 'zo gewoon mogelijk' te leven en een 'zo gewoon mogelijk' bestaan op te bouwen. En ze zijn daar wonderwel in geslaagd. Ze zijn er ook wonderwel in geslaagd de kinderen die er al waren groot te brengen en nieuwe kinderen te maken.

Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat er nog zoveel is goed gegaan in de relatie tussen Joodse ouders en hun Joodse kinderen, na alles wat er gebeurd was. Zeker als men bedenkt dat die ouders het zonder het sociale weefsel moesten doen, waar de meeste andere ouders op terug kunnen vallen. Maar het is niet altijd goed gegaan en het is niet altijd met alle ouder-kindrelaties goed gegaan. Ik ken tal van gezinnen waar een van de kinderen gebroken heeft met de ouder(s). Soms jarenlang. (Mijn eigen zusje is daar een voorbeeld van.)

Wat er in, en met, het gezin van Jaap en Liesje Meijer mis ging, is ongekend, want extreem. Hier waren het niet kinderen die de ouders de rug toekeerden, hier waren het de ouders die de deur dichtsloegen. En ze verbraken niet het contact met één kind, bijvoorbeeld met de dochter die katholiek was geworden, maar met alle drie de kinderen. Ondanks de pogingen van de kinderen het contact te herstellen. De deur bleef dicht, in Ischa's geval zo'n dertig jaar lang en de deur bleef dicht, ook toen Liesje Meijer doodziek was en op sterven lag. Niets en niemand kon ze vermurwen tot een hernieuwd contact in het aangezicht van de dood.

Dr. Henriëtte Boas zegt op de Podium-pagina in haar reactie op 'I.M.' van Connie Palmen te weten waarom het contact werd verbroken. Helaas onthult ze daar verder niets over. Wat me intrigeert is: als ze wist waarom Jaap en Liesje Meijer hun kinderen Ischa, Miriam en Job de toegang tot het ouderlijk huis ontzegden, heeft ze dat dan ook gemeld aan Ischa, die dat ongetwijfeld had willen weten? Dr. Boas acht ik hoog en waardeer ik om haar vaak scherpzinnige kritiek en om haar legendarische, want monumentale feitenkennis. Maar soms voert ze een oorlog die niet gevoerd zou moeten worden.

Zo'n oorlog is haar strijd tegen Ischa Meijer die, in haar ogen, een verkeerd beeld van zijn ouders heeft gegeven.

Waar ze voor strijdt is de waarheid over Jaap en Liesje Meijer en de waarheid over hun relatie met hun kinderen. Alsof die waarheid zou bestaan; alsof die waarheid voor alle betrokkenen hetzelfde zou zijn; alsof die waarheid zou zijn af te leiden uit feiten als de driehonderd publicaties van Jaap Meijer over de geschiedenis van de Joden in Nederland.

Wat mijn moeder over haar huwelijk vertelt en wat ik daarover te melden heb, sluit elkaar volkomen uit. Wat mijn moeder zich herinnert van gesprekken tussen ons en wat ik me ervan herinner, is zó verschillend dat haar herinneringen en de mijne niet op een lijn te brengen zijn. Zijn mijn moeders herinneringen waar en de mijne niet? Of andersom? Dr. Boas heeft een volstrekt ander beeld van Liesje en Jaap Meijer dan hun zoon Ischa of dan Connie Palmen. Dat is niet meer dan begrijpelijk. De Jaap en Liesje Meijer die zij zo'n zeven decennia heeft gekend en meegemaakt stonden tot haar in een volstrekt andere relatie dan tot hun zoon Ischa. En Connie Palmen heeft niet méer om zich een beeld te vormen van de niet gekende ouders van Ischa dan wat hij daarover vertelde.

Waar het om gaat is of een kind - Ischa, ik - over zijn eigen ouders kan publiceren zoals het goeddunkt, dat wil zeggen met alle vertekeningen die een - ook volwassen geworden - kind eigen zijn, met alle overdrijvingen, reducties, 'misverstane' familielegendes, 'verkeerd begrepen' familiefeiten, te krasse oordelen en wat dies meer zij.

Het enige dat telt bij de beantwoording van deze vraag - die ook gesteld kan worden, en gesteld wordt als een ander, zoals Connie Palmen, zich aan een portret van een familie waagt - is, of het kind/de schrijver integer is bij zijn of haar poging die familiematerie om te vormen tot een tekst die waar is voor meer dan de betrokkenen. 'Waar' in de zin dat die tekst tot meer liefde, begrip, vriendschap, eerlijkheid, acceptatie van verdriet, acceptatie van onvermogen, acceptatie van verlies aanleiding geeft. Misschien niet eens voor het kind/de schrijver, maar dan toch in ieder geval voor de lezer. Juffrouw Boas trekt Ischa's integriteit in deze al jaren in twijfel. Ik niet. Alle fouten en verdraaiingen in Ischa's teksten (de verbale en de schiftelijke) met betrekking tot de feiten ten spijt, heeft Ischa mij, ons allen altijd geprobeerd te confronteren met dat vaak zo vreselijke leven van ons. Mijn leven werd er altijd meer 'waar' van. Maar ja, ik heb hem liefgehad, mij is de ergenis van juffrouw Boas vreemd, ik ben - God zij geloofd en geprezen - niet objectief. Of Connie Palmen erin geslaagd is een tekst te schrijven die 'waar' is, weet ik niet, ik heb haar boek nog niet uit. Het oordeel daarover zal niet afhangen van haar materiaal, maar van haar kwaliteit als schrijfster.

Een laatste opmerking, juffrouw Boas schrijft over Ischa's (en Palmens) afkeer van het Jodendom. Zo heb ik hem niet gekend. Ik herinner me de telefoongesprekken die - zonder begroeting - begonnen met een kruisverhoor: 'Hoe begint Kohelet?' Ik moest het antwoord schuldig blijven, maar hij wist het precies. Ik herinner me het telefoontje daags na Jom Kippoer als hij checkte of ik wel had gevast en naar sjoel was geweest, de hele dag. Ik herinner me het relaas van het kaddisj zeggen voor zijn moeder. Hoe hij werd opgeroepen voor de Tora en verkrampte toen hij dacht dat er een woord verkeerd werd gelezen; om gerustgesteld te worden door de voorlezer die hem vertelde dat inderdaad het betreffende woord altijd anders wordt uitgesproken behalve op deze ene plek.

Ik herinner me hoe hij na de dood van zijn moeder tegen mij zei: 'Ik moet weer eens gaan lernen', en al wist met welke rabbijn hij dat wilde doen. Een afkeer van het Jodendom? Dat is echt onzin. In Joods opzicht verschilde het leven van Jaap en Liesje Meijer en van hun zoon Ischa uiteindelijk niet veel van elkaar. Jaap en Liesje schreven erover in de afgeslotenheid van hun studeerkamer, Ischa bracht het Joodse leven te pas en te onpas ter sprake. Hun aller relatie met het Jodendom was gecompliceerd, hoe had het ook anders gekund gezien hun uiterst gecompliceerde persoonlijkheden, en na alles wat er is gebeurd. Wat blijft zijn hun teksten en de veelgelaagde reacties die hun teksten oproepen. En voor ons die hen hebben liefgehad, de herinneringen die, wat wij er ook over zeggen of schrijven, van ons blijven, ongekend, ongedeeld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden