Entrecote

Waar kwamen kunstenaars vroeger bij elkaar om te werken en te ontspannen? Waar aten en dronken zij? En kan dat nu nog?

Het onbetwist literairste plein van Nederland is een winderig oord met vage grenzen. In het zuiden loopt het over in een park, aan de oostkant heet het plantsoen. Alleen het vierkant achter de Schouwburg, bij de oude cafés, lijkt op iets wat een plein heten mag, maar dat is overwoekerd door terrassen en parasols. Aan de overkant van de trambaan is een vrijmarkt met prullaria, namaakkunst en hippiesnuisterijen.

In de jaren zestig is dit het territorium van de Pleiners, een groep artistieke jongeren die hier rondhangt en tot diep in de nacht zit te zuipen in jazzcafés. Alle nette mensen van Nederland spreken er schande van.

Schrijver Remco Campert is een van die Pleiners. Hij boekstaaft het leven van die tijd in 'Het leven is vurrukkulluk' (1961) en schrijft over het terras van Hotel American: "Iedereen die gezien wilde worden was op het terras aanwezig. Maar het wanhopige was, dat je alleen gezien werd door mensen die ook gezien wilden worden, zodat niemand er eigenlijk wijzer van werd."

Vandaag is het terras van Americain verlaten, terrasstoeltjes schuiven heen en weer in de wind. Onder de parasols verderop, achter de Stadsschouwburg, is het beter toeven. Toch zijn slechts weinig tafels bezet. De voertaal is buitenlands: gebroken Engels met Slavische accenten, Frans-Engels van Afrikaans ogende mannen. Behalve beroemde schrijvers en kunstenaars zet, halverwege de jaren zestig, ook een later journalist geworden jongetje zijn eerste schreden in de grote wereld.

Aan de hand van mijn moeder bezoeken mijn broer en ik de Disneyklassieker 'Fantasia', die hier in de bioscoop draait. Met vader Thijssen drinken wij appelsap in café Reijnders, want vader Thijssen had wel graag een Pleiner willen zijn. Maar ja: iets te oud, getrouwd en kinderen, en net niet de juiste mentaliteit om alles op te geven voor de kunst. Van Reijnders herinner ik me de biljartende mannen, de rinkelende glazen en de enorme rookwolken en nog iets, dat ik pas veel later leerde kennen en dat mijn vader in navolging van Campert Marie-joe-anna noemde; marihuana. Van beroemde schrijvers weet ik niks meer.

Maar mijn persoonlijke 'À la recherche du temps perdu' ('Op zoek naar de verloren tijd') loopt spaak op een onverwachte hindernis: ik kan Reijnders niet vinden. Heel de noordwand van het Leidseplein, waar het drinklokaal zich moet bevinden, is in beslag genomen door een enorme Ierse pub.

Een blik op de westkant maakt het er niet beter op. In de oude bioscoop zit een café. De gemeente heeft Broodje van Kootje, waar ik ooit mijn eerste broodje halfom at, dichtgetimmerd met houten panelen. 'Verboden toegang', waarschuwt een bord. 'Giftige stoffen bodemvervuiling.' Dat geeft te denken over de broodjes van Kootje. Na een zinloze rondgang beland ik weer aan de noordkant van het plein. Een laatste poging brengt me door de deuren van de Ierse gevel en zie: het is een valse. Daaráchter zit Café Reijnders. De pilaren van de entree staan nog scheef als vroeger, de wanden zijn nog bedekt met ingelijste tekeningen en karikaturen, maar het biljart ontbreekt, net als de rokende mannen. Wel aanwezig: drie Engelse jongens in pak, een Slavische dronkelap in trainingspak en een bardame die verklaart dat 'Reijnders altijd zal blijven bestaan'. Zachtjes knort er iets boven de gordel; mijn maag laat weten dat het tijd is. Haar is voedsel beloofd en nu moet zij bitter bier slikken dat de waarheid toch niet kan verdrinken: ik ben geen Thijssentje meer en mijn vader is dood.

Eten doen mijn maag en ik in het paleis van de pasja van het plein, de man die er bijna woonde: Harry Mulisch. Het plein was zijn domicilie, koffiedrinken deed hij in het Americain. Het hotel, nu in handen van een keten, bewaart het chique van een eeuw geleden. Een granieten fontein voor de deur, met spuitende vissen, een entree met vier treden en een eetzaal vol Moorse bogen, lampen uit een harem.

Vooral ouderen beklanten vandaag het restaurant, onder hen veel Amerikanen. Hun hawaïhemden en korte broeken versterken het déjà-vugevoel dat het interieur oproept.

Een voorkomende ober brengt de kaart, zijn vlekkeloos Nederlands gekleurd door een midden-Europees accent. Het menu bevat de gerechten van de klassieke brasserie: escargots, salade Niçoise, in roomboter gebakken tong. De zeevruchten zijn goed vertegenwoordigd, net als de Auteur himself, trouwens. Zijn portret hangt metershoog boven de leestafel die naar Hem is vernoemd.

Na een minuut of tien brengt de ober de Vitello tonnato, (in het menu met één n geschreven). Deze gebraden kalfsborst met tonijnmayonaise is een test voor de kok: snel te droog, snel te overheersende tonijn. De kok slaagt met glans. Goed en sappig kalfsvlees met een uitgebalanceerde tonijnmayonaise.

Dan is het de beurt aan de entrecote met Beurre maître d'hôtel, want opnieuw: klassiek. De lendenbiefstuk is op verzoek saignant gebakken en gaat vergezeld van een smakelijke garnituur van gesmoorde groenten en aardappels uit de oven; geen patat, gelukkig. Het vlees is dik en redelijk mals.

Na al dit inleidende werk is het tijd voor de hoofdmoot: de kaasplank. Helaas: een tegenvaller. Twee boeren Goudse die nogal op elkaar lijken, een geitenkaas die zo sterk is dat ik hem niet hoef, een kaas met fenegriek die niet slecht is maar als je toch speciale kaas zoekt, waarom dan niet het roodschimmeltje Doruvael of een Nederlandse bergkaas? Ook heel erg Nederlands en heel erg lekker.

Pleiners

'Pleiners', heette een groep jongeren die in de vroege jaren zestig rondhing op het Amsterdamse Leidseplein. Veel later bekend geworden schrijvers en kunstenaars behoorden ertoe, zoals Remco Campert, Harry Mulisch, saxofonist Hans Dulfer en actrice Kitty Courbois.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden