Review

’Entführung’ in Antwerpen, Brussel biedt schurende visie op het origineel.

De tijd veranderde. De mores ook. Zeven jaar geleden bracht operahuis De Munt in Brussel een geslaagde enscenering van Mozarts ’Die Entführung aus dem Serail’ - het verhaal over westerlingen die tegen hun wil ’in Mohrenland gefangen’ worden gehouden door de Turkse Bassa Selim en die op het punt staan bevrijd te worden door de Spaanse edelman Belmonte. Harembewaker Osmin wordt daartoe dronken gevoerd en in die scène zegt westerling Pedrillo tegen hem: ’Da hat euer Vater Mahomet einen verzweifelten Bock geschossen, daß er euch den Wein verboten hat’. Dat betekent zoveel als: ’Die Mohammed van jullie heeft een dubieuze blunder gemaakt, door het wijn drinken te verbieden.’

Zeven jaar geleden passeerde het fragment zonder enig rumoer. Nu, bij de herneming van de productie van Christof Loy, klonk er in de Koninklijke Muntschouwburg besmuikt gelach en afkeurende geluiden in de trant van: ’kan dit wel?’ De scène ging daarna helemaal schuren toen op het zojuist uitgerolde bidkleedje van Osmin een loflied op de god van de wijn werd aangeheven: ’Vivat Bacchus, Bacchus lebe!’ Amper opvallende subtiliteiten van zeven jaar geleden zijn nu enormiteiten, die behoorlijk aankomen.

Aankomen, als een mokerslag, doet ook de voorstelling ’Een totale Entführung’ van het Antwerpse Muziektheater Transparant. Dit kleine ondernemende gezelschap vroeg de Nederlands-Palestijnse schrijver, acteur en regisseur Ramsey Nasr een bewerking te maken van Mozarts opera. Nasr deed dat samen met componist Wim Henderickx, die de partituur indikte voor twaalf musici, aangevuld met drie op het voortoneel zittende Arabische handtrommelaars. Nasr bereidde een smakelijke cocktail, die soms dreigend dicht in de buurt van een molotovcocktail komt.

Het naast elkaar staan van Mozarts ’Die Entführung aus dem Serail’ in Brussel en ’Een totale Entführung’ in Antwerpen is geen toeval, maar geeft aan dat culturele instellingen in België overleggen en tot bijzondere projecten komen. In november inviteert het Antwerpse Toneelhuis van Guy Cassiers ook nog ’Mozart alla Turca’, een voorstelling van Schauspielhaus Wien waarin de Turkse componist Serdar Yalçin en de Pakistaanse regisseur Ibrahim Quraishi hún visie op ’Die Entführung aus dem Serail’ geven. De drie voorstellingen zijn een bijzondere en inventieve bijdrage aan het lopende Mozart-jaar.

In ’Een totale Entführung’, die vanaf vandaag door Nederland toert, is het dronken voeren van Osmin een scène geworden waarbij je helemáál niet meer weet of je erom lachen mag. Als Pedrillo de drinkende Osmin vraagt of hij nu door de profeet naar de hel gestuurd wordt, antwoordt Osmin: ’Als Mohammed me ziet, dan zwaait er wat, ja’, maar hij voegt eraan toe dat de profeet het in de ramadan-tijd veel te druk heeft met de coördinatie van de moskees om te letten op één drinkende moslim. En anders, zegt Osmin, kan ik mezelf altijd nog opblazen - dan ga ik rechtstreeks naar het paradijs. Om de schok in de zaal voor te zijn roept hij ons toe dat het alleen maar om te lachen is en barst hij met Pedrillo los in: ’Ramadan, als je kan. Je kan me toch niet pakken. Rammedammedam!’

De vierde wand wordt in de Antwerpse voorstelling regelmatig opgeheven, net zoals in Brussel trouwens, maar daar is het minder opvallend. In beide voorstellingen komt Belmonte, de westerse redder, vanuit de zaal het podium opgelopen. In Antwerpen toont Osmin (een fantastische rol van Stefaan Degand) de zaal zijn blote kont en valt hij het publiek ook op andere manieren lastig. Bij weer een ongewoon grove belediging aan het adres van de moslims, roept Osmin in de stad van het Vlaams Belang: ’We zijn hier zeker in Antwerpen?’ De grofheid slaat soms dood, maar Nasr mag het, als halve Palestijn, doen. Bovendien zet hij de westerlingen al net zo bot en schaamteloos weg. In zijn voorstelling zijn het niet de moslimmannen die hun vrouw slaan, maar is het juist Belmonte die zijn Konstanze een niet mis te verstane afranseling geeft. In Mozarts origineel zit die tegenstelling ook, al heeft de grootmoedigheid van Bassa Selim daar nog te veel weg van het gedrag van de ’nobele wilde’. Bij Nasr is Edward Saids visie op het oriëntalisme nooit ver weg, maar hij voegt daar het occidentalisme aan toe - hoe karikaturaal zien oosterlingen de westerlingen eigenlijk?

Die tegengestelde visies zitten volgens Nasr vooral in de mens zelf. De zangers krijgen van hem een acterend alter ego om dat gegeven scherper te krijgen. Oudere acteurs als Jan Decleir (Belmonte), Els Dottermans (Konstanze), Tom Dewispelaere (Pedrillo) en Annette Malherbe (Blonde), die elkaar aan het slot met hun echte naam aanspreken, zijn een prachtige zielspiegel voor hun jongere, zingende dubbels. Nasrs bewerking is er eentje die ertoe doet. Het is de eerste keer dat ik een opera-bewerking zie die door die bewerking een meerwaarde krijgt, een plek in onze tijd.

Regisséur Nasr heeft ervoor gezorgd dat het ook een snelle, goeddraaiende voorstelling is. Met acteurs van dit kaliber valt er heel wat te genieten en gelukkig ook onbekommerd te lachen. Vooral Malherbe zet Blonde met pijnlijke geestigheid neer. Na een uitzichtsloze cultuurdiscussie, als er een explosieve stilte valt, roept zij uit: ’Zal ik een tulband bakken?’ Meligheid die schitterend werkt. Pedrillo’s liedje ’In Mohrenland gefangen’, het teken voor de ontsnapping uit het seraglio, wordt eindeloos en steeds harder herhaald; alle zangers en acteurs doen mee, totdat de Konstanze van Dottermans er met de hartverscheurende kreet ’Bassaaaaaa!’ een einde aan maakt. Eerder had Dottermans op het bericht dat Belmonte aangekomen was, ook al onnavolgbaar treurig gezegd: ’Te laat. Het is te laat.’ En na André Hazes’ ’Een beetje verliefd’ barst Konstanze los in haar kukel-aria ’Martern aller Arten’ - alle martelingen zal ze doorstaan, zelfs Hazes. Geestig.

Niet alleen maar pijn tussen culturen dus, maar ook heftige relationele pijn. Die zit ook in de schurende Brusselse enscenering van Loy. Zandstormen in de woestijn hebben het zand tot in Bassa’s paleis doen belanden. Zand dat knerpt en schuurt op de paleisvloer. De blik tussen Konstanze en Blonde als ze terug naar huis gaan, spreekt boekdelen en ook hier kust Konstanze haar Bassa vol op de mond. Bij haar aria ’Ach ich liebte, war so glücklich’ vraag je je ogenblikkelijk af of dat wel zo is. De jonge zangers presteren in Brussel onder de bezielende leiding van Paul Daniel heel behoorlijk. De Osmin van de ervaren Harry Peeters springt eruit. De jonge zangers in Antwerpen staan een treetje lager, maar worden ook daar door dirigent Koen Kessels op handen gedragen.

In Brussel wordt de tegenstelling tussen Oost en West uiteindelijk opgeheven. Het kleurrijk met tulband en pofbroek uitgedoste koor van het eerste bedrijf, draagt aan het slot dezelfde zwarte broek en wit overhemd als de protagonisten. In Antwerpen is de tegenstelling alleen nog maar meer op scherp gesteld. Bassa Selim, slechts een spreekrol in Mozarts opera, krijgt van Nasr en Henderickx een klagelijke, woordloze Arabisch-aandoende aria te zingen. Najib Cherradi bezorgt een brok in de keel. Woorden schieten hier werkelijk te kort. In Mozarts opera staat aan het slot de zin: ’Nichts ist so hüßlich als die Rache’. Ik bedoel maar. Komt dat zien, wester- en oosterlingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden