Engeland zag weinig in een wereldvoetbalbond

De Fifa kiest volgende week vrijdag haar voorzitter. Blijft de omstreden Sepp Blatter, is de grote vraag. Maar hoe ging het er eigenlijk aan toe in de beginjaren van de organisatie?

De naam wereldvoetbalbond was nog al te pretentieus, toen de Fédération Internationale de Football Assocation (Fifa) in mei 1904 werd opgericht. Bonden uit slechts zeven landen (Frankrijk, Nederland, België, Spanje, Denemarken, Zwitserland en Zweden) zetten hun schouders onder internationale samenwerking.

De initiatiefnemer, de Franse journalist Robert Guérin, werd de eerste voorzitter. Onder zijn leiding werden acht nieuwe bonden lid. Daaronder de oudste en de belangrijkste, de Engelse FA. Het Verenigd Koninkrijk gold zeker toen als the home of football. Trainers van daar waren ook elders zeer gewild. Engelse teams staken geregeld Het Kanaal en de Noordzee over om wedstrijden te spelen tegen Europese elftallen. Meestal liep het uit op demonstraties van het krachtsverschil. De Engels lagen nog lichtjaren voor.

Vanaf het midden van de negentiende eeuw werd voetbal van een straatspel, wat het al in de Middeleeuwen was, langzaam maar zeker een sport. De kiem daarvoor legden de Britse kostscholen, die vaak nog elk hun eigen variant er op nahielden. Regels verschilden van plek tot plek. Zo werd op veel plaatsen na ieder doelpunt van helft veranderd. Nogal wat overtredingen bleven onbestraft: voetbal hoorde een beetje mannelijk te worden gespeeld. Tactisch bleef het lang een janboel. Dribbelkoningen stalen de show. Toen het naar elkaar over spelen ingang vond, waren bevreemdende opstellingen met een keeper, drie verdedigers en zeven aanvallers nog lang heel gewoon.

Bekertoernooien en competities kwamen van de grond. De populariteit van de sport liet uiteindelijk ook het vasteland van Europa niet onberoerd. In 1889 richtte Pim Mulier de voorloper van de KNVB op, de eerste voetbalbond buiten het Verenigd Koninkrijk. Tien jaar eerder had hij, ook een pionier op het terrein van andere sporten, al aan de basis gestaan van de eerste Nederlandse voetbalvereniging, de Haarlemse Football Club (HFC).

Niet overal ontmoette het voetbal evenveel enthousiasme. In Duitsland ontstond weerstand. Daar vonden de autoriteiten de sport 'te individualistisch en te ongeregeld', met andere woorden: on-Duits. Geoefende turners waren bewezen bruikbare soldaten. Maar wat leverde dat chaotische gehol achter een bal nu helemaal op?

In 1900 werd voor het eerst om een 'Europacup' gespeeld. Het werd - bij gebrek aan Engelse deelname - een kampioenschap van het continent en dan nog een heel beperkt deel daarvan. Vijf teams deden mee: het Haagse HVV, RAP uit Amsterdam, Grashoppers uit het Zwitserse Zürich en twee Brusselse clubs, Racing en Leopold FC. RAP won de beker.

Van de in 1904 opgerichte Fifa werden de Engelsen met frisse tegenzin lid. De opzet van de organisatie kon hun goedkeuring niet echt wegdragen en de internationale bond bracht bovendien de zuiverheid van het spel in gevaar. Er viel dus het nodige zendingswerk te verrichten.

Dat lukte heel aardig, nadat Daniel Burley Woolfall in 1906 werd gekozen tot opvolger van Guérin als voorzitter van de Fifa. Hij zorgde ervoor dat er uniforme spelregels werden afgesproken, vanzelfsprekend zoveel mogelijk naar Engels voorbeeld. De Fransen werden ondertussen gepaaid met de vaststelling dat Frans de officiële voertaal zou zijn tijdens Fifa-bijeenkomsten.

Het wantrouwen bij de andere leden bleef. Ter voorkoming van volledige Angelsaksische dominantie weigerden ze vooralsnog toe te staan dat Schotland, Wales en Ierland lid werden. Die zouden zich toch alleen maar opstellen als trouwe paladijnen van de FA.

Ondanks zijn chauvinistische kanten leverde Woolfall ook een belangrijke bijdrage aan de verdere internationalisering van het voetbal. Bonden van buiten Europa (Afrika, de beide Amerika's) sloten zich aan bij de Fifa. En in 1908 en 1912 was voetbal een van de sporten tijdens de Olympische Spelen. De Engelsen wonnen beide keren. Voetbal als programmaonderdeel riep wel vragen op. Olympische atleten dienden amateur te zijn en in het voetbal wemelde het al van de profs en semiprofs.

De Eerste Wereldoorlog maakte internationale samenwerking zo goed als onmogelijk.

Na de dood van Woolfall in 1918 werd de Nederlandse bankier Carl Hirschman voor zitter van de Fifa. Hij was in 1904 bij de oprichting geweest en had sindsdien al ervaring opgedaan als penningmeester en vicevoorzitter. Hirschman, de enige Nederlandse Fifa-voorzitter, bleef aan tot in 1921. Hij zorgde er onder meer voor dat het voetbal zich wat kon herstellen van de verlammende gevolgen die de Eerste Wereldoorlog voor de sport had gehad. Hirschmans opvolger, de Fransman Jules Rimet, zou de recordtijd van 33 jaar voorzitter zijn. Onder zijn leiding werd in 1930 het eerste WK voetbal in Uruguay gespeeld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden