En zo werd Cham zwart gemaakt

Woensdag 21 maart is de Internationale Dag tegen Racisme. In de legitimering van racisme en slavernij speelde het bijbelverhaal over de vloek van Cham een belangrijke rol. Theoloog Sam Janse onderzoekt hoe dit mogelijk was. „De massale aanwezigheid van zwarte slaven in het Midden-Oosten vroeg om verklaring en rechtvaardiging. En natuurlijk werden die ook gevonden.”

De gerenommeerde oud-gereformeerde predikant wijlen E. du Marchie van Voorthuysen placht te zeggen dat er op de negers een dubbele vloek rust: die van Adam en die van Cham. De vloek over Adam deelden de zwarten met de blanken, maar de vloek over hun voorvader Cham was speciaal over hen uitgesproken. Du Marchie stond hiermee in een niet eerbiedwaardige, maar wel eeuwenoude traditie die tot op de dag van vandaag doorwerkt.

Mijn collega Jac Hage uit Woerden was enkele jaren geleden in Ghana en sprak daar met Elvis Baah, een Ghanees van twintig jaar. Elvis zei tegen hem: „Er staat in de Bijbel dat zwarte mensen de knechten zullen zijn van de blanken.” De predikant besefte tot zijn schrik dat de planterstheologie nog steeds leeft in Afrika. En, met een verwijzing naar het verhaal van Cham, zwarte mensen klein houdt.

Wat staat er eigenlijk in het bijbelverhaal? Na de zondvloed mag het leven opnieuw beginnen. Een nieuwe kans voor Noach en de mensheid om te leven naar Gods bedoeling. Hij plant een wijngaard en maakt wijn, maar drinkt daarvan te veel zodat hij zich uitkleedt en naakt zijn roes uitslaapt. Zijn zoon Cham ziet zijn vader zo liggen en vertelt het aan zijn broers. Zij pakken een mantel en lopen achterwaarts, het hoofd afgewend, naar hun vader en bedekken zijn naaktheid. Als Noach uit zijn roes ontwaakt is, zegent hij zijn zonen Sem en Jafet en vervloekt Kanaün, de zoon van Cham.

Vervloekt zij Kanaün,

knecht van zijn broers zal Kanaün zijn,

de minste van alle knechten.

Geprezen zij de HEER, de God van Sem;

knecht van Sem zal Kanaün zijn.

Moge God ruimte geven aan Jafet,

hem laten wonen in de tenten van Sem;

knecht van Jafet zal Kanaün zijn.

(Genesis 9:25-27)

In Israël is het ongepast om de naaktheid van een familielid, zeker van de ouders te zien. De naakte verwant moet je toedekken en niet blootstellen aan jouw en andermans blikken.

De bijbeltekst roept vragen op: waarom wordt niet de dader Cham vervloekt, en wel diens zoon Kanaün? Maar duidelijk is dat de Israëlitische verteller niets wilde zeggen over de bewoners van het Afrikaanse continent of over hun huidskleur. De verteller heeft iets willen zeggen over de Kanaünieten, een volk dat midden onder de Israëlieten woonde. Hij heeft met dit verhaal willen legitimeren dat de Kanaünieten door de Israëlieten tot slaven waren gemaakt.

Hoe is deze tekst dan uitgegroeid tot een bewijsplaats van een theologie die de winstgevende zaakjes van Afrikaanse slavenhandelaars en -houders legitimeerde? De bijbeltekst is hier, als zo vaak, niet de oorzaak van de repressie; hij wordt er in tweede instantie bijgehaald om een reeds bestaande toestand te rechtvaardigen en voor een breed publiek aanvaardbaar te maken. Slavenjacht, slavenhandel en slavenarbeid zijn bijbels verantwoord – zie het verhaal van Noach en Cham. Daartoe moest veronachtzaamd worden dat niet Cham maar Kanaün de vervloekte was en daartoe moest er een legendarische trek aan het verhaal worden toegevoegd: Cham kreeg op het moment van de vervloeking een zwarte huidskleur. Ook de genealogische verbinding van Cham met zwart Afrika moest worden gelegd. Waar liggen de wortels van deze racistische theologie?

David M. Goldenberg komt in ’The Curse of Ham’ na uitputtend onderzoek tot de conclusie dat van racistische trekken in de Bijbel geen sprake is.

In Jesaja 18 bijvoorbeeld zijn de Ethiopiërs gerespecteerde en gevreesde krijgers. Er spreekt uit deze tekst eerder achting dan minachting voor dit volk. Opvallend is dat hun huidskleur niet genoemd wordt. Geheel kleurenblind is het Oude Testament niet, maar de huidskleur van de Ethiopiërs is blijkbaar geen belangrijk gegeven.

Hetzelfde geldt voor de vrouw van Mozes, die in Numeri 12:1 een ’Kusitische’ genoemd wordt. Deze vertaling die het Hebreeuws letterlijk weergeeft en nog in de Statenvertaling te vinden is (’Cuschietische’), verdient aanbeveling boven die van de NBG 1951 (’Ethiopische’) en die van de Nieuwe Bijbelvertaling (’Nubische’), omdat het kan gaan om een donkere vrouw uit Afrika, maar ook om een donkergekleurde nomadenvrouw uit de Negev. Moderne exegeten gaan veelal van het laatste uit. Er komt protest tegen de keuze van Mozes, maar de huidskleur speelt daarin geen enkele rol.

Iets dergelijks vinden we in het Nieuwe Testament. De schatbewaarder uit Ethiopië wordt in de Statenvertaling nog met een kleuraanduiding ’Moorman’ genoemd, dienaar van ’Candacé, de koningin der Moren’ (Handelingen 8:27). Dat roept associaties op met ’Moriaantje zo zwart als roet’. In het Grieks staat er een aanduiding van een volk: ’Aitiops’ – wat in latere vertalingen ook gewoon met ’Ethiopiër’ is weergegeven. Op geen enkele wijze schijnt de kleur van de man relevant te zijn. Dat hij in Handelingen optreedt, zal zijn omdat hij als Ethiopiër de verst afgelegen volken vertegenwoordigt die men zich in die tijden kon voorstellen. In die zin representeert hij de volkeren die horen van Jezus Christus en gedoopt worden.

Hetzelfde zien we bij Paulus. In de wereld van het Romeinse Rijk zijn er volop zwarte slaven aanwezig. Ze moeten ook opgevallen zijn. Maar als Paulus in Galaten 3:28 de tegenstellingen van zijn maatschappelijke wereld opsomt die door (het geloof in) Jezus Christus gerelativeerd en in zekere zin opgeheven zijn, dan noemt hij er drie: „Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk.” In Kolossenzen 3:11 wordt nog aan een vierde tegenstelling gerefereerd: die van de barbaroi, die zich manifesteren in de Scythen, de ongeciviliseerden uit het Noorden, tegenover de vertegenwoordigers van de Grieks-Romeinse beschaving. Maar blank versus zwart is er niet bij.

Frank M. Snowden heeft in ’Blacks in Antiquity’ geprobeerd te bewijzen dat de tegenstelling van blank versus zwart in de klassieke Oudheid geen hoofdrol speelt. Er bestaat volgens hem in deze cultuurkring geen racisme, nergens worden mensen gediscrimineerd om hun huidskleur. Daar is nogal wat kritiek op gekomen. Snowden heeft in zoverre gelijk dat de term racisme voor de Oudheid een anachronisme is. Het hele complex van ideologische stellingen en vooronderstellingen, uitmondend in discriminatie op grond van huidskleur, is daar nog niet aan te wijzen. Maar het betekent niet dat de Oudheid kleurenblind is. Voorkeuren voor een bepaalde kleur spelen zeker mee. In de Oudheid wordt de eigen huidskleur normaal en normatief geacht. Die is zowel binnen de Grieks-Romeinse wereld als in de oosters-mediterrane wereld lichtbruin. Lichter en donkerder valt uit de toon. In het jodendom uit de tijd van de ’Misjna’ (ongeveer 200) blijkt dat uit de norm die voor het priesterschap geldt: uitgesloten van dit ambt zijn niet alleen zij die te groot of te klein, maar ook zij die te blank en te zwart zijn (mBechorot 7.6).

Nu hoeft ons dat niet te verwonderen. Elk volk of ras verheft zijn eigen huidskleur tot de esthetische norm. De antropologe Véronika Görög-Karady onderzocht de kleurvoorkeuren van de Vili-stam in Congo en vond daar hetzelfde etnocentrisme als in blanke samenlevingen: zwart is de norm, blank de afwijking. De oervader, het prototype van de mensheid, is zwart en als er een blanke op het toneel van de mensheid verschijnt, moet er een ongeluk gebeurd zijn met als resultaat een witte deviant.

Maar het beeld is nog gecompliceerder. In de Oudheid heerst ten aanzien van vrouwen een duidelijke voorkeur voor de lichtere teinten. Daarbij spelen niet primair rassentegenstellingen een rol, maar wel de kleurschakeringen binnen hetzelfde volk. Ook hier hebben we weer met een universeel gegeven te maken. De antropologen P.L. van den Berghe en P. Frost hebben 51 samenlevingen onderzocht, waaronder ook die van zwart-Afrikaanse stammen. Hun conclusie is dat, als het om vrouwen gaat, de voorkeur steeds uitgaat naar de lichtere typen.

Op zijn website laat Frost zien hoe deze voorkeur tot stand is gekomen. Twee gezichten naast elkaar – identieke computercreaties waarvan de een iets lichter is dan de ander – laat ook de moderne kijker denken dat het lichtere gezicht dat van een vrouw is en het donkere dat van een man. Is de mannenhuid door jacht en buitenwerk een fractie donkerder geworden dan die van de vrouw? Dat zou de realiteit en de daarop gebaseerde norm kunnen verklaren.

Er is nog een gegeven dat aandacht verdient. Hoewel in de Oudheid de voorkeur begrijpelijkerwijze uitgaat naar de eigen kleur, een bruinvariant, krijgen we toch de indruk dat de donkerder kleurtypes, zeker in de late Oudheid en de vroege Middeleeuwen lager ingeschaald worden dan de lichtere. Nu zijn er in deze cultuurkringen veel etiologieën die het ontstaan van het zwarte mensentype verklaren, maar bestaan er ook verhalen die vertellen hoe de blanke (dat wil zeggen, blanker dan het lichtbruine, mediterrane type) is ontstaan? Ik ben ze niet tegengekomen. Dat zegt niet alles, maar wel iets: zwarter-dan-de-norm is problematischer dan blanker-dan-de-norm.

’Genesis Rabba’ (86.3), een rabbijns commentaar dat waarschijnlijk uit de vijfde eeuw stamt, behandelt het verhaal van Jozef, door zijn broers als slaaf naar Egypte verkocht. Potifar, de Egyptenaar, vindt dat hij een buitengewoon goede koop heeft gesloten. Hij koopt een man van wie hij niet kan niet geloven dat hij werkelijk een slaaf is. Want de regel is toch dat een germani een kuschi koopt, terwijl het hier omgekeerd is. We moeten hier niet vertalen met ’Germaan’ en ’Kusiet’, maar met ’lichtgekleurd’ en ’donkergekleurd’. Maar het blijft opvallend dat in dit joodse commentaar een woord dat refereert aan blanker-dan-de-norm (germani) hoger ingeschaald wordt dan een woord dat verwijst naar zwarter-dan-de-norm (kuschi).

Als ik voor deze verwarrende en contrasterende lijnen een verklaring kan bedenken, is het deze: de hersenen van de homo sapiens reageren op het opvangen van licht met positieve gevoelens. Zijn vermogen tot reflectie en metaforisch denken brengt hem vanuit de fundamentele tegenstelling van licht versus donker tot nieuwe tegenstellingen: wit versus zwart, hoog versus laag, goed versus slecht. Voor de noordelijke volken is het makkelijker om met deze polariteiten om te gaan: ze hebben zelf ’de goede kleur’. Voor de mediterrane en zeker voor de negroïde mens ligt het gecompliceerder: het bovengenoemde grondpatroon concurreert met een universeel aanwezige psychologische eigenschap: de eigenheid, ook de eigen huidskleur is de norm. Daar komt nog een antropologisch gegeven bij: vrouwen zijn doorgaans een fractie lichter dan mannen en horen het dus ook te zijn. Zie daar de concurrerende lijnen in een verwarrend patroon van normen en waarden.

Terug naar de geschiedenis van Noach, Cham en Kanaün. Als de Bijbel weinig kleurgevoelig is en de Oudheid in het algemeen wel kleurvoorkeur kent, maar toch getemperd en niet met de ideologische fundering en praktische uitwerking die in de recente westerse geschiedenis domineert, waar komt dan de voorstelling vandaan van de vervloekte Cham, gedoemd als slaaf zijn broeders te dienen en niet alleen hij, maar ook zijn nageslacht tot in lengte van dagen?

Goldenberg helpt ons in zijn al eerder genoemde boek verder. In een minutieuze speurtocht laat hij zien hoe Cham en zijn nageslacht in fasen verkleuren tot het diepe zwart van de Afrikaanse slaven. Zoals gezegd vinden we in de Bijbel nog niets van de zwarte huid van Cham cum suis. Ook Philo, Josephus en de schrijvers uit Qumran, uit de tijd van en rond het Nieuwe Testament spreken er niet over. Zij beseffen dat in de tekst van Genesis niet Cham wordt vervloekt maar Kanaün.

In de bijbeltekst ligt wel een aanknopingspunt voor de verbinding van Cham met Afrika’s zwarten. De genealogie van Genesis 10:6 laat Cham de stamvader zijn van onder andere Kus en Misraïm, respectievelijk van de Ethiopiërs en de Egyptenaren. Een sterk kleurbesef zit hier niet achter, zoals we zagen. De teksten worden natuurlijk anders gelezen, naarmate het kleurbesef door de toename van zwarte slaven in de wereld van het Midden-Oosten groeit.

De oudste tekst waarin Cham als zwart wordt aangeduid, is niet zo eenvoudig aan te wijzen. Het Samaritaanse geschrift, ’Tibat Marqe’ uit ongeveer 300 noemt bij de vierde plaag van Egypte de raaf de ’partner van Cham’. ’Partner’ zal slaan op de zwarte kleur van de raaf. Het betekent dat Cham zeer waarschijnlijk als zwart gezien werd in het Palestina van de derde of vierde eeuw.

Niet zeker is of de talmoedische literatuur oudere of jongere tradities weergeeft dan dit Samaritaanse werk. De expliciete vermelding van Chams verkleuring vinden we in elk geval voor het eerst in de Talmoeds. De tractaten pTa’anit 1.6 en bSanhedrin 108b spreken over Chams vervloeking die als consequentie had dat hij zwart werd. Opvallend genoeg is het hier niet de straf voor de bespotting van zijn vader, maar voor het feit dat hij, tegen Noachs uitdrukkelijk bevel in, gemeenschap met zijn vrouw had in de ark. Om begrijpelijke redenen had Noach de voortplanting in de ark aan banden willen leggen, maar drie hielden zich niet aan dit gebod: de hond, de raaf en Cham. Alle drie werden gestraft, Cham zichtbaar in zijn huidskleur.

In een Syrisch geschrift – toegeschreven aan de grote dichter Ephrem Syrus uit de vierde eeuw, maar waarschijnlijk van later datum – komt hetzelfde motief naar voren: Cham (én Kanaün) worden zwart, en hetzelfde geldt voor de raaf, die oorspronkelijk ook wit was. Maar in deze teksten wordt geen expliciet verband gelegd tussen de zwarte kleur van Cham en de huidskleur van de Afrikaanse zwarten.

Anderzijds hebben we een tekst als ’De grot van de schatten’, een geschrift van het Syrische christendom, waarschijnlijk uit de zesde eeuw, waarin niet wordt gerept van verkleuring, maar waar wel de vloek over Kanaün (niet Cham!) wordt uitgesproken en de verbinding wordt gelegd tussen Kanaün en de Afrikaanse volken: „Zijn nakomelingschap werd een slaaf der slaven, dat zijn de Egyptenaren, de Kusieten en de Mysiërs.”

Alle motieven zijn aanwezig, maar ze moeten nog bij elkaar worden gebracht: de verkleuring van Cham en/of Kanaün, hun vervloeking door Noach die slavernij brengt, en de genealogische verbinding met de volken van Afrika.

Het complete beeld vinden we volgens Goldenberg pas in de zevende eeuw in de Arabisch-islamitische en de Syrisch-christelijke teksten. Daar komen alle lijnen bij elkaar. De vloek van Noach wordt een dubbele: Cham wordt zwart én slaaf. En deze vloek loopt door naar zijn nageslacht, de zwarte slaven van Afrika.

Hier gebeurde wat zo vaak is gebeurd: de exegese werd bepaald door de maatschappelijk gewenste uitkomst. In het Midden-Oosten verschenen steeds meer zwarte slaven. Ze waren er vanouds, maar na de opkomst van de islam neemt het aantal zwarten onder de slavenbevolking absoluut en relatief toe. De oorzaak ligt in het feit dat moslims geen medegelovigen en geen leden van de beschermde godsdiensten jodendom en christendom tot slaaf mochten maken. Er moest dus uitgeweken worden en dat gebeurde naar zwart Afrika.

Volgens de historicus David B. Davis, emeritus hoogleraar uit Yale, zijn er vanaf de opkomst van de islam net zoveel zwarte slaven naar het Midden-Oosten getransporteerd als later door de westerse, koloniale machten naar Amerika.

De massale aanwezigheid van zwarte slaven in het Midden-Oosten vroeg om verklaring en rechtvaardiging. En natuurlijk werden die ook gevonden. Wie lang genoeg zoekt, vindt alles wat hij vinden wil. De vloek over de zwarten bleek in de Bijbel te staan, of in de bijbelse traditie zoals moslims die overnamen. Dat de zwarte kleur eerst via een cirkelredenering in het verhaal moest worden ingelegd om er vervolgens via de uitlegkunde weer uit te komen, beseften ook de grote exegeten en denkers van die tijd niet.

Hoe dit in zijn werk gaat, valt prachtig te illustreren aan de hand van de verschillende vertalingen van het al genoemde ’De grot van de schatten’. In de oorspronkelijke, Syrische versie wordt Kanaün de voorvader van de Egyptenaren, de Kusieten en de Mysiërs genoemd. Een ander Syrisch handschrift heeft er ook de Indiërs bij. De Arabische vertaling voegt er de Kopten aan toe „en de andere zwarten”. De Ethiopische versie noemt nog weer andere volken en besluit met: „en al de Ethiopiërs wier vlees zwart is.” Duidelijk is dat het oude verhaal wordt verbogen in de gewenste, en dus uiteindelijk in een zwarte richting.

Deze voorstellingen zullen voorlopig meegaan in de door jodendom, christendom en islam gestempelde samenlevingen. En toen deze ideeën zich eenmaal hadden genesteld, bleken ze zeer hardnekkig. De vloek over Cham en de Afrikaanse volkeren is duidelijk een van de mindere producten van de abrahamitische oecumene.

Heeft het bijbelverhaal slavernij en racisme bevorderd? De Bijbel zoals deze in de witte planterstheologie werd uitgelegd wel. De Bijbel moest evengoed als de zwarte slaven onder het juk van deze planters door.

Maar er zit aan het verhaal van Noach en zijn zonen ook een andere kant. En die wordt pas goed zichtbaar als we de vergelijking maken met de concepten van de Verlichting en de empirische wetenschap van de negentiende eeuw.

Ook de Verlichting heeft, als het om zwarten en slaven gaat, niet één gezicht, maar op z’n minst twee. Enerzijds is er de gedachte van de gelijkheid van alle mensen en de daaraan ontleende conclusie dat slavernij onnatuurlijk is. Zie Montesquieu. Daarnaast beweren de grote denkers van de Verlichting dat negers inferieure wezens zijn. Voltaire schreef: „Hun ronde ogen, hun platte neus, hun altijd dikke lippen, hun verschillend gevormde oren, de wol op hun hoofd en ook de mate van hun intelligentie leveren tussen hen en de andere menselijke soorten enorme verschillen.” Kant daagt de lezer uit om één talentvolle zwarte te noemen. Volgens de eerder genoemde David B. Davis is de lijn vanuit de Verlichting naar de racistische biologie van de negentiende eeuw sterker dan velen willen weten. Petrus Camper, sinds 1749 hoogleraar in Franeker, had in zijn vitrine een serie schedels in een bewust gekozen volgorde neergezet: die van de aap, de orang-oetan, de neger, de Hottentot, de Madagask, de inwoner van Celebes, de Chinees, de Mongool, de Kalmuk en uiteindelijk natuurlijk die van de Europeaan. De hoek van de gezichtslijn was volgens hem bepalend voor de plaats in de reeks. Nog lange tijd zou schedelmeting een erkende methode in de biologie zijn.

Ging het er Camper vooral om het wezenlijke verschil tussen mens en dier te verdedigen, in de achttiende en negentiende eeuw zagen velen de zwarte Afrikaan dichter bij de mensapen staan dan bij de blanken. De biologische wetenschap in Europa en Amerika ging overwegend uit van een hiërarchie van rassen in the great chain of being, met fysieke, intellectuele en sociale verschillen. Basis daarvan was het concept van de polygenese: de huidige mensheid is niet uit dezelfde oermens ontstaan, er zijn meer wordingsgeschiedenissen en de zwarte heeft dus een aparte, en wel inferieure afstammingslijn. Davis’ conclusie is dat deze filosofische en wetenschappelijke ontwikkelingen halverwege de negentiende eeuw leidden tot een officieel racisme in de westerse wetenschap en cultuur.

De christelijke abolitionisten daarentegen konden hier niet in meegaan. Het historisch opgevatte verhaal van Noach gaf de bevestiging van de ene oervader van wie allen afstamden. Vanaf de woorden van de Engelse abolitionist Granville Sharp in 1772 tot en met de antiracistische boodschap van de Amerikaanse predikant Fred P. Miller in 1992 beriepen de ’afschaffers’ zich op de ene gezamenlijke afstamming van Adam en Noach. Dat hun redenering de toets van de wetenschap niet kon doorstaan, deerde hun niet. Overigens was hun betoog niet veel onwetenschappelijker dan dat van de 19de-eeuwse racistische pseudowetenschappers die de polygenese verdedigden.

Het bijbelverhaal bleek in elk geval ook emancipatorische kracht in zich te hebben. De geschiedenis van Noach en zijn drie zonen uit wie de hele mensheid was ontstaan, kwam nu een keer de zwarten ten goede.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden