En zo voort en zo verder

Wat Bosnië nu is, was Macedonië, iets zuidelijker op de Balkan, in de eerste decennia van deze eeuw. Het toneel van etnisch geweld dus, van moord en verkrachting. De Turkse overheersers sloegen meedogenloos de meestal door Bulgaren geleide opstanden neer. Albanezen, Grieken en Serviërs sloten zich aan bij de coalitie tegen de Turken, of moordden elkaar uit, al naar gelang het beter uitkwam.

Van een goede vriend ontving ik ooit een gruwelijke spotprent van Joh. Braakensiek, uit 1903, gemaakt tijdens de zogenaamde Ilinden opstand van Gotse Delcev. Tegen een achtergrond van Turken die moorden, meisjes verkrachten en een zuigeling, aan een bajonet gespietst, grijnzend omhoog houden, zegt de Oostenrijkse keizer Franz-Joseph tegen de Russische tsaar: “Gelukkig maar dat ons Christendom ons niet de plicht oplegt aan dit bloedbad een eind te maken.” Het cynisme van buitenstaanders ten opzichte van gruwelen op de Balkan is niet van vandaag of gisteren, evenmin trouwens als de humanitaire betrokkenheid. In 1904 verscheen in Macedonië, min of meer als mosterd na de maaltijd, een internationale vredesmacht om de Turken in bedwang te houden.

De botten van Delcev werden in 1923 in Sofia begraven, waar hij als Bulgaarse held (Macedonië werd destijds door de Bulgaarse regering als West-Bulgarije beschouwd) werd gevierd. Onder druk van Stalin werd Delcev in 1947 in Skopje herbegraven, maar nu als grondlegger van de Macedonische natie. Dat was pijnlijk voor veel Bulgaren.

De leider van Macedonië, Gligorov, vreesde in 1991 het uiteenvallen van Joegoslavië en de terugkeer naar een gewelddadig verleden. Met Izetbegovic van Bosnië pleitte hij heftig tegen de erkenning van Slovenië en Kroatië voordat het hele Joegoslavische vraagstuk was opgelost. Voor het bloedbad van Bosnië bleef Macedonië gespaard. Maar Griekenland probeerde de kleine republiek met een economisch embargo te wurgen, de grote Albanese minderheid werd steeds roeriger, hetgeen het Macedonische extremisme weer versterkte, en zo voort en zo verder.

November 1996. In een treurig sporthotel in Skopje zitten vertegenwoordigers van Macedonische, Albanese, Bulgaarse, Griekse en Turkse onderzoeksinstituten en mensenrechtenorganisaties aan dezelfde tafel. Werkelijk voor het eerst praten zij samen tijdens deze bijeenkomst, georganiseerd door de Alfred Mozer Stichting van de PvdA, over de gruwelen van hun gezamenlijke geschiedenis. Zij feliciteren elkaar dat zij tot nu toe een bloedbad à la Bosnië hebben kunnen voorkomen. Zij zijn van goede wil, maar de spanning is te snijden. Waarom hebben jullie onze Albanese universiteit in Tetovo verboden? Omdat er gewoon niet voldoende gekwalificeerde Albanese docenten zijn, zegt de mevrouw die tot voor kort de Macedonische minister van onderwijs was. Het klinkt goed, maar misschien gaat achter dat argument gewoon de nationalistische wens schuil de Albanese minderheid te schofferen. En wie garandeert trouwens dat die universiteit niet gewoon een broeinest van Albanees separatisme is in plaats van een symbool van integratie en emancipatie? De gezichten trekken wit weg, maar we blijven praten.

En lachen. De laatste Bulgarengrap al gehoord? Na de winter zal het begrotingstekort opgelost zijn. De pensioenen hoeven dan niet meer betaald te worden, omdat alle gepensioneerden door honger en koude overleden zullen zijn. Geen grapje eigenlijk, maar bittere ernst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden