En toen... werd de Jordaan geasfalteerd

'De zijden franje moet er worden afgeknipt', liet in het najaar van 1933 minister van sociale zaken, Slotemaker de Bruïne doorschemeren. En zijn collega van financiën, Oud, schreef dat 'enige niet volstrekt noodzakelijke gunstige bepalingen uit de steunregeling moeten worden verwijderd'.

Jan Kuijk

Beide ministers uit het tweede kabinet-Colijn hadden het over de uitkeringen aan de werklozen, maar hun grootste zorg gold het tekort op de begroting voor 1934. Had De Geer als minister van financiën in het vorige kabinet nog de beschikking over enkele reservefondsen om de steeds stijgende uitkeringen aan werklozen en werkverschaffing op te vangen, zijn opvolger Oud had bij zijn aantreden in mei 1933 de hond in de pot gevonden. Het tekort op zijn begroting dreigde op te lopen tot 25 procent.

De oorzaak van de ellende was de ontwrichting van de wereldeconomie na de op 29 oktober 1929 in New York ingezette beurscrisis. De klap kwam ook in Nederland aan. Er waren in 1930 al 100000 werklozen, en in 1933 was dat aantal verdrievoudigd. Het totaal bedrag voor de werklozenzorg van rijk en gemeenten samen -op een begroting van 950 miljoen- was opgelopen tot ruim 146 miljoen gulden, tegen 60,4 miljoen in 1931.

Tegen deze achtergrond en de economische wijsheid van die dagen moeten de klinisch klinkende uitspraken van Slotemaker en Oud gezien worden. De uitwerking van de kabinetsplannen vergde nogal wat tijd, maar in het voorjaar van 1934 was het zover. De besturen van de vier grootste gemeenten kregen te horen dat de wekelijkse uitkering van gemiddeld 12,72 gulden zou worden verlaagd tot 11,51 gulden en de kindertoelage van 1,50 gulden naar 1,35. Verder zou er een korting van tweederde komen op andere inkomsten van een gezin - dus van werkende of bijklussende vrouw en kinderen.

De geruchten waren de uitnodiging al voorgegaan en daarom hadden burgemeester De Vlugt en hoofdcommissaris Versteeg van Amsterdam begin van het jaar overleg gevoerd over militaire bijstand in het geval van oproer. De burgemeester had daarbij er op gewezen dat 'de mentaliteit van de Amsterdamse bevolking een geheel bijzondere is, ook wat betreft haar plotseling uit de band schieten'. Gemeentebestuur en politie van Amsterdam stonden dus op scherp, maar toch kwam het oproer dat in de nacht van 4 op 5 juli 1934 uitbrak volstrekt onverwacht.

Op 31 mei 1934 had minister Slotemaker in een interview met het Algemeen Handelsblad de kortingen per 1 juli aangekondigd, maar de officiële reacties van politiek en vakbeweging waren lauw. Behalve de werklozen werden de ook werkenden bij overheid en bedrijfsleven getroffen, door loonsverlaging. Dat deed natuurlijk pijn, maar het was in die dagen al heel wat als je een baan had. De werklozen stonden alleen. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, de grootste partij in Amsterdam, bijvoorbeeld schreef geen werklozen meer in als lid, bang dat zij met hun bitterheid de sfeer en het moreel op de vergaderingen zouden vergallen. En het bestuur van de Communistische Partij vergaderde, toen in Amsterdam de vlam in de pan sloeg, over de mogelijkheid van een 'hongertocht naar Den Haag' op prinsjesdag. Ook op de dag dat de eerste uitkeringen werden betaald, bleef het merkwaardig rustig.

Dat werd anders op woensdag 4 juli. Die avond had de NSB een bijeenkomst belegd in een zaal aan het Ambonplein in Amsterdam-Oost, waar de voormalige communist Frenay van zijn nieuw verworven politieke inzichten zou getuigen. Maar omdat prins Hendrik de dag tevoren was overleden, ging de vergadering niet door en moesten de door hun voormalige partijgenoot aangetrokken communisten andere bezigheden zoeken dan het uitwisselen van politieke standpunten. Het begon met schreeuwen en bloempotten gooien, maar toen later de politie kwam kijken, bleken er ook stenen en dakpannen voorhanden te zijn. Er werd zelfs geschoten (waarbij een jongen in de nek werd getroffen), maar met de duisternis keerde de rust weer.

Die rust was er aanvankelijk ook op de Rozengracht in de Jordaan, waar een vergadering van het Werklozen Strijd Comité in gebouw De Harmonie kalm verliep. Maar na afloop (het was een broeierig warme zomeravond) trok een groep werklozen de Jordaan in, waar omstreeks middernacht op de Lindengracht een rel uitbrak.

Toen de politie aankwam, bleek de straat over de volle breedte te zijn opgebroken, wat een behoorlijke voorraad projectielen had opgeleverd. Bovendien was het pikdonker, want de straatlantaarns waren vernield. De motorbrigade moest eraan te pas komen. En een stel zoeklichten brachten de benodigde helderheid voor een gevecht waarbij schoten vielen.

De volgende dag was de Jordaan een slagveld met opgebroken straten en barricaden. Er werd geschoten en er vielen gewonden. De leiding van de politie vreesd een bloedbad en trok zich in de vooravond voorlopig terug, omdat ook elders in de stad onrust heerste. Pas toen er versterking van de marechaussee was gekomen, ging de strijd verder en werden de straten schoongeveegd. Dat eiste niet alleen slachtoffers, maar veroorzaakte ook een grote ravage.

Vrijdag 6 juli ging het op dezelfde wijze verder, maar toen hadden minister-president Colijn en minister van defensie Deckers er het leger met gepantserde auto's en mitrailleurs op af gestuurd. De Gemeentelijke Geneeskundige Dienst zag zich genoodzaakt in de Westerstraat een hulppost in te richten, want nu begon het toch echt op een bloedbad te lijken.

Zaterdag, de zevende, waren Colijn en Deckers persoonlijk in Amsterdam om burgemeester De Vlugt de les te lezen omdat de politie zich in het begin tijdelijk had teruggetrokken. De burgemeester wist de ministers tot betere inzichten te brengen. Toch ging er 's middags om twee uur een door Colijn geïnspireerde opdracht uit aan alle onderdelen van de politie: 'Iedere baldadigheid (opbreken bestrating, vernieling verlichting, enz.) moet terstond met de meeste kracht, desnoods door vuurwapens worden onderdrukt. Het gezag heeft de onafwijsbare plicht het verzet met de meeste kracht tot iedere prijs neer te slaan'.

Het bleef nog wat rommelen, maar eigenlijk was het na die zaterdag wel afgelopen. Toen op maandag 9 juli de rekening werd opgemaakt, werden er zes doden en tweehonderd gewonden (van wie dertig ernstig) geteld.

Aan de andere zijde van de balans kwam ook wat te staan, weten we nu. Er was na het Jordaanoproer geen sprake meer van verlaging van de uitkeringen aan werklozen (toen in 1936 prinses Juliana zich verloofde, was er zelfs een extraatje van 2,50 gulden; 'Benno heeft een knaak voor ons meegebracht', heet het), en in de Jordaan werden de doorgaande straten geasfalteerd.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden