En toen ... . . . rolden de overvalwagens Dennendal binnen

'Den Dolder draait dol door kabouters', kopte De Telegraaf op 22 maart 1971. Met dat artikel, over de zwakzinnigenpoot 'Dennendal' van de Willem Arntzhoeve, begon een sneeuwbal te rollen die drie jaar later, in juli, met een klap tot stilstand kwam - een klap die Nederland schokte.

Het harde nieuws van het Telegraaf-artikel was dat het personeel van Dennendal een week eerder een circulaire had ontvangen van de directie: vanaf nu was het personeel niet langer toegestaan onder invloed van drugs patiënten te verzorgen. Daarnaast signaleerde de krant ook dat ,,een aantal Kabouters, principiële dienstweigeraars en leden van de Oranjevrijstaat temidden van de zwakzinnige kinderen en volwassenen een complete alternatieve Kaboutermaatschappij hadden ingericht.”

Was de verpleging inderdaad weleens stoned? Nee, beweert de hoofdpersoon van het drama dat zich zou ontrollen, Carel Muller, nog onlangs in een interview met 'De Humanist':

,,Er waren natuurlijk mensen die hasj rookten en die experimenteerden, maar dat was allemaal in de privésfeer en niet tijdens het werk, dat mocht echt niet.” Muller was sinds 1969 directeur van Dennendal en was een man met ideeën. De benadering van zwakzinnigen moest anders, vond Muller. De klassieke grote slaapzalen moesten plaats maken voor kleine woongroepen. Liefst moesten zwakzinnigen ook niet op een kluitje wonen, afgezonderd van de rest van de samenleving. 'Verdunning', noemde Muller dat. Op het Dennendal-terrein nodigde hij sympathisanten van de Kabouter-beweging uit. Samen met de bewoners (die niet langer 'patiënten' heetten, maar 'pupillen'), legden die een biologisch-dynamische tuin aan, er kwam een theetuin, verschillende zwakzinnigengroepen kregen een kippenhok, een volière, een huifkar met pony. Mensen met een beperking moeten niet platgespoten en opgeborgen worden, maar deel uitmaken van de samenleving - daar wordt die vriendelijker van, ook al omdat zwakzinnigen 'een verheven stompzinnigheid' zouden hebben waarvan gewone mensen nog iets konden leren. Dat was in een notendop de filosofie van Dennendal.

Bij die ideeën bleef het niet. De staf van Dennendal democratiseerde zichzelf ook. In de beste jaren zeventigtraditiemoest de besluitvorming voortaan collectief. Voortaan moest de 12-koppige staf samen met de directeuren (van wie Muller er een was) de beslissingen nemen.

En dan waren er nog de bouwplannen. Muller wilde dat de nieuwbouw die er op het terrein zou komen een uitdrukking zou zijn van zijn ideeën: zwakzinnigen en 'normale' mensen moesten er dooreen kunnen leven.

Hij had daar een progressieve architect bij gevonden, Van Klingeren.

Die democratische werkverhoudingen en de nieuwbouwplannen zinden het bestuur van de Willem Arntzhoeve van geen kant, maar in de publicitaire rel die 'Dennendal' na het artikel in De Telegraaf begon te worden, ging het aanvankelijk vooral om de vraag of de zorg voor de zwakzinnigen niet te lijden had onder de hipheid van het Dennendal-personeel.

Daar zijn geen aanwijzingen voor, zei een commissie-Speyer, ingesteld om de Telegraafrel uit te zoeken. Toch volgde Mullers ontslag - maar na een storm van links protest stapte het Willem Arntz-bestuur op, kwam er een interim-bestuur en trad Muller weer in dienst.

Maar het bleef rommelen. Het nieuwe bestuur wilde een onderzoek naar de organisatiestructuur, maar op Dennendal vonden ze dat ze zelf wel wisten hoe de organisatie ontwikkeld moest worden. Architect Van Klingeren was inmiddels geloosd en bouwbedrijf Bofinex zou nu de nieuwbouw voor de Willem Arntzhoeve verzorgen - maar zonder de 'verdunningsgedachte' uit te voeren.

Vanaf de zomer van 1973 culmineerden al die deelconflicten in een regelrechte oorlog tussen bestuur en Dennendal, toen het bestuur drie nieuwe bestuursleden zou krijgen, maar niemand aan de Dennendallers had gevraagd of ze het met die kandidaten eens waren. Carel Muller sloeg hard terug en zocht een eigen Dennendal-bestuur aan, met Piet Reckman als voorzitter: er moest een zelfstandig 'Nieuw Dennendal' komen. Het bestuur van de Willem Arntzhoeve wist het onderhand ook niet meer en klopte aan bij staatssecretaris Hendriks (KVP) van Volksgezondheid: sluit de paviljoens en breng de pupillen elders onder, vroegen ze de politicus. Hendriks gooide er eerst nog een commissie tegenaan voordat hij dat uiteindelijk, in juli 1974, toch maar deed. Met 120 man politie, twaalf overvalwagens en een waterkanon werden de twee Dennendal-paviljoens ontruimd. In Den Haag wankelde het kabinet er van. Premier Den Uyl sprak van 'een persoonlijke nederlaag'.

De tijdgeest waarin het conflict zich afspeelde is nog altijd te proeven op de site van Nieuw Dennendal (www.nieuw-dennendal.nl), die als motto heeft ,,Gewoon samen mens zijn”. Een kwart eeuw na die ontruiming promoveerde Eveline Tonkens op een boek dat niet alleen de geschiedenis van het conflict vertelt, maar vooral ook de culturele betekenis ervan analyseert: 'Dennendal' is een van die scharniermomenten waarop, ontruiming of geen ontruiming, de autoritaire samenleving afbrokkelde die Nederland tot dan was.

Het idyllische beeld van de zwakzinnige als held van een tegencultuur moge inmiddels verdwenen zijn, veel van wat Muller c.s. hebben gewild geldt inmiddels als 'normaal'. Toen de ouders van Jolanda Venema in 1988 de foto van hun dochter publiceerden (die wegens 'probleemgedrag' bloot en aan een ketting in een isoleercel zat) leverde dat een verontwaardigde bijval op die er vóór Muller veel minder zou zijn geweest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden