En toen... ... gaf het bos aan duizenden werk

Amsterdam dúrfde in die tijd, in 1928 het jaar van de Olympische Spelen. Architecten en stedebouwkundigen hadden grootste ideeën over de inrichting van de stad, het zou het 'Mekka van de woningbouw' moeten worden. Bovendien zouden er tuindorpen moeten komen om de druk op die overbelaste bevolking in de stad te verminderen, en wat zeer belangrijk was: de stedeling zou veel meer groen voor zichzelf moeten hebben om te kunnen ademhalen, bij te komen van de dagelijkse zware lasten.

De gemeenteraad nam een belangrijk besluit op 28 november 1928: een echt bos zou worden aangelegd in de laaggelegen polders aan de zuidelijke rand van de stad. Twintig maal zo groot als het Vondelpark, twee en een half maal groter dan het Central Park in New York, te vergelijken met het fameuze Bois de Boulogne in Parijs. Laaiend enthousiast reageerde de raadsverslaggever van het Algemeen Handelsblad op het 'Boschplan', het besluit over het aanleggen van het Amsterdamse bos. De kop boven het stuk sprak boekdelen: 'Geboorteuur van het Groote Bosch' (met hoofdletters). Besturen in grote stijl betekende volgens de verslaggever: voor het nageslacht werken.

De Amsterdammer zou niet meer lang in het openbaar vervoer hoeven zitten of urenlange fietstochten hoeven te maken naar het Gooi of Zandvoort om te verpozen. (Auto's waren er in die tijd nog nauwelijks). Een mooi woord kwam in die tijd in zwang: recreatie, de Amsterdammer had behoefte aan 'herschepping', zoals het letterlijk betekent.

De Commissie voor het Boschplan die aan het werk ging met het plannen maken voor het parkachtige bos, sprak in 1931 over de behoefte aan recreatie voor de stedeling die aan alle kanten met handen en voeten gebonden is. Zij 'is niet alleen gelegen in het genot dat haar schoonheid voor het oog biedt en in de gezonde beweging in de buitenlucht, maar ook in de vrijheid te kunnen gaan waar men wil, in het contact met planten, dieren en bodem, in de weldadigheid van de stilte, in de zuiverheid van het leven, dat men rondom zich voelt en tenslotte in de tegenstelling van de vrije groepering der voorwerpen in de natuur met het sterk geordende leven in de stad.'

Een stad moest over minstens 'tien vierkante meter' recreatieruimte per inwoner beschikken. En als ander argument gebruikten b en w van Amsterdam: 'De stad moet rijke lieden iets dergelijks bieden om vertrek naar elders te voorkomen.' De bekende stedenbouwkundigen Cornelis van Eesteren en Jakoba Mulder werden aan het werk gezet en zetten de plannen op papier, in grove mooie schetsen. Het werd opgezet in Engelse landschapsstijl, met heuvels, vijvers en stroken bos en met een Duits volksparkkarakter, dat wil zeggen een kern van sportvelden, maneges en plekken waar mensen hun hobbies kunnen beoefenen. Slechts hun idee voor het opzetten voor een zonneweide voor naaktlopers aan de Amstelveense kant werd niet nagevolgd, te gewaagd geacht. Tot op heden is het Amsterdamse bos dankzij deze schetsen nog een internationaal monument als het om landschapsarchitectuur gaat.

Maar een jaar na die Olympische Spelen in Amsterdam was er in New York de beruchte beurscrisis, de zwarte donderdag 25 oktober 1929, die vrijwel de gehele wereld parten ging spelen. Het bedrijfsleven raakte in grote moeilijkheden, werknemers werden massaal op straat gezet. In Nederland werd onder het kabinet Ruys de Beerenbrouck (premier van 1929 tot 1933, afkomstig uit de RKSP, Rooms-Katholieke Staatspartij) een 'Nationaal Crisis Comité opgezet. Plannen werden gemaakt om de werkzoekenden toch aan de arbeid te krijgen.

De crisis bereikte onder het kabinet Colijn in 1934 en '35 in Nederland haar dieptepunt. Zeker een half miljoen werklozen waren er, dagelijks stonden er lange rijen mannen bij de arbeidsbureau's en de stempellokalen. Het 'stempelen' was verplicht. De overheid zocht naar zoveel mogelijk werkverschaffing. Op straffe van 10 weken inhouden van steun was men verplicht dit werk te aanvaarden. Geluk bij ongeluk was dat Amsterdam langzamerhand wel eens wilde beginnen aan het bouwen van zijn grootschalige bos. De werkverschaffing bood op dat punt een mooie oplossing: duizenden mensen waren voorhanden om te graven en te sjouwen, 8 en een half uur per dag en op zaterdag 5 en een half uur. En een bijkomend voordeel was, zo wist ook Amsterdam, dat het Rijk een belangrijk deel zou bijdragen aan de loonkosten.

Geen dure machines waren er nodig om de aarde te verschuiven, maar werkloze klerken en ongeschoolde arbeiders zouden in massaliteit dit zware werk opknappen. Tussen 1934 en 1940 hebben zeker 20.000 mensen werk gevonden in het Boschplan. Begonnen werd met de bouw van de Bosbaan, de 2200 meter lange roeibaan. Met stalen kiepkarren op rails, met kruiwagens en vooral met de schop verzetten zij bergen werk; meer dan 3.000.000 kubieke meter grond werd verzet en uiteindelijk werden 210.000 bomen geplant.

De Nederlandse Heidemaatschappij zorgde voor de uitvoering van het plan. De arbeiders van de werkverschaffing bleven doorgaans niet langer dan drie maanden aan het werk. Iedere maandag meldden zich bij de loods van de Heidemij enkele honderden nieuwelingen. Vanuit de socialistische SDAP was er flinke kritiek op deze slavenarbeid van overheidswege. De arme arbeider zat de ganse dag met zijn schop in de zware polderprut en kreeg slechts een hongerloon van nog geen twintig gulden per week, de staatssteun van 14 gulden plus een extraatje.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, van 1940-1945, werden de plannen voor de bosbouw in de ijskast gezet. Het bos nabij Schiphol was voor de Duitse bezetters van strategisch belang. Delen van het jonge bos, aangelegd door de mannen van de werkverschaffing werden gekapt voor de aanleg van Duitse stellingen.

Ook de bosdelen aan de stadszijde moesten het ontgelden in de hongerwinter van 1944. Veel van het jonge hout werd gekapt vanwege de grote behoefte aan brandstof in deze tijd. Aan een van de zijden bij het Nieuwe Meer werden Joden door de nazi's tewerkgesteld, ze moesten onder andere een sloot graven om te voorkomen dat er vreemde bezoekers in het bos zouden komen. De meeste van deze arbeiders van het werkkamp zijn later gedeporteerd en nooit meer teruggekomen.

Na de oorlog was er een nieuw soort werkverschaffing, uitgevoerd door de DUW, Dienst Uitvoering Werken. Er was veel schade te herstellen en er kon worden doorgegaan met de voltooiïng van het oorspronkelijke plan. Ditmaal niet meer grotendeels met de hand en de kruiwagen, maar met machines en ander moderner werktuig. Pas in 1970 werd de laatste boom geplant.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden