En op m'n billen heb ik nog een muis

De Sjeserd noemen ze hem in de Amstelbar aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht. Waarom weet hij zelf ook niet, maar die bijnaam heeft hij ongetwijfeld te danken aan het feit dat Ferry altijd met 'iets' bezig is, en dat iets slaat meestal op de handel. Ferry koopt- of verkoopt. Hij husselde al toen die term nog moest worden bedacht. Tot dik in de zeventig stond hij op de markt, met trainingspakken en Gero-bestek. Maar ook nu nog is er in zijn woninkje in Ondiep een partij nieuwe radiocassetterecorders opgestapeld - pal naast het wandmeubel met de fotolijstjes. “Heb je interesse? Is eerlijke handel hoor, direct van de leverancier. Ik heb nog nooit gestolen goed gehad.”

Het leven van Utrechter Rijnsewijn (“Ik heb Hans van Zon nog gekend: knappe vent, lelijke boef”) is er een van twaalf banen-dertien ongelukken, gekke voorvallen, onverwachte gebeurtenissen, avonturen. Een opsomming van kattenkwaad. En zijn getatoeëerde armen vormen daarover een dagboek in strip-verhaal. Terwijl hij zijn geruite mouw oprolt: “Die paardenkop hier op mijn hand bijvoorbeeld, heb ik genomen omdat ik helemaal gek van dieren ben. Al het kleinvee heb ik in de kamer gehad. Ik heb alleen geen leeuwen genomen.”

Wijzend op het plaatsje achter het huis van hooguit twee bij zes: “Weet je dat ik hierachter een pony heb gehouden? Nou, eigenlijk had ik eerst een paard gekocht, op de veemarkt van Utrecht. En toen zeiden ze me al: dat ding is niet te houden, die krijg je nooit thuis. En toen moest ik hem per se hebben, hè. Zo zit ik in mekaar. Dwars tegen alles in. Dus ik naar huis met een steigerend paard. Na vijf minuten brak hij los en kwam het beest in een sloot terecht. Kostte 25 gulden om dat paard weer op het droge te krijgen. En daar had ik geen zin in. Ik heb het beest daarom ín het water nog aan iemand anders verkocht. Ik zei: doe mij maar een pony. En die heeft hier een hele tijd achter het huis gestaan.”

Rijnsewijn heeft eenzelfde soort verhaal over de oorlog, toen hij in Utrecht illegale kranten rondbracht, vast kwam te zitten in het Utrechtse Tivoli voor het stelen van Duitse Kuchen en in Duitsland te werk werd gesteld. De Utrechter vertelt zonder emotie over de moeilijke tijden die hij gedurende die periode heeft gekend. Hoe hij als brandweerman in Frankfurt voornamelijk naast de brandhaard spoot. Hoe hij bij een razzia persoonsbewijzen voor 'jodenmensen' in een stortbak kon verstoppen en uiteindelijk uit Duitsland vluchtte, omdat hij het beu was met cementzakken te sjouwen.

Maar plotseling gaan zijn ogen weer glinsteren en komt het verhaal over de koei. “Illegaal slachten was tijdens de oorlog hartstikke verboden, maar onder de ogen van de Duitsers heb ik een hele koei Utrecht in weten te brengen, die ik via de achterom in de tuin heb geparkeerd. We hebben haar binnen geslacht, omdat haar laatste loei de bezetter misschien zou waarschuwen. En op het plaatsje heb ik 'm persoonlijk gevild. Met een kaars ging ik langs het vet en gaf dan weer een ruk aan de huid. Dat beest smaakte fantastisch. Zal ik nu wat accordeon spelen?” En terwijl hij de eerste toetsen op zijn Hohner beroert voor Oh-Sapperdiosia: “Weet je dat ik aangetrouwde familie ben van Marianne Weeber?”

In het wat rumoerige en onvoorspelbare leven van Rijnsewijn was het nemen van een paar tatoeages geen opmerkelijk stap. “Als jongens onder elkaar deed je dat gewoon. Je liep er mee te showen, zoals nu met zo'n scooter. Ik heb er nooit spijt van gehad. Op m'n vijftiende kreeg ik een lelijk anker van een knul die het niet kon. Net zo lelijk als het anker dat ik zelf bij Paling Verhoef, de handelaar van de Springweg, op de arm heb gezet. Gelukkig liep ík later Kobus Straatman tegen het lijf.” Deze zou een van de bekendste tatoeëerders van Nederland worden. Zijn gereedschap hangt inmiddels in het tattoo-museum in Amsterdam. “Kobus uit de Kroonstraat kon prachtig tekenen, en hij heeft dat anker van me onder handen genomen, zodat dit er weer een beetje uitzag. En later hebben we samen andere tekeningen uitgekozen. Een slang met weerhaken bijvoorbeeld. Mooi hè? Kijk, en deze roos. En hier heb ik nog een hart met pijl. Alleen de doodskop is lelijk, maar die laat ik nu maar zitten. En op mijn billen heb ik nog een muis, maar voordat ik hem kan laten zien, is 'ie m'n gat ingekropen. Ha, goeie hè? Maar zonder gekheid, ik ben apetrots dat ik de tatoeages van Kobus draag. Zal ik nog een stukkie accordeon spelen?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden