En onder hen waren Mongoolse ruiters, Japanse samoerai en Turkse janitsaren

'De Mongool in ons allen' noemde Jan Cremer ooit de woesteling die volgens de cultuurpessimisten vlak onder het vernis van de beschaving huist. Maar het is met die Mongolen niet zo simpel gesteld. Op de tweede dag van de conferentie verschenen de krijgers ten tonele, die al een eind verder gevorderd waren in de geweldsspecialisatie dan de wildemannen uit de steentijd, en onder hen waren Mongoolse ruiters, Japanse samoerai en Turkse janitsaren.

Het Chinese, Japanse en Ottomaanse Rijk zitten vol geschiedenissen van eigengereide vechtjassen die elkaar beoorlogen, het op een akkoordje gooien, een uitblinker uit hun midden tot koning verheffen, zich een tijdje schikken naar de willekeur van de troon - het hemels mandaat - en dan weer aan het vechten slaan, tegen de keizer en tegen elkaar. Mongoolse horden liepen in de dertiende eeuw een ordentelijke staat omver en, tot ieders verbazing, verrees uit de stofwolken een geraffineerd Mongools hof. Zo'n metamorfose vond in China en in Perzië plaats. Niet één keer, maar vele keren. Aan zulke beschaafde hoven werd trouwens nogal eens het onrecht dat de vrouwen door de jaloerse militaire specialisten was aangedaan, tijdelijk hersteld. In het Westen bestond ook een vrouwencultus in de hoge Middeleeuwen, maar in China reikte de vrouweninvloed ooit zover dat de historici over het 'madamaat' (van 'madame') spreken.

De geschiedenissen die de oriëntalisten ons 's ochtends deden waren gecompliceerd en allerminst eenduidig. Uit de voordrachten over de onophoudelijke clashes van keizers en sultans met hun lijfgardes en provinciale gouverneurs bleek hoe moeilijk het is uit het wisselende getij van chaos en vrede, dat in het Chinese geval over duizenden jaren en kilometers rolde, één les over het proces van de civilisatie te trekken. Laat staan de les die Norbert Elias trok uit de ontwikkeling van de West-Europese staatsvorming. De militaire elites die uit bendes omhoog kwamen vormden in het Oosten lang niet altijd de hechte grondslag voor een dynastie die dan zoetjes overging in een staat. Een centraal hof garandeerde ook lang niet altijd de monopolisering van het geweld. In Japan bijvoorbeeld, vertelde de Australische socioloog Johann Arnason, bestond gedurende bijna duizend jaar de omgekeerde situatie. Het keizerlijk hof moest al omstreeks 900 na Christus de concurrentie en het toezicht dulden van de machtige samoerai, en die geweldenaars gaven zelfs tot voor kort nog de toon aan in de Japanse cultuur. Geraffineerd door een eigen versie van het boeddhisme - zen - maar elk ogenblik bereid om de eer gewapenderhand tegen rivalen te verdedigen.

Waar andermans 'Middeleeuwen' beginnen en eindigen - in Elias' beschavingsgeschiedenis de periode tussen wilde en beheerste zeden - valt dus niet makkelijk uit te maken, maar de Engelse historicus Bob Moore had weinig moeite met het dateren van ons eigen, westerse, ridderepos. De uitstapjes 's ochtends naar het Oosten waren verbazend en exotisch geweest, maar 's middags luisterde ik als een kind naar een vertrouwd verhaal. In 1038 versloeg het ridderlijk gevolg van graaf Eudo van Déols de slecht bewapende landwacht van de bisschop van Bourges, en 'het water van de Cher kleurde rood van het bloed'. De goeie tijd van 'alle weerbare mannen onder de wapens' was over: oorlog was een zaak van ingewikkelde technologie en lange oefening geworden. Van geld, met andere woorden. Voor bewapening en onderhoud van één ridder was het werk van vele boeren nodig. De strijd tussen de feodale baronnen ging dan ook net zo hard over land als over eer. Het een was trouwens nauwelijks van het ander te onderscheiden. Nog geen twee eeuwen na de ongelijke strijd aan de Cher verscheen in Engeland een woedende graaf van Chester voor des konings klerken. Hem was gevraagd op welke titel hij zijn land hield. 'Op deze!', brulde hij en smeet zijn roestige zwaard voor de voeten van de ambtenaren. Het gebaar was groots, en het zou nog lang duren voor de zwaardadel getemd was, maar dat de koning de adel de wapens zou ontfutselen stond al vast.

En met de wapens gingen andere voorrechten over op de koning, zoals het recht om belasting te heffen.

Aan het eind van de ridderromans verrijst het koninklijk hof, en bovenal het Franse hof: Versailles, centrum van nationale administratie, van legers en gelden, maar ook museum van een ontwapende adel.

Na afloop van de congresdag begon me te dagen waardoor Bob Moore te midden van al de geleerden met zo'n smaak die verhalen kon opdissen, schandaaltjes die en passant het Europese krijgerstijdperk afpaalden. In ons allen lijkt een herinnering voort te leven aan dagen van strijd en edelmoedigheid. Ook het vermoeden dat we onze voorstelling van de ridderschap als wildebrassen met een klein hartje aan Sir Walter Scotts romans danken, doet niet af aan de sentimentaliteit die velen voelen in verband met kastelen en kathedralen.

De tegenstelling tussen machtswellust en heiligheid, een tegenstelling waarvan ik de verschijningsvormen in de Chinese en Japanse verhalen maar slecht kon volgen, schonk de westerse geschiedenis een dramatische betekenis. ' 's Levens felheid', om met Huizinga te spreken. Kon dat sentiment het restant van mijn katholieke jeugd zijn? Als beschaveling had ik hartzeer over de verruwing der zeden, en ik wilde graag geloven dat terughoudendheid tegenover geweld en fijne manieren hand in hand gingen. Okay, de wildeman in ons diende gekooid, maar de ridder, had die geen recht op een herkansing? Revancheerden die ruwe bolsters, blanke pitten zich niet al, in perverse vorm weliswaar, in streetgangs hier, en private armies daar? Trouwens, hadden die centrale overheid en die beschaafde praatjes, die hele reglementering van het bestaan, ons ook maar één oorlog, een revolutie gescheeld?

Natuurlijk, die rebellie van mij tegen de beschavingsmachine had ook dubieuzere gronden dan de twijfel aan een vooruitgang der rede die het eliasiaanse model steeds veronderstelde. Voelde ik, behalve huiver, ook niet altijd jaloezie als ik getuige was van een onbekommerde vechtpartij? De ridders stamden nog uit een paradijselijke tijd van vóór de kennis van goed en verstandig. In hun opvliegendheid konden bangeriken als ik hun onbevredigde wraakgevoelens projecteren. Maar werd het nu geen tijd voor een nieuwe Lancelot, Parsifal of een andere beschaafde Mongool?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden