En de waanzin dendert altijd voort

Vijfenzeventig jaar geleden verscheen ’Reis naar het einde van de nacht’, de roman waarmee Louis-Ferdinand Céline (1894-1961) zijn spectaculaire entree maakte in de Franse literaire wereld. Ook voor Kees Bakhuyzen is het boek telkens weer een ’verpletterende’ leeservaring. Wat maakt deze roman zo fascinerend?

’Een feit is dat je in de oorlog steeds denkt dat het in vredestijd allemaal wel beter zal gaan en die hoop gaat er bij je in als koek, en dan blijkt ’t achteraf toch alleen maar stront te zijn.” Het is een citaat uit ’Reis naar het einde van de nacht’, de roman die Louis-Ferdinand Céline (pseudoniem van Louis-Ferdinand Destouches) in 1932 in één klap beroemd maakte.

Sinds ik lang geleden de ’Reis’ voor het eerst las, pak ik de roman om de paar jaar weer op. En telkens opnieuw is het een verpletterende ervaring. Wie de roman heeft gelezen, kijkt voorgoed anders naar de wereld. Het boek is een moderne versie van ’De nieuwe kleren van de keizer’, waarbij de keizer het leven zelf is.

In een wervelende, evocatieve stijl, vol spreektaal schildert Céline ruim vierhonderd bladzijden lang de waanzin van het dagelijks leven, waarin de dood de enige betrouwbare bondgenoot lijkt. „Al eeuwenlang zien we om ons heen de dieren op de wereld komen, ploeteren en kreperen zonder dat ook zij ooit iets opwindends beleven, behalve dan dat ze steeds maar weer in dezelfde grauwe troep kunnen beginnen die zoveel andere dieren hebben achtergelaten. We hadden toch moeten begrijpen wat er aan de hand was. Eindeloze golven van nutteloze wezens komen uit ’t diepst der tijden onafgebroken voor onze ogen sterven, en toch blijven we nog van alles en nog wat hopen. We zijn niet eens in staat te begrijpen dat wij zelf de dood met ons meedragen.”

Zuiplappen

Céline neemt de lezer mee van de massaslachting van de Eerste Wereldoorlog via de koorts en uitbuiting in de Franse koloniën naar de Ford-fabrieken in Detroit, waar het individu minder is dan een nummer. „We hebben geen mensen met fantasie in onze fabriek nodig. Chimpansees hebben we nodig.”

De ’Reis’ is te lezen als een moderne schelmenroman met een anti-held als hoofdpersoon: Bardamu. Gelaten registreert hij het menselijk tekort. Wat kan hij als individu veranderen aan de waanzin? Paradoxaal genoeg schuilt in zijn gelatenheid tegelijkertijd zijn protest, de bijna onderkoelde woede over de waanzin die nooit zal verdwijnen.

De destructieve krachten van oorlog en uitbuiting zijn alom bekend, maar het ontluisterende aan de ’Reis’ is dat die waanzin gewoon doorgaat in het leven van alledag, in de praktijk van Bardamu, oorlogsinvalide en armendokter in een Parijse volkswijk – zoals Louis-Ferdinand Destouches zelf oorlogsinvalide was en armendokter in een Parijse volkswijk. Hij heeft ze met eigen ogen gezien, de zuiplappen, de immer klagende en roddelende vrouwen, de teringlijders en de vrouw uit een gegoed milieu die haar ongetrouwde dochter uit valse schaamte laat doodbloeden. De jonge vrouw heeft haar derde abortus ondergaan, maar er zijn complicaties opgetreden en ze moet naar het ziekenhuis. De moeder wil er niets van weten. „Wat een schande! ’t Ziekenhuis! Wat een schande dokter! Dat dat óns moet overkomen! Dat ontbrak er nog maar aan! Dat doet de deur dicht!”

Met ’Reis naar het einde van de nacht’ maakte Céline definitief een einde aan de ’literaire’ roman. Bij hem geen verfraaiingen, geen krullentrekkerij. „Geen pretenties, en geen literatuur, mijn God nee. Maar ik heb duizend bladzijden nachtmerrie opgeslagen”, schreef hij aan zijn vriend Joseph Garcin (geciteerd door biograaf Frédéric Vitoux). Het fascinerende is natuurlijk dat hij met die antiliteraire stijl een van de grootste literaire meesterwerken van de twintigste eeuw heeft geproduceerd. En al even fascinerend is dat achter die ogenschijnlijk nonchalante stijl jaren van noeste arbeid schuilgingen. Niet dat Céline dat graag liet merken. Hij schreef zijn roman omdat hij de huur moest betalen, meer niet.

Céline was een meester in het creëren van zijn eigen literaire mythe. Hij was de gewone man, bij toeval schrijver geworden, die zich afzette tegen de rest van de wereld, het literaire milieu voorop. „Wat doet mijn boek ertoe?,” zei hij in een interview met Pierre-Jean Launay. „Het is immers geen literatuur. Nou dan? Het is het leven, het leven zoals zich dat voordoet. [...] De mens staat naakt, is verstoken van alles, zelfs van geloof in zichzelf. Daar gaat mijn boek over.”

De mythe werd versterkt toen Céline op het laatste moment de Prix Goncourt misliep omdat de jury deze ’anarchistische roman’ niet met de belangrijkste literaire prijs van Frankrijk wilde belonen. „t Is om de ’Reis’ dat jullie ’t op mij begrepen hebben! Onder de valbijl zal ik dat nog brullen! ’t Is de afrekening tussen mij en die anderen!”, schreef hij in een nieuw voorwoord in 1949.

Hel op aarde

In beschouwingen krijgt de ’Reis’ regelmatig het predikaat ’nihilistisch’. Dat is op zichzelf niet vreemd. De ontboezemingen van Bardamu neigen naar nihilisme en naar haat, gericht tegen de enkeling en tegen de mensheid als geheel. De medemens valt op geen enkele manier te vertrouwen. En argwaan is het beste wapen waarover het individu beschikt.

Dat geldt dubbel voor de armen. „Een arme mieter kan op deze wereld voornamelijk op twee manieren verrekken, óf door de totale onverschilligheid van zijn medemensen in vredestijd, óf door de moordlust van diezelfde medemensen als ’t oorlog is.”

Toch is het te simpel de roman als puur nihilistisch te beschouwen. Door alle ellende en waanzin heen is er de humor en zijn er de menselijke trekjes. De schrijver lijkt er zelfs hopeloos naar op zoek te zijn.

Wat was er eerder, de ontluistering of de waanzin? Bij Céline lijkt het toch vooral de waanzin die de ontluistering voortbrengt. De waanzin van het leven dat eindigt in de dood is een gegeven waartegen niemand iets kan inbrengen. Maar daarnaast is er de menselijke waanzin, veroorzaakt door al diegenen die de hel op aarde creëren of die medemensen voortijdig de dood in jagen.

„De hel, dat zijn de anderen”, zei Jean-Paul Sartre, bewonderaar van de ’Reis’. Céline maakt duidelijk hoe die hel eruitziet. Maar zelfs daarin lijkt de rol van de mens als individu bijna ondergeschikt. De waanzin is een door mensen voortgebracht monster dat vrijwel autonoom voortdendert.

„Geen vergissing dus? Om zo maar op elkaar te schieten, zo maar, zelfs zonder elkaar te zien, dat was niet verboden! ’t Was een van die dingen die je kon doen zonder flink uitgekafferd te worden. ’t Werd zelfs officieel erkend en vast en zeker aangemoedigd door serieuze mensen”, zegt Bardamu over de Eerste Wereldoorlog. Niemand die het lijkt te zien, behalve Bardamu en via Bardamu natuurlijk Céline. Het is zíjn gevecht tegen de rest. Bardamu geeft zich graag over aan zijn lafheid als die hem redt uit de handen van de dood. En het deert hem niet dat hij zich daarmee de minachting van zijn liefje Lola op de hals haalt en met haar van het gehele Franse volk, dat zich patriottisch achter zijn strijders heeft opgesteld. „Al waren ze met negenhonderdvijfennegentig miljoen en ik helemaal alleen, dan nog hebben zij ongelijk, Lola en ik gelijk, want ik ben de enige die weet wat hij wil: ik wil niet dood.”

Slapstick

Hoe goed en verpletterend ook, de ’Reis’ zou welhaast onleesbaar zijn als de zwartgalligheid geen tegenhanger kende. Gelukkig is er de menselijkheid die nu en dan de kop opsteekt. Tegenover de ellende in de koloniën, de hitte en de uitbuiting staat het verhaal van Alcide, die de hel van de tropen trotseert om geld te sparen voor zijn invalide nichtje, thuis in Frankrijk. „Hij sliep onmiddellijk in bij het kaarslicht. Ik stond ten slotte op om zijn trekken eens goed bij het licht te bekijken. Hij sliep net als iedereen. Hij zag er heel gewoon uit. ’t Zou toch niet zo gek zijn als er iets bestond waardoor je goeie mensen van slechte kon onderscheiden.” En tegenover de egocentrische liefjes Lola en Musyne staat de zichzelf wegcijferende Molly. „Ik heb binnen in me nog zoveel moois van haar overgehouden, dat zo levendig, zo hartverwarmend is, dat ’t wel genoeg is voor ons beiden, voor nog minstens twintig jaar, genoeg tot aan ’t einde.’

Maar de belangrijkste tegenhanger is de humor. Gedoseerd met een flinke dosis sarcasme is de humor hét bindmiddel dat zowel de stijl als het verhaal bijeenhoudt. Volgens William Burroughs is humor zelfs het belangrijkste aspect van de roman. Die humor is de ene keer gelaten, op andere momenten wordt het bijna slapstick-achtig. Zo is er grootmoeder Henrouille die haar zoon en schoondochter tot waanzin drijft. „Je bent zelf oud! Kleine slet! Klein loeder! Ik ga nog ’s kapot aan die smerige leugens van jou!...” Waarschijnlijk is iedereen in zijn leven wel eens een vrouw als grootmoeder Henrouille tegengekomen.

Met die herkenbaarheid had Céline een andere belangrijke troef in handen. De rij herkenbare personages die hij opvoert is bepaald indrukwekkend. Zo zijn daar de autoritaire kolonel, de door de hitte van de Congo compleet afgestompte directeur, de opportunist en cynicus Robinson, alter ego van Bardamu, met zijn gestoorde, jaloerse vriendin Madelon. Om maar een paar voorbeelden te noemen.

Verbitterde gifkikker

Het verbaast niet dat Céline met dit boek, waarin hij de man in de straat een stem gaf, de held werd van links-literaire kringen in Frankrijk. Dat zou hij ongetwijfeld zijn gebleven als hij zich na de ’Reis’ had stilgehouden.

Het liep anders. Nadat in 1936 de al even briljante opvolger ’Dood op krediet’ was verschenen – nog zwartgalliger maar tegelijkertijd nog komischer dan de ’Reis’ – verspeelde Céline in 1937 in één klap zijn reputatie met ’Bagatelles pour un massacre’ (Bagatellen voor een massamoord), de eerste van drie antisemitische pamfletten die tussen 1937 en 1941 zouden verschijnen. Hier liet de pleitbezorger van de naamloze massa zich kennen als een verbitterde gifkikker.

Er zijn in de loop van de jaren bibliotheken vol geschreven over het antisemitisme van Céline. Wat lag eraan ten grondslag? In het kleinburgerlijke milieu waarin hij opgroeide was antisemitisme gemeengoed, zoals in grote delen van de Franse samenleving. (De pamfletten, het blijft een pijnlijk gegeven, oogstten succes in het vooroorlogse Frankrijk.) Werd zijn antisemitisme aangewakkerd doordat zijn grote liefde Elizabeth Graig – aan wie de ’Reis’ is opgedragen – een relatie begon met een Joodse man?

Zonder twijfel was het een combinatie van factoren en zonder twijfel speelde Céline’s pacifisme een bepalende rol. De schrijver die in zijn debuut getuigenis had afgelegd van het ontluisterende slagveld van de Eerste Wereldoorlog, wilde vóór alles de Fransen behoeden voor een nieuw bloedbad. En net als velen met hem was hij ervan overtuigd dat de Joden de Fransen in een nieuwe oorlog wilden storten.

Maar hoeveel er ook over Céline’s antisemitisme is geschreven, een definitief antwoord lijkt er niet te komen. Met het verstrijken van de jaren is de controverse afgenomen, maar verdwijnen zal die nooit. Het antisemitisme blijft dé zwarte kant van de schrijver en de mens Céline.

Eén tegen allen

In 1944 vluchtte hij samen met zijn vrouw Lucette Almanzor en de kat Bébert door het ineenstortende Duitse Rijk naar Denemarken om te ontkomen aan een veroordeling vanwege collaboratie. Een schuldbekentenis zat er niet in. Het fenomeen Céline bestond bij de gratie van het gevecht van één tegen allen. Hij opereerde altijd als eenling en hij had een vijandbeeld nodig. Toegeven dat hij zelf ooit fout was geweest, was wel het laatste waartoe hij zou overgaan.

Na de oorlog leek de schrijver Céline vergeten. Dat veranderde pas toen in 1956 ’Van het ene slot naar het andere’ verscheen, de eerste van de zogenaamde ’Duitse trilogie’, waarin hij als een moderne Jeroen Bosch in apocalyptische beelden de ondergang van het Duitse Rijk beschreef. Het was onmiskenbaar Céline, maar het niveau van zijn eerste twee romans haalde hij niet meer.

De invloed van Céline op de wereldliteratuur is enorm geweest. En de lijst is eindeloos. Zonder hem geen Jean-Paul Sartre en geen Albert Camus, geen absurdistisch theater, geen Beat Generation, geen Kurt Vonnegut, geen Gerard Reve en geen W.F. Hermans. „Ja, en wij zijn natuurlijk allemaal, en dan bedoel ik Hermans en ik, beïnvloed door Céline. Die gelatenheid, dat sarcasme, dat zat al in me, en het komt eruit”, zei Reve in 1989, in een interview met Elsevier. De Tsjech Bohumil Hrabal en de Portugees Antonio Lobo Antunes hebben altijd volmondig toegegeven door Céline te zijn beïnvloed. „Ik zou willen braken, boven de wc-pot hangen en heel die ellende van een dagelijkse dood uitbraken die als een brok zuur in mijn maag ligt”, zegt Lobo Antunes in zijn meesterlijke debuut ’De Judaskus’ (1983), waarin hij de onafhankelijkheidsoorlog in Angola beschrijft. De echo van de ’Reis’ klinkt op elke bladzijde.

De opname van alle romans van Céline in de Pléiade-reeks heeft zijn plaats in de Franse canon bezegeld. Dat zijn huis in Meudon is uitgeroepen tot nationaal monument maakt de canonvorming compleet. En nieuwe generaties blijven hem ontdekken – simpelweg omdat zijn stem nog net zo modern klinkt als in 1932. Het menselijk tekort blijft immers altijd bestaan.

Kees Bakhuyzen is neerlandicus en publicist te Sydney, Australië. Uitgeverij Van Oorschot heeft zojuist een hardcover-editie van ’Reis naar het einde van de nacht’ uitgebracht, in de bekroonde vertaling van E.Y. Kummer (ISBN 9789028242524, 560 blz., euro 17,50).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden