En de treinen reden weer, naar Sobibor

Trouw-lezers kennen Wim Boevink van het Klein Verslag op pagina 2. Dat 'reservaat voor kleine, gezellige dingen' was de afgelopen anderhalf jaar veelvuldig gewijd aan het proces-Demjanjuk. Bij de presentatie van de gebundelde verslagen, maandag, blikte Boevink terug op zijn marathon-verslaggeving. 'Intussen kraakte het om me heen. Bij lezers, collega's. En thuis.'

Ik werk voor een betrekkelijk kleine, maar gerespecteerde krant. Een krant die wat serieus is, ernstig van toon, een krant die bij modes en hypes niet snel vooraan zal staan. In die serieuze, soms wat bedaagde krant voel ik me verantwoordelijk voor de inbreng van een lichtere toets, en er is daarvoor op pagina twee een reservaat ingericht dat Klein Verslag heet.

Het is niet alleen klein in omvang, het doet ook verslag van kleine dingen.

Het kan gaan over complicaties bij de landelijke tuinvogeltelling, of over de prachtige goal van Arjen Robben tegen Schalke 04. Het kan ook gaan over het onderschatte probleem van het uitchecken met de ov-chipkaart of over opvoedingsaspecten bij het schoonmaken van het caviahok. Of het kan gaan over de vraag waarom de biologische producten van Albert Heijn puur en eerlijk heten en wat dat betekent voor die andere negentig procent van het assortiment.

Tussen al die gezellige kleine verslagen die vooral bedoeld zijn om te onderhouden, maar die ook vaak ergens het menselijk tekort raken, kreeg ik ineens het verzoek, ergens in het najaar van 2009, om in diezelfde rubriek, datzelfde reservaat, het proces tegen Demjanjuk in München te verslaan. Een proces met een monsterachtige aanklacht: medeplichtigheid aan moord in bijna 28.000 gevallen.

Daar ging de lichte toets.

Er zou in de komende vijf, zes maanden - zolang, zei men, zou het proces duren - weinig te lachen zijn, op pagina twee.

Het werden geen vijf maanden, en ook geen zes, het werden achttien maanden.

Je zou kunnen zeggen: het liep uit de hand.

Ik kreeg steeds meer moeite met de kleine dingen, waarover ik moest berichten op dagen dat er geen proces was. Het proces met die kolossale aanklacht, met die bejaarde aangeklaagde, met die Nederlandse medeaanklagers, het kreeg me in de greep. Sobibor was een afgrond, en die afgrond deed wat afgronden doen: ze zoog aan.

Van elke zittingsdag heb ik geprobeerd de essentie te beschrijven, tegen de achtergrond van dat sinistere kamp in die godvergeten uithoek van Polen.

Maar intussen begon het om me heen te kraken. Er waren lezers die zich afvroegen of het niet wat veel werd, al die verslagen over dat proces, er kwam geen eind aan. Ze misten de lichte toets.

Buitenmaats was de aandacht die de krant eraan besteedde.

En er waren enkele collega's die begonnen af te haken. In de rechtszaal was dat overigens niet anders, van de ruim tweehonderd journalisten van de wereldpers waren er na die aanvangsweken nog vijf over. Ik was er een van.

Want ik zat met die bijna 28.000 doden, die allemaal uit Nederland kwamen, per trein uit Westerbork. En ik zat met een oude, bedlegerige aangeklaagde die zich had voorgenomen niets, maar dan ook helemaal niets te zeggen.

Hoefde ook niet. Er was, meende de Duitse officier van justitie, genoeg papieren bewijs om hem schuldig te verklaren. Maar juist om dat papieren bewijs ging het, daarom draaide het achttien maanden lang. Was het echt? Was het afgedwongen door marteling en folter? Was de foto op het befaamde Dienstausweis 1393 er niet later aan vastgemaakt? Was hier een justitieel complot gaande? Was Demjanjuk de zondebok? Moest op de valreep aan hem worden goedgemaakt wat de Duitse rechtspraak decennia lang had verzuimd?

U begrijpt misschien dat dit vragen waren die zijn verdediger, Ulrich Busch, opwierp en ik wil hem daarvoor, bij alle obstructie die hij pleegde, prijzen. Bij een verbazend passieve officier van justitie was Busch degene die, onhandig vaak, kwetsend soms, het proces het aanzien van een werkelijk proces gaf.

Ik raakte zelf wat teleurgesteld over de rechtsgang, waarvan ik meende dat waarheidsvinding de kern zou moeten zijn, maar zo werken die zaken niet. In feite is een pad geëffend, van aanklacht tot vonnis, een pad dat alleen onderbroken kan worden door nieuwe bewijzen. De verdediging kon die niet brengen, maar dat geëffende pad zat me een beetje dwars. Niet alle kennis, had ik het gevoel, was gemobiliseerd, niet de allerbeste getuigen-deskundigen werden gehoord. En soms, bij oeverloze woordenwisselingen, leek de regie zoek.

Maar om me heen kraakte het. Bij lezers, bij collega's. En thuis.

Thuis had ik een gezin, een vrouw en twee dochters, die man en vader voortdurend met een rolkoffer het pand zagen verlaten, die niet meer deelnam aan de kleine dingen, die niet het caviahok verschoonde, die zelfs als er hij was, afwezig leek. Ik heb dat gezin nog steeds en dat ze het volhielden, daarvoor ben ik ze, Andrea, Ira en Jane, zeer dankbaar.

Ga je nou alweer naar die ouwe? vroegen ze me wel eens. Ja ik ging weer naar die ouwe, ook al zei die niks, en lag die daar maar.

Maar ik raakte die 28.000 niet kwijt, en die nabestaanden, van wie de meesten destijds nog kind geweest waren en alleen via de onderduik wisten te overleven. Sommigen van hen werden medeaanklager. Een van hen, Rob Fransman, die in Sobibor zijn ouders verloor, hield een weblog bij voor de Wereldomroep, en presenteerde vorige week die levendige bijdragen in boekvorm. We zijn vaak samen geweest, daar in München, Rob en ik.

Zo heb ik het proces gezien: als een poging voor ons geestesoog weer dat kamp op te richten, te reconstrueren, er het licht van de geschiedschrijving op te werpen.

Er zijn in die achttien maanden veel bewogen momenten geweest. De momenten dat de Nederlandse medeaanklagers door de rechtbank werden gehoord, en van hun verlies getuigden, de aangrijpende verhoren van twee overlevende getuigen, van Thomas Blatt en Philip Bialowitz - het was een wonder dat ze er waren. En er was het moment van het horen van de man die het vernietigingskamp schampte en werd doorgestuurd naar andere oorden van de hel. Jules Schelvis, auteur van het standaardwerk over Sobibor.

Bewogen momenten. Niet alleen werd het kamp Sobibor weer opgericht, maar ook liet de rechter in de motivering van zijn vonnis, op die allerlaatste dag, de treinen weer rijden, de treinen uit Westerbork. In die eerste trein zat de vader van medeaanklager Paul Hellmann. Paul Hellmann die in de loop van het proces onder de titel Klein Kwaad een prachtig boekje publiceerde over het verraad dat zijn vader in deze trein bracht. Toen de rechter in München diens naam noemde, keek ik naar Paul en zag een kleine schok door hem heen gaan, en een voor een kwamen ze voorbij, de treinen en de namen, en in de rijen van de medeaanklagers weenden de oud geworden kinderen van toen. De treinen reden weer, ze denderden in een soort kaddisj voorbij, in een soort eresaluut aan de doden, maar ze reden nog steeds onverbiddelijk naar Sobibor.

En daarom sprak Jules Schelvis, door zijn tranen heen, die prachtige woorden na het vonnis: 'We hebben gewonnen, maar we hebben meer verloren dan we gewonnen hebben'.

Ivan of John Demjanjuk zit in een verzorgingshuis in een dorp in Zuid-Beieren. De kosten voor zijn verblijf daar draagt de Duitse staat. Als hij de parasols op zijn terrasje zou kunnen wegschuiven, de parasols die de inkijk van fotografen moeten verhinderen, dan zou hij een prachtig uitzicht op de bergen hebben. Er zijn er die deze situatie onverdraaglijk vinden. Maar welke strafmaat past bij medeplichtigheid aan moord in 28.000 gevallen? Bij een aangeklaagde van 91?

Ik schreef 130 kleine verslagen over het proces. 130 verslagen waarin weinig te lachen viel. De naam Sobibor viel des te vaker.

Sobibor is dat zwarte gat, die afgrond waarin een derde van alle vermoorde Nederlandse joden verdween. Ik moest dat vaak herhalen, voor mezelf, en voor lezers die wat later instapten.

Gisteren heb ik, lieve Ira en lieve Jane, het caviahok verschoond.

Je vader is weer thuis. En nu ga ik het eerste exemplaar van mijn boek aanbieden aan de staatssecretaris, aan mevrouw Veldhuijzen van Zanten, ze is lid van de regering. We kennen haar inmiddels vooral van de pgb's, maar minder bekend is dat ze ook het beheer voert over een portefeuille die oorlogsnazorg heet. Haar aanwezigheid geeft de bundeling van verslagen gewicht, zoveel misschien dat het boek kan bijdragen aan het levend houden van de herinnering aan dat nazikamp in Polen, dat nu niet veel meer is dan een bos met dennen en waarvan het bescheiden museumpje onlangs even - uit geldgebrek - de deuren sloot. Dat museumpje is ook maar een houten gebouwtje, met aan de wanden een kleine tentoonstelling van vage zwart-wit foto's en wat roestig prikkeldraad, dat in de bosgrond gevonden werd. Maar op dit ogenblik buigen zich vier landen, waaronder Nederland, over de toekomstige vormgeving en inrichting van het terrein.

Herinnering vasthouden, dat is taai werk, daar moet je je best voor doen.

Dienstausweis 1393 - Demjanjuk en het laatste grote naziproces, Wim Boevink, verschenen bij uitgeverij Verbum (17,95 euro).

Bij dezelfde uitgeverij verscheen onlangs ook Het proces Demjanjuk - Reportages van een Nebenkläger, van Rob Fransman (17,95 euro).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden