En de hoofdpersoon? Dat is Wenen zelf

(\N)

Het duurt even voordat je gewend bent aan de labyrintische structuur van ’De Strudlhoftrappen’. Ook valt moeilijk te ontkennen dat Von Doderer een antisemiet was. Toch rekent Carl Friedman diens magnum opus tot het mooiste dat ze ooit las.

’Nur die Umwege sind wichtig’ - alleen de omwegen zijn van belang. Dat was het credo van de Oostenrijkse schrijver Heimito von Doderer (1896-1966), een overtuiging waarvan de geldigheid als het ware wordt bevestigd door zijn eigen levensloop. Pas in 1951, als man van vijfenvijftig, verwierf hij bekendheid en erkenning met zijn 800 pagina’s tellende roman ’De Strudlhoftrappen’. Hoewel hij zich ruim dertig jaar eerder had voorgenomen schrijver te worden en vanaf dat moment zijn hele bestaan in dienst had gesteld van zijn literaire talent, voerde de weg naar zijn succes door een grillig doolhof.

’Alleen de omwegen doen ertoe’. Die opvatting ligt ten grondslag aan zowel de inhoud als de vorm van het romanproza van Doderer. Menige lezer van ’De Strudlhoftrappen’ zal aanvankelijk verbijsterd zijn. Hij voelt zich geworpen in een labyrint en dreigt te verdwalen. Waar moet dit heen? Een uitweg dient zich niet aan, tenzij hij lafhartig het boek sluit en ervan afziet om het nog ooit te openen. Wie minder bang is uitgevallen, wordt na veertig of vijftig bladzijden voor zijn doorzettingsvermogen beloond. Nee, het doel van de tocht is nog lang niet in zicht, maar hij bekommert zich er niet meer om, integendeel, het hart klopt hem in de keel, hij laat zich verrast en verrukt langs de veelbelovende omwegen van Doderer voeren, hopend dat daaraan geen einde komt.

Het verhaal kan onmogelijk worden samengevat, net zo min als men de zee in een fles kan doen. In ’De Strudlhoftrappen’, waarvan het verhaal zich afspeelt tussen 1910 en 1925, worden wel vijftien handelende personen opgevoerd en meer dan tweemaal zoveel bijfiguren, die afwisselend en herhaaldelijk aan bod komen en van wie gaandeweg, schijnbaar terloops, de onderlinge samenhang wordt ontknoopt.

Ze behoren allemaal tot het Bildungsbürgertum, de ontwikkelde burgerij. In razendsnel wisselend perspectief beschrijft Doderer hun ontmoetingen en gesprekken, hun vriendschappen en conflicten, hun zintuiglijke en erotische belevenissen. Maar hij tekent vooral meesterlijk hun innerlijke drijfveren, zo verbluffend direct, alsof er geen hindernissen bestaan tussen de zo volstrekt eigen taal van de geest en het geschreven woord. Twee personen treden op de voorgrond, maar zonder dat ze als ’helden’ van deze roman kunnen worden aangemerkt. Ze zijn alleen maar nadrukkelijker aanwezig dan de overigen. De een is Melzer, een majoor in het Oostenrijkse leger die na de Eerste Wereldoorlog carrière maakt als ambtenaar. „Pas toen zijn militaire dienst al zeven jaar achter hem lag, begon in hem een begin van burgerverstand te ontwaken”, heet het. Hij is iemand ’zonder een spoor van gedachten’, die in de loop van de roman een ontwikkeling doormaakt. Het ’zijn’ van Melzer maakt plaats voor ’bewustzijn’: voorwaarde voor menswording.

De ander is zijn tegenhanger René Stangeler, een intellectueel en historicus. Stangeler loopt over van gedachten. Hij is opgegroeid in een gecompliceerd gezin. „Eén ding was niet te doen: leven, doodgewoon leven, zonder spanning, zonder vol van iets te zijn (...): de middag vordert, uit schuin invallende zonnestralen vloeit melkige mildheid, de koffie geurt in de hal, iemand komt na gedane arbeid thuis eten, een heel gewoon iemand, het moeilijkste om te zijn. Daarvoor bestond in Huize Stangeler weinig talent.” Terwijl Melzer zich pas tegen het slot van de roman op het vrijerspad begeeft, is Stangeler steeds een lieveling van de vrouwen.

Die vrouwen in ’De Strudlhoftrappen’ zijn een hoofdstuk apart: geen types die met een haakwerk in een hoekje afwachten of er misschien een man voorbijkomt die notitie van hen wil nemen, maar zelfstandige en stoutmoedige individuen. Ze zijn zo niet hun tijd dan toch in elk geval de clichés van hun tijd vooruit. Ze deinzen er niet voor terug om in de liefde initiatief te tonen, ook niet wanneer het om buitenechtelijke verhoudingen gaat. Met een verfrissend gebrek aan moralisme laat Doderer de dames hun gang gaan. Ook de heren vallen uit de toon. Die zijn bijvoorbeeld buitensporig modebewust of besprenkelen zich dagelijks overvloedig met lavendelwater.

De roman ontbeert dus een hoofdpersoon. Wanneer ik er met geweld een zou moeten aanwijzen, zou het Wenen zijn, waar zich de Strudlhoftrappen met hun jugendstilbalustraden bevinden. Bij die trappen spelen zich de belangrijkste gebeurtenissen af. Maar hoe innig de geliefden elkaar daar ook omhelzen, zij worden nog veel hartstochtelijker omhelsd door de stad. Wie het boek leest raakt niet meer van Wenen los. De precieze aanduiding van straten, pleinen en gebouwen biedt hem houvast op de omwegen van de geest waarlangs Doderer hem voortjaagt.

De schrijver zelf, zoals gezegd, bewandelde in zijn leven heel wat omwegen. Hij volgde twee studies, trad tweemaal in het huwelijk, overleefde als officier twee wereldoorlogen waarin hij nauwelijks vocht en raakte beide keren in krijgsgevangenschap. Zijn grootste dwaling was zijn lidmaatschap van de NSDAP. In april 1933, een paar maanden nadat in Duitsland Adolf Hitler rijkskanselier was geworden, trad de schrijver toe tot de partij.

In 1936 verhuisde hij naar Duitsland („Wat heb ik nog in Wenen? Nauwelijks een redactie, nauwelijks een uitgever meer. Bijna alles joods.”). Hij vestigde zich in Dachau, in de nabijheid van het grootste concentratiekamp op Duitse bodem. In 1938, na de Anschluss, keerde hij naar Wenen terug, ’definitief genezen van zijn dweperij met nazi-Duitsland’, zoals het in het nawoord van ’De Strudlhoftrappen’ heet.

Later heeft Doderer zijn lidmaatschap van de nazipartij afgedaan als een onschuldige flirt. Hij was toegetreden tot de NSDAP, zo zei hij, niet uit liefde voor het nationaal-socialisme, maar in de hoop dat de nieuwe tijdgeest hem als schrijver gunstige kansen zou bieden. Dat is een wel zeer vleiende voorstelling van zaken. Doderers sympathie voor de nazi’s dateert van 1927 en hij was er in 1938 niet van ’genezen’.

Zijn secretaris Wolfgang Fleischer heeft dat overtuigend aangetoond in ’Das verleugnete Leben’. In deze in 1996 verschenen biografie onthult Fleischer onder meer hoe Doderer na de oorlog zijn pro-nazistische proza zuiverde van alles wat in het bevrijde Europa aanstoot zou geven. De schrijver kon de tijd nemen, want een denazificatiecommissie had hem een publicatieverbod opgelegd dat duurde tot 1949. Op zijn gemak kuiste Doderer niet alleen ’Die Strudlhofstiege’, maar ook het vervolg erop, zijn roman ’Dümonen’.

Toch zijn er in ’De Strudlhoftrappen’ verdachte dingen achtergebleven, die hij kennelijk over het hoofd heeft gezien. Zoals een passage over ’een zeldzaam type lelijkheid’, dat vooral zou voorkomen onder joden, bij wie het gezicht „de bouwplaats is van materialen die elkaar absoluut niet verdragen, die al in de voorvaderen niet te verenigen waren, maar nu, als na een ontploffing, totaal versplinterd en in verval zijn geraakt”. Of de lezer stuit onverhoeds op de term ’rassentegenstellingen’, zonder te begrijpen wat dat woord in het verhaal te zoeken heeft: het staat er verloren bij, als een wild dier dat de weg kwijt is, maar uitsluitend omdat Doderer de kudde heeft laten verdwijnen waarvan het in de oorspronkelijk tekst deel uitmaakte.

’De Strudlhoftrappen’ is er niet minder om. Deze roman behoort tot het allermooiste wat ik heb gelezen. Het boek is uit, maar ik blijf erdoor bedwelmd. Een zegen dat Nederland beschikt over zo’n briljante vertaalster als Nelleke van Maaren en over een uitgever die het op zich heeft genomen dit vuistdikke werk toegankelijk te maken voor wie het Duits onvoldoende beheerst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden