En dan komt Hij. Vast.

Als kind van deze tijd maakt filosofe Karin Melis haar eigen keuzen uit het totaalpakket van de rooms-katholieke kerk. Dus wel vasten, wel boete, maar geen carnaval of Tweede Pinksterdag. „En wat zondig is, bepaal ik zelf. De leer, dat bolwerk van mitsen en maren, ge- en verboden, kan rekenen op mijn grenzeloze verwondering.”

Het was in die dagen, begin februari, dat de kerkgangers na de mis werden uitgenodigd voor een Blasiuszegen. Zij mochten voor een moment hun kin laten aanraken door gekruiste kaarsen (niet aangestoken!). En de priester wiens handen de kaarsen omklemden, zei bij elke uitgestoken kin: „Moge God u op voorspraak van de heilige Blasius bevrijden van keelziekten en andere kwalen, in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.”

Blasius leefde volgens de overlevering in de vierde eeuw. Vlak voor hij de marteldood stierf, genas hij een jongetje dat in een visgraat dreigde te stikken. Vandaar de zegen die vooral keelziekten moet bezweren.

Voodoopraktijken, was het eerste dat bij me opkwam. Bijgeloof, de onmiddellijke reactie erna. Allerlei mogelijke kwalen rondom de slagaderlijke huishouding zouden mij ten deel vallen als ik mijn kin niet prijsgaf aan die lieflijke kaarsen.

Tot op heden gaat het goed met mijn keel. Maar de associatie met Tibetaanse klankschoteltjes week niet. Dit was hocus pocus, direct ontleend aan de praktijk van natuurgenezers. Welbeschouwd dus dé habitat voor dichteres Maria van Daalen, aankomend voodoopriesteres. Maar al tovert de rooms-katholieke kerk zelf regelmatig konijnen uit de hoed (wel voorgeborchte, geen voorgeborchte), deze mevrouw mag geen lid worden van de kerk – zoals ze vorige week in Letter & Geest beschreef.

Bezweringen horen, al dan niet vergezeld met kaarsen, tot het totaalpakket van de rooms-katholieke kerk dat zegeningen, sacramenten, leerstellingen en dogma’s omvat.

Als kind van deze tijd maak ik daaruit mijn eigen keuzen. Dus geen carnaval (te lawaaierig), geen Tweede Paas-, Kerst- en Pinksterdag (hebben geen bijbels fundament), geen zegeningen van materiële goederen (onzin), maar wel weer boetedoening (altijd prijs!), wel vasten, te beginnen met Aswoensdag (altijd terecht) en wel de eucharistie (geen verklaring). En wat zondig is, dat bepaal ik zelf.

De leer, dat bolwerk van mitsen en maren, ge- en verboden, kan rekenen op mijn grenzeloze verwondering. In de praktijk verlaat ik me evenwel op de aan mij door bovenaf geschonken vrijheid van geweten.

Ik ben, kortom, iemand naar wie allerlei onderzoek wordt gepleegd. Of dat nu door het Sociaal en Cultureel Planbureau, door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid of in opdracht van het RKK-programma Kruispunt gebeurt. Als object van onderzoek kom ik uit de bus als een individu dat weliswaar staat ingeschreven bij de katholieke kerk, maar voorts zijn eigen goddelijke weg gaat. Met zijn eigen voor- en afkeuren. En vooral: zijn eigen dubbelzinnigheden en paradoxen.

Als aldus officieel verklaard ervaringsdeskundige, zie ik de definitieve ondergang van het dogmatische christendom tegemoet. En eigenlijk is dat ongelooflijk logisch: eerst was daar de Thora (de joodse wet) en vervolgens werd de wet door Jezus vervuld. De goede lezer van de evangeliën weet dat van zijn leven geen leer mag worden gemaakt. Dat de sabbat er voor de mens is, en niet andersom. Dat de kerk er ten dienste van haar gelovigen is. En dat zéker niet andersom.

Het heeft in eerste instantie niet zo mogen zijn. Mensen hebben klaarblijkelijk een onverbeterlijke neiging zich te organiseren en gedragsvoorschriften in statuten vast te leggen. Er moet ook een kapitein zijn tegen wie we op kunnen zien en voor wie we, vanwege zijn goedkeuring, allerlei willen doen en laten. Een soort smiley face langs de secundaire wegen. Het is een dwangmatige behoefte tot verafgoding van wat tast- en zichtbaar is.

En dus kwam er een kerk. En die kerk gedraagt zich niet als Jezus, maar nu juist als zijn tegendeel. Waar Jezus vertrouwen aan de dag legde, met alle machteloosheid die daarbij hoort, daar manifesteert de kerk zich als machthebber. Waar Jezus in zijn broeders en zusters geloofde, daar doet de kerk aan witwassing. Ik vraag mij wel eens af of deze pijnlijke discrepantie tussen het leven van Jezus in Galilea en de institutionalisering van het geloof niet onbedoeld iets blootlegt over de omgang tussen Jezus en Petrus.

Dat is bovenal een verhaal over inkeer en omkering. Terwijl Jezus terechtstaat, wordt Petrus tot driemaal toe gevraagd of hij Jezus kent. Tot driemaal toe antwoordt Petrus ontkennend. En, niet onbelangrijk, weent uiteindelijk bitter. En de haan kraait. Jezus wordt vervolgens gekruisigd en staat drie dagen later op. Hier en daar verschijnt hij, ook aan Petrus. En wederom speelt het getal drie een prominente rol. Tot drie keer toe vraagt Jezus aan Petrus of hij hem liefheeft. Tot driemaal toe verzekert Petrus dat zulks het geval is, al wordt hij droef onder de herhaling van Jezus’ vragen. Gelooft hij hem niet? Tot driemaal toe zegt Jezus tegen Petrus in alle varianten: „Weid mijn schapen.”

Dit is het verhaal van de mens. Het gaat over onze verloochening, al was het alleen al van onszelf. En het gaat over ons stille verdriet dat daar onherroepelijk op volgt. Waarop die o zo pijnlijke inkeer kan intreden.

Uitgerekend op dit levensverhaal is de kerk gebouwd. Uitgerekend Petrus is de rots waarop de kerk verrees. En het is uitgerekend de haan die de kerktoren siert.

Als de weg van de kerk de weg van Petrus is, wat vertelt ons dat dan? Het is wat goedkoop om in cynisme te vervallen, maar ik verdenk de kerk ervan dat zij denkt én Jezus én Petrus te zijn. Net hoe het uitkomt. En zo dringen wij petrusiaans beschroomd haar deuren binnen: ja, ja, ja, wij houden van u.

Maar als de kerk op Petrus is gebouwd, dan moet ook zij tot inkeer komen. Misschien is het heden ten dage wel zo met de kerk gesteld dat zij te droef is om ja en amen te zeggen op de vraag van Jezus: „Heeft u mij lief?”

Lange tijd is de kerk het externe geweten van de gelovige geweest. Diep ingrijpend in de intiemste aspecten van zijn existentie regeerde deze kerk gestreng haar schapen. Op de keper beschouwd personifieerde zij die vrome schriftgeleerden met wie Jezus op elke straathoek in aanvaring kwam.

Niettemin profileerde de kerk zichzelf als het lichaam of zelfs als de bruid van Christus. Jezus heeft veel weerbarstige dingen verkondigd, veel tegendraadser dan de kerk durft te laten horen, maar hij heeft zich nergens geopenbaard als een politiecommissaris die wil huwen met zijn ondergeschikten, mocht hij die hebben gehad.

Als Jezus iets is, dan wel een teken dat er een einde moet komen aan (zijn) almachtigheid. Vandaar dat de incarnatie, de menswording, nog geen sinecure is voor ons: als de Almachtige een Medelijdende wordt, dan ben ik er zelf niet best aan toe, en kan ik mijn schuld niet langer externaliseren.

Maar hoe te leven met een God op wie je niets meer kunt afwentelen? Hoe te leven met een God die in de korte tijdspanne dat Hij vleesgeworden was, ons nadrukkelijk heeft laten zien dat wij geroepen zijn om in vrijheid te leven? Bevrijd van elke vorm van onderdrukking, maar ook – en hier zit waarschijnlijk de angel – verlost van een opgelegde moraliteit?

Op die vrijheid heeft de kerk geen antwoord. Geen ander antwoord dan het aandraaien van de duimschroeven. De zuiveringsactie op de vloeren van de Katholieke Theologische Universiteit in Utrecht is daar een recent voorbeeld van. Academici die zich niet loyaal genoeg betonen aan de katholieke leer, worden zonder pardon opzijgeschoven. En een uitzending van het discussieprogramma ’Soeterbeeck’ over zelfdoding mocht onlangs ook al niet op de buis komen. Overdekt door plaatsvervangende schaamte vernam ik dat verpleeghuispastor Marinus van den Berg de katholieke leer te weinig had verdedigd. Hij was, anders gezegd, te genuanceerd en invoelend geweest. Exit gesprek over zelfdoding. De leer zou zelf eens een vroegtijdige dood kunnen sterven.

Als een instituut de teugels strakker aantrekt, dan kun je er donder op zeggen dat er angst in het spel is. Het bevreemdt me dat de kerk zich niet realiseert dat de leer ongeloofwaardig, en soms onmenselijk is, en daarmee regelrecht in strijd met de levenswandel van de man in Galilea.

De katholieke kerk wil uit alle macht het Woord en brood weer aan de man brengen. Je zou denken dat ze dan haar armen opent om de verloren schapen tegen de borst te drukken – Jezus’ woorden ’Weid mijn schapen’ indachtig. Uitgerekend dat gebeurt nu net niet. De eucharistie, het mystieke hart van het katholieke geloof, moet van het Vaticaan juist exclusiever worden.

Het is de bedoeling dat je zondags verzoend aan de Tafel des Heren verschijnt. Ik zou, als ik recht in de leer zou zijn, aan de hongerdood sterven. Trouwens, niemand die bij zijn volle verstand is, zou nog ter Tafel gaan. Ik ken in elk geval geen mens die verzoend is. Kan ook niet, wij leven per definitie in een gebroken werkelijkheid. Anders zou God het niet in Zijn hoofd hebben gehaald om af te dalen tot Zijn schepping en schepselen.

En toch, ik zou het niet willen ontkennen, is er iets onverklaarbaar heilzaams in het ter communie gaan. Even neem je deel aan een gebeurtenis die zich lang geleden heeft voltrokken en die je boven jezelf doet uitstijgen. Begrijpen zal ik het nooit. Zomin als ik zal begrijpen dat de Allerhoogste ooit een van Zijn schepselen Zijn brood zou weigeren, zoals de leer mij wil laten geloven.

Op een lager niveau, zeg maar in het veld waar er werkelijk geherderd moet worden, gebeurt er iets anders. Het onderzoek ’God in Nederland’, uitgevoerd in opdracht van het RKK-programma ’Kruispunt’, heeft aangetoond dat het katholieke geloof in de lage landen aan alle kanten tanende is. Daar moet natuurlijk iets aan gebeuren.

Dat wil mijn bisdom Rotterdam ook. Het neemt zich voor, zo staat in zijn periodiek Tussenbeide te lezen, om meer rekening te houden met individuele wensen, om de kwaliteit van de diensten te verhogen en om het kerkelijk spreken over maatschappelijke en politieke kwesties te verbeteren.

Ik houd mijn hart vast. Zou mijn eigen parochie aan mijn individuele wensen tegemoetkomen, ik zou de enige kerkganger in gans Noordwijkerhout worden. En over maatschappelijke en politieke kwesties lees ik liever een goed boek. Desnoods de krant. Ik heb geen behoefte aan de kretologie van de kerk.

Vorig jaar profileerde het bisdom Rotterdam zich nog als ’kritisch profetisch’, de slogan voor dit jaar is ’missionair’. Brochures en tekst en uitleg gevende cd’s vallen door je brievenbus. Dat de kerk met deze tactiek het risico loopt zich al te zeer aan de wereld uit te leveren, lijkt geen zichtbare verontrusting te baren.

Was ik bisschop, ik zou het wel weten. Al die onderzoeken en opiniepeilingen zouden bij mij achter elkaar en ongelezen in de bureaulade verdwijnen. Op de plaats waar ook ’De Da Vinci Code’ ligt: verrukkelijke lectuur, maar niet meer dan dat. De echte bisschoppen daarentegen voelen zich genoopt tot de aanval over te gaan. Dat onze God afwezig is, zo zeggen de bisschoppen defensief in de krant, komt doordat de kerk onbekend is. Maar zeker niet onbemind.

De parochies moeten het Woord zodanig uitleggen dat het nauw aansluit bij de belevingswereld van de klanten. En dus zijn de preken zalvend, voorbijgaand aan de levensechte en revolutionaire complexiteit die Jezus aan de dag legde. Voorbijgaand ook aan de warrige kluwen van het bestaan waarin de postmoderne mens zich bevindt. De preken leggen de evangeliën veelal psychologisch en daarmee eendimensionaal uit. Het is het verhaal van de zachte heelmeesters, van het doekje tegen het bloeden. Als we nu maar lief zijn voor elkaar, dan komt het allemaal goed. Jezus als voorloper van het multiculturalisme.

„Komt er ooit eens een einde aan”, liet ik me vorige week ontglippen tegen mijn tienjarige dochter. We waren zojuist teruggekeerd van de eerstecommunieviering in de kerk, een waarachtige modeshow. Allerschattigste kinderen mochten voor het eerst Heilig Brood ontvangen. Het duurde en duurde. Mijn dochter keek me aan en zei: „Als God komt, dan komt er een einde aan. Want dat staat in grote letters in de kerk: Totdat Hij komt!” Daar kan geen enkel onderzoek tegenop. Ik ook niet trouwens.

Eigenaardig toch, dat de kerk niet inziet hoe het individu dat zich niets meer laat opleggen en dat zijn vrijheid van geweten opeist, de oorspronkelijke christenmens is. Geen leer, maar beweging. Geen bevoogding, maar (als het goed is) eigen verantwoordelijkheid.

Tegelijkertijd is zo’n mens ook enigszins hulpeloos als hij met zijn eigen existentie is opgezadeld. Het is hem niet genoeg. Er moet iets meer zijn. En die zucht spoort hem aan om op weg te gaan. Ten diepste zoekt de postmoderne mens niet wat hij in een catalogus al kan aantreffen. Toch is hij daar paradoxaal in: hij is teleurgesteld door welke concretisering dan ook en snakt tegelijkertijd naar tastbare bewijzen. Tastend in het ongewisse, loopt hij met een grote boog om de kerkelijke dogmatiek heen. Eigenlijk precies zoals Jezus dat heeft voorgeleefd.

Deze postmoderne mens kun je vergelijken met de mystici die de kerk met de nek aankeek. Zij waren net zo ketters als Jezus afvallig was van de wettische leer. Zij begrepen dat de weg lang en smal is. En eenzaam, maar niet alleen. Je kunt immers alleen naar beeld en gelijkenis leven als de ander je als zodanig herkent.

Maar als je goed kijkt, dan zie je dat deze naar religiositeit snakkende mens er een andere dogmatiek op na houdt. Mijn verabsoluteerde recht van spreken snijdt de ander de pas af. En die ander verplicht zich de onaantastbaarheid van mijn ego te respecteren.

Als we inderdaad naar beeld en gelijkenis zijn geschapen, dan zullen ook wij uit onze eigen almachtigheid moeten breken. In die spiegeling van beeld en gelijkenis zouden de leiders van elke kerk hun gelovigen tegemoet moeten treden.

Het verhaal is nog niet af. De geschiedenis van de kerk en van het geloof is onuitputtelijk rijk. Velen vrezen dat er geen overdracht naar volgende generaties plaatsvindt. De traditie van het christendom zou in vergetelheid raken.

Maar eigenlijk leven we allang in die discontinuïteit. Wat er nog aan overlevering rest, wordt opgediend in hapklare brokken. De Bijenkorf heeft het kerstverhaal ingepikt, de banketbakkerij de wederopstanding. Wat van Pinksteren rest, is een vaag verhaal. De Heilige Geest stort zich dit weekeinde ongezien en ongemerkt over ons uit, en dan wordt het weer zomer. Zoveel is zeker.

Dat de traditionele godsdienst terrein verliest, stemt ook mij weemoedig. Uiteindelijk zijn ook wij in de lage landen uit die geschiedenis voortgekomen. Al leven we met onze rug ernaartoe gekeerd, we zouden ons rekenschap kunnen geven van onze oorsprong. Al was het alleen maar bij wijze van rouwverwerking. En ten dienste van het bewustzijn dat de teloorgang van het dogmatische christendom tegelijkertijd zijn vervollediging betekent.

Het wachten is op het moment dat de kerk werkelijk inziet dat het heil buiten haar organisatie om zijn werk doet. Dat de Heilige Geest waait waarheen ie wil. Dan richten we een feestmaal aan. Dan drinken we met z’n allen wijn en breken we elkaars brood. En dan komt Hij. Vast.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden