Emmanuel Levinas 1906 - 1995

'To be or not to be, that is the question'. Deze variatie op Shakespeare, afkomstig van hemzelf, kenmerkt het denken van Emmanuel Levinas, die maandag in Parijs is overleden. Niet het zijn staat in zijn filosofie centraal, maar het verantwoordelijk zijn. Anders gezegd: niet het ik of het subject, maar de ander, de mens tegenover mij. Of, zoals hij het zelf recentelijk formuleerde: ik poog “niet van de wereld uit te denken, maar vanuit de naaktheid van het gezicht dat mij ontmoet”.

In dit opzicht verschilde Levinas fundamenteel van opvatting met een van zijn leermeesters, Heidegger. Die gaf, vooral in zijn latere werk, blijk van een tamelijk zonnige kijk op het zijn: een vrije open ruimte waarin de mensen kunnen bestaan.

Levinas daarentegen ervoer het, vooral in de jaren dertig en veertig, eerder als een gevangenis. Hij was dan ook jood. Landgenoten van Heidegger veroordeelden Levinas, Frans staatsburger, in de oorlog tot de allesbehalve vrije open ruimte van een kamp voor joodse krijgsgevangenen. Na de bevrijding vernam hij dat zijn familie door de nazi's was uitgemoord. Hij zou nooit meer een voet op Duitse bodem zetten.

Die familie woonde in Litouwen, waar Emmanuel in 1906 (of 1905) geboren werd en al vroeg vertrouwd raakte met de Hebreeuwse bijbel en de Russische klassieken. Als jongen van 17 vertrok hij naar Straatsburg om er filosofie te studeren. Later liep hij in Freiburg college bij Heidegger en Husserl.

In de jaren dertig werd hij officieel Fransman en doceerde hij in Parijs aan een opleiding voor joodse leraren. In 1946 nam hij de leiding van de ücole Normale Israeélite Orientale op zich. Beroemdheid - althans in kringen met wijsgerige belangstelling - verwierf hij zich pas in de jaren zestig, na de publikatie van zijn eerste hoofdwerk, 'Totalité et Infini' (27 jaar later in Nederland vertaald). Het bezorgde hem een professoraat aan de universiteit van Parijs-Nanterre, in 1973 gevolgd door een leerstoel aan de Sorbonne. Het jaar daarop verscheen zijn tweede hoofdwerk, onder de programmatische titel 'Autrement qu'être' ('Anders dan zijn').

Bedlectuur is anders. Veel van Levinas' werk maakt een ondoorgrondelijke indruk, ook op mensen die wel vaker filosofie lezen. Jan Keij, die in 1992 op Levinas promoveerde, onthulde in Trouw dat hij op één enkel essay 'enige maanden gezwoegd' had. Hij voorzag dan ook in een behoefte met zijn inleiding 'Eenvoudig gezegd: Levinas'. Dat Levinas het ook zelf eenvoudiger kon zeggen, bewijzen 'üthique et Infini', een serie tv-interviews uit 1982, en een gesprek met de Oostenrijkse filosoof Helmut Kohlenberger, waarvan eerder dit jaar een vertaling in Letter & Geest werd afgedrukt.

Daarin markeerde Levinas zijn positie tegenover die van een andere joodse denker met wie hij wel in één adem is genoemd, Martin Buber. Legde Buber de nadruk op de wederkerigheid in de relatie van mens tot mens, voor Levinas gold 'dat de ander altijd belangrijker is dan ik'. Wat ik ben, wordt bepaald door de ander, die mij als het ware gijzelt door een appèl te doen op mijn verantwoordelijkheid voor hem.

Bubers opvatting dat wederkerigheid kenmerkend is voor de relatie tussen mensen, behoorde volgens Levinas tot de vervlogen wereld van vóór het nazidom. “Een wereld die tot op zekere hoogte nog gestempeld werd door harmonische relaties in een fatsoenlijke samenleving.”

Moraal primair

Vanuit Levinas' kijk op de mens spreekt het vanzelf dat de kern van de filosofie bestaat in ethiek. Daarin stemde hij overeen met andere joodse denkers, maar allerminst met zijn leermeester Heidegger, die moraal als iets van het tweede plan beschouwde, ondergeschikt aan (theorieën over) het zijn. Voor Levinas gold het omgekeerde: “Het ethische, de relatie tot de ander, is altijd maatgevend voor het begrip van het zijn. Daarom heet mijn hoofdwerk 'Anders dan zijn', niet 'Anders zijn'.”

Verantwoordelijkheid is dan ook een centrale notie in Levinas' werk. Een van de voorwaarden daarvoor omschreef hij als 'ethische raakbaarheid', het vermogen om getroffen te worden door andermans ellende. Deze eigenschap komt uiteraard in conflict met een ander basiskenmerk van de mens: zijn egoïsme. Vandaar dat - om Keij te citeren - de mens bij Levinas altijd verkeert in 'een spanningsveld tussen voor-zichzelf en voor-anderen, in staat tot zowel een glanzende carrière in een criminele organisatie als in Amnesty'.

Ook het denken definieerde Levinas vanuit een principieel door 'de ander' bepaalde opvatting. Een mens kan leren denken, omdat hij van anderen kritiek kan ontvangen. Echt denken is theoretiseren ten dienste van andermans geluk. Dit betekent onder meer dat de resultaten - in de vorm van systemen, regels en wetten - niet voor eens en voor altijd vastliggen. De voorwaarden voor dit geluk, bepaald door de mens tegenover mij, kunnen in de loop van de geschiedenis veranderen. Relativisme? Toch niet, want altijd blijft het beroep van de medemens 'die vraagt: schep geluk', de absolute norm.

De uiterste vorm van dit appèl vond Levinas verwoord in de Tien Geboden: 'Gij zult niet doden'. Maar hij ervoer het ook in schijnbaar alledaagser omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer het gelaat van de ander ertoe oproept, hem te vrijwaren voor laster of hem niet te vereenzelvigen met een partij, een ideologie of zelfs maar een beroepsgroep.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden