Elsie de Brauw speelt het liefst wat gehavende figuren. ’Als het niet in je zit, sla je niet terug.’

’Op ’Zus van’ ben ik het meest trots. Dat ik daar een Theo d’Or-nominatie voor kreeg vond ik des te eervoller, omdat het in vergelijking met andere voorstellingen zo’n piezelig klein dingetje is. Het werd dus gezien.”

Elsie de Brauw (1960) is de afgelopen vier jaar maar liefst drie keer genomineerd voor de Theo d’Or, de belangrijkste toneelprijs voor de beste vrouwelijke dragende rol. In 2003 voor de rol van Jeanne in ’Vrijdag’ van Hugo Claus, in 2005 voor die van naamloze vrouw in ’Zus van’, in 2006 kreeg zij de onderscheiding daadwerkelijk voor de rol van Myrtle in ’Opening Night’, de bejubelde co-productie van Toneelgroep Amsterdam en NTGent.

„Ik heb”, zegt Elsie de Brauw, „’Opening Night’ fantastisch gevonden. Oppervlakkig gezien een stuk over ouder worden, maar meer nog over twijfel van iemand aan de zin van haar werk. Je kon er als actrice geweldig in uitpakken, maar ’Zus van’ gaat, vind ik, veel dieper. Het gaat over iemand die geen held was, dat niet wilde zijn ook, die altijd in de schaduw van haar wereldberoemde zus heeft gestaan maar, verlegen met zichzelf en de situatie, toch behoefte heeft haar keuze te verdedigen.”

„Zij is een bangig iemand, die heel erg in nuances denkt en nooit, als ze geslagen wordt, meteen zal terugslaan. Als het niet in je zit, geef je geen klap terug. Ik snap dat wel. Als advocatendochter ben ik gewend lang te wikken en te wegen, en dan is het moment voorbij. Nuances vind ik een groot goed. Held zijn is ongenuanceerder, brutaler en lijkt zoveel mooier. Maar verreweg de meeste mensen zijn gewoon zus-van of broer-van. Zelf heb ik vijf oudere broers en zussen. Ik ben een heel erg nakomertje en heb daardoor een totaal andere jeugd gehad. Ik hol achter al hun verhalen aan: ’Daar was ik nog niet bij.’ Sinds een tijdje gaan we zo nu en dan met z’n zessen eten. Dat is voor mij met al die voor hen bekende verhalen een ware inhaalslag.”

Zoals Elsie de Brauw in ’Zus van’ op de speelvloer staat, gevangen in een spotje, onbeweeglijk op een enkel handbeweginkje na en met alleen wat uitschieters in haar stem, is zij het prototype van de anti-helden, van de naamlozen die zich nog voor hun onbeduidendheid generen ook. Tegelijk is haar spel een statement over de bekrompenheid van de buitenwereld die geen oog heeft voor kleine zielen. „Om stil van te worden” stond er in het juryrapport.

„Die vorm”, zegt De Brauw, „had ik al heel snel gevonden. Al na de derde dag. Stilstaan moest, voelde ik. Als zij gaat lopen, krijg je realistische bijgedachtes en zou ze ook zomaar kunnen weggaan. Ik kreeg het stuk als een half affe tekst van regisseur Allan Zipson, die het erg bij mij vond passen. Meteen bij het lezen voelde ik de noodzaak om dit te doen. Normaliter krijg je die noodzaak halverwege het repetitieproces, hier van meet af aan.”

„Het werk van Lot Vekemans vind ik heel bijzonder. Zij schrijft in hele korte zinnetjes, allemaal onder elkaar – de bladspiegel alleen al is mooi – met telkens onverwachte wendingen en daardoor zoveel nuances. Begin maart komt een nieuw stuk van haar uit, ook een solo, ’Judas’, gespeeld door Han Kerckhoffs. Daar ben ik zo benieuwd naar.”

„Door al die schakeringen is ’Zus van’ multi-interpretabel. Dat maakt iedere voorstelling weer anders. Het leuke is, je kunt van tevoren niet inschatten hoe het zal gaan. Ook omdat je in je eentje ongelooflijk afhankelijk bent van het publiek, hoe dat reageert. Ik speelde ’s in een piepklein zaaltje, niet groter dan een huiskamer. Het publiek zat te dicht op me, waardoor de voorstelling niet dat hallucinerende, dat onherbergzame kreeg. Mensen bleven maar onrustig gebaren naar de techniek: ’Het licht is nog aan’, hadden niet door dat dat zo hoorde. In plaats van kwetsbaar werd mijn spel toen opeens heel militant.”

„Een andere keer was ik plotseling hele zinnen vergeten waardoor, realiseerde ik mij, het publiek niet kon weten dat beide broers van mijn personage dood waren. Al doorpratend ben je dan als een computer bezig in je kop alle bladzijden af te gaan om te zien waar je die passage kunt invoegen.”

„Ik ben pas op mijn 24ste naar de toneelschool gegaan. We hadden thuis totaal geen toneeltraditie. Ik had eerst wat gewerkt, gestudeerd, was bij toeval eens bij amateurs gaan spelen. Daar opeens voelde ik dat mijn lichaam erbij was, dingen deed zonder nadenken. Je weet niet wat je overkomt. Nog altijd is het een wonder als er iets gebeurt wat je niet van tevoren hebt bedacht. Ineens schiet het wortel en gaat de taal leven.”

„’Zus van’ speel ik afwisselend met Vogel in ’De asielzoeker’ (naar de roman van Arnon Grunberg). Die afwisseling is niet verwarrend, maar juist prettig. Daar krijg ik impulsen van de andere acteurs. En je wordt zó iemand anders. Het is net als met Frans en Duits, je kunt je niet vergissen. De personages zijn zo verschillend, dat die andere woorden gewoon niet in je opkomen.”

„Ik speel het liefst wat gekartelde, gehavende figuren. Dat stamelende praten in het begin van ’Zus van’. Ik ben zelf stotteraarster, werd er erg mee gepest op school en heb het afgeleerd door zo te gaan praten als mijn zusje. Eigenlijk was dat al acteren.”

„Mooi theater is de theatrale vertaling van iets echts. Met toneel moeten we nooit de kant op van realisme – daarvoor hebben we film en televisie – maar andere vormen vinden. ’Zus van’ is daar een voorbeeld van. Zelden heb ik zo recht op de spijker een op zijn plek vallende vorm gevonden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden